Het joodse verleden van Shanghai

Shanghai moderniseert in hoog tempo, en de oude stad dreigt te worden weggevaagd. Zo ook de joodse wijk. Nog even, en joodse winkeltjes met nog maar nauwelijks leesbare opschriften als Horn's Imbiss Stube en Café Atlantic zullen zijn verdwenen....

Met een ruk staat Eric Nahimoff stil voor nummer 998 van de Huaihai Lu, een van de drukste straten van Shanghai. Een schoonheidssalon. 'Hier, hier was het. Dit was de kapperszaak van mijn vader. Het nummer is het enige Chinees dat ik niet ben vergeten: jiu bei jiu shi ba.' Hij kijkt omhoog. 'De derde verdieping! Nog precies hetzelfde!'

Blind vindt hij in een zijstraatje de ingang. Met de andere leden van het reisgezelschap uit Israël gaat hij naar boven. De verdieping blijkt opgedeeld in vijf mini-appartementjes, maar de indeling en de centrale gang zijn niet veranderd. In trance kijkt Nahimoff rond. 'Ik ben zo blij voor hem', zegt zijn vrouw. 'Hij heeft me altijd verteld over het huis van zijn jeugd, en nu heeft hij het na al die tijd teruggevonden.'

Shanghai verandert steeds meer in een postmoderne stad, waar kolossen van staal en glas de hemel in priemen en de auto's soms in vier lagen boven elkaar razen. Het lot van de oude Chinese stad lijkt bezegeld. En het koloniale Shanghai raakt steeds meer beperkt tot de Bund, de tot snelweg en promenade omgebouwde kade aan de Huangpu met haar rij granieten neoklassieke gebouwen.

Veel minder bekend is Shanghais joodse verleden, en ook dat dreigt goeddeels teloor te gaan. Het joodse kerkhof werd verwoest tijdens de Culturele Revolutie, zes van de acht synagoges zijn afgebroken, het joodse getto is niet meer herkenbaar, het joodse ziekenhuis een woonkazerne.

Nog even, en joodse winkeltjes met nog maar nauwelijks leesbare opschriften als Horn's Imbiss Stube en Café Atlantic zullen zijn verdwenen. En dan zal alleen nog een gedenksteen in het Huochan-park, waar joodse families na het eten bij elkaar kwamen, er in het Chinees, Engels en Hebreeuws aan herinneren dat in Shanghai twintigduizend uit Europa gevluchte joden gered zijn van de holocaust.

Na de opiumoorlog (1839-1842) werd Shanghai een vrijhaven. Engeland, Frankrijk en andere mogendheden deelden de stad op in concessies en maakten er feitelijk een kolonie van. De joodse immigratie begon kort na de opiumoorlog. De vrijhaven lokte zakenmensen aan, onder wie sefardische joden uit Bagdad en Bombay, zoals de families Sassoon, Kadoorie en Hardoon. Ze deden in opium, huizen en grond en vestigden ware zakenimperia. Monumentale panden getuigen nog altijd van hun rijkdom.

De magnifieke Marmeren Hal van de familie Kadoorie, nu het Kinderpaleis, valt in het niet bij de torenhoge paleizen van de nieuwe tijd. De joodse club op het terrein van het toen nog niet bestaande conservatorium is voor een deel nog in oude staat. In het ommuurde joodse familiepark staat een paleisvilla waar tegenwoordig kunstnijverheid wordt bedreven. In Sassoon's Building aan de Bund, eens het symbool van de macht van de Sassoons, zijn thans het Peace Hotel en een ABN/Amro-filiaal ondergebracht.

Een tweede stroom joodse immigranten vluchtte voor de gebeurtenissen in Rusland aan het begin van de vorige eeuw: de Russisch-Japanse oorlog, de pogroms, de Oktoberrevolutie. De meeste vluchtelingen vestigden zich in de stad Harbin in Mantsjoerije. Toen Japan in 1931 dit gebied in Noord-Oost-China bezette, trokken ze verder, vooral naar de metropool Shanghai. Deze ashkenazische joden waren vooral handelaars, winkeliers en musici.

In 1912 vluchtte een zes jaar oude joods-Russische weesjongen met zijn twaalfjarige oom naar Harbin. Daar werd hij hulpje van een kapper. Later trok hij naar Shanghai, waar hij trouwde en op Avenue Joffre 998 in de Franse concessie een kapperszaak opende. In hun huis boven de zaak werd in 1934 de oudste zoon geboren, Eric.

De ouders van Shaul Dital, geboren in 1945 in Shanghai, vluchtten voor het communisme eerst uit Rusland, daarna uit China. De vader van Ran Veinerman ontsnapte aan de progroms in Siberië en trok van Harbin via Tientsin naar Shanghai. Daar trouwde hij met een zestien jaar jonger meisje dat bij Sassoon werkte en net als hij kind was van joodse vluchtelingen uit Siberië. In 1940 kreeg ze Ran.

Eenenzestig jaar later belt Ran Veinermann op de Huaihai Lu, die vroeger Avenue Joffre heette, op zijn mobieltje zijn moeder in Israël om de weg in het oude Shanghai te vragen. Hij leidt de vriendschapsvereniging China-Israël, die zich vooral richt op de vijfduizend Israëli's met Chinese wortels. 'Veel mensen in Israël', vertelt hij, 'staan verbaasd als ze horen dat er joden zijn die geboren zijn in Shanghai.'

Samen met Nahomoff, Dital en andere Israëli's is hij op ontdekkingstocht door zijn geboortestad. Vorig jaar is hij voor het eerst sinds 52 jaar terug geweest. Hij is er nu voor de tweede keer. Hij laat de groep zijn oude huis zien dat hij op de tast heeft teruggevonden. Tussen alle nieuwbouw vindt hij een oude winkelgalerij, met aan het eind de bioscoop waar hij als kleine jongen naar de film ging.

In de jaren dertig werd de joodse gemeenschap van tienduizend mensen uitgebreid met twintigduizend nieuwkomers uit Duitsland, Oostenrijk en Polen. Shanghai was het enige land ter wereld zonder visumverplichting, omdat de mogendheden het niet eens konden worden over een gemeenschappelijk immigratiebeleid. Iedereen kon vrij binnenkomen, het ergste schuim incluis.

Maar de vluchtelingen hadden wel een doorreisvisum nodig, en dat wilde geen enkel land hun geven. Tien diplomaten deden het toch, onder wie de Chinese consul in Wenen en de consuls in Litouwen van Japan en Nederland. Jan Zwartendijk schreef visa uit voor Curaçao en Suriname, waarmee de vluchtelingen kaartjes naar Shanghai konden kopen. Het Caraïbisch gebied hebben ze nooit gezien. Israël heeft Zwartendijk dezelfde titel verleend als Oskar Schindler: 'Righteous among the Nations'.

De nieuwkomers herademden in vrijheid. Ze kregen hulp van rijke joden en van een joods-Amerikaanse organisatie voor vluchtelingenhulp, waarvan het gebouw nog altijd bestaat. Een van de vluchtelingen was de achtjarige Michael Blumenthal, die met zijn ouders en zusje in 1939 naar Shanghai kwam. Hun huis bestond uit één enkel kamertje in een complex dat Sassoon liet bouwen voor de vluchtelingen. Het staat er nog steeds. Blumenthal is inmiddels oud-minister van Financiën van de VS.

'Hij komt nog geregeld terug', zegt prof. Pan Guang, 'en ik begeleid hem dan. Wanneer hij in zijn oude huis komt, moet hij altijd huilen.' Pan leidt het Centrum voor joodse studies en is auteur van twee boeken over de joden in Shanghai. Hij heeft er twee documentaires over gemaakt en zint op een dramatische film in de trant van Schindlers List. 'Er wordt aan gewerkt in Nederland, Duitsland, de VS, Canada en China. Spielberg is geïnteresseerd. We hebben al tien scripts. Maar ze zijn geen van alle goed.'

Japan had China in 1937 bezet, maar de joden met rust gelaten. Tot 1943. Toen werden de statenloze Europese joden in Shanghai samengebracht in een getto in Hongkou. Boven de vroegere synagoge in die wijk is een mini-expositie over joods Shanghai. Het uitzicht over het compacte daklandschap van het ex-getto is subliem.

Beheerder Wang Faliang (82) is een wandelende encyclopedie en wordt respectvol professor genoemd. 'Mijn familie heeft altijd in het getto gewoond. We waren even arm als de joodse vluchtelingen. Een paar honderd zijn er gestorven door gebrek aan verwarming en voedsel, want ze waren een veel hogere levensstandaard gewend.'

Wang vertelt over een plan van de Gestapo om alle Europese joden in Shanghai te vermoorden. 'Maar de Japanners weigerden mee te werken. Rijke joden hadden hen geholpen in de oorlog tegen Rusland. Ze vermoordden alleen maar Chinezen.' Wel was er een diep gehate Japanse commandant, de 'koning van de vluchtelingen'. Op de plaats waar hij woonde aan de ingang van het getto staat nu een bankgebouw. Schuin daartegenover zijn nog de laatste sporen van joodse winkeltjes te zien.

Na de oorlog keerden de joden naar hun land terug of emigreerden naar Israël, de VS, Canada of Australië. Die exodus versnelde na het uitroepen van de Volksrepubliek in 1949. In dat jaar vertrok ook rabbi Meir Ashkenazi naar New York. Dat bezegelde na een eeuw het einde van de joodse gemeenschap in Shanghai.

Eind jaren zeventig zette Deng Xiaoping China's deuren open. Shanghai kwam tot nieuwe bloei. En opnieuw vestigden zich er joden, dit keer voornamelijk Amerikaanse zakenlieden. Er is nu een actieve joodse gemeenschap van 150 à 200 personen. En sinds 1998 is er weer een rabbi, de enige van China.

Joods Shanghai, dat is in de eerste plaats de Ohel Rachel synagoge uit 1920 in de voormalige Britse concessie. De neoklassieke gevel is behangen met klimop. De witte, vrijwel vierkante ruimte is leeg, op de foto-expositie Heaven for holocaust victims from nazi Europe na die er nog staat van het bezoek van Clinton in 1998.

Om de synagoge heen staan gebouwen van de gemeentelijke onderwijsdienst. Een ervan is de joodse school, waaraan Ran Veinermann dierbare herinneringen heeft. Maar hij mag er niet in, net zo min als de rabbi zo maar de synagoge in kan. Want ook dit gebouw is van de overheid. Het is geen vergaderplaats meer van de maoïstische jeugd en ook geen warenhuis meer, maar het is evenmin teruggegeven aan de joodse gemeenschap.

'De autoriteiten vinden dat we dankbaar moeten zijn dat we de synagoge de laatste tweeënhalf jaar vijf keer hebben mogen gebruiken', zegt de jonge rabbi Shalom Greenberg. 'Officieel zijn we niet erkend. Daarom mogen we geen school hebben, geen bankrekening, geen ontmoetingsplaats. De dienst religieuze zaken wil niets met me te maken hebben, want officieel besta ik niet.'

Conform de wet zijn alle activiteiten van de joodse gemeenschap strikt beperkt tot de houders van buitenlandse paspoorten en hun familie. De sabbatviering vindt plaats op een hotelkamer, hoog boven de auto's en lichtreclames. De vrouwen en mannen zijn gescheiden door een geïmproviseerde bloemenhaag. 'Wij zijn de wandelende joden', zegt de rabbi tegen zijn gemeente.

Greenberg gelooft dat de teruggave van de synagoge niet lang meer zal duren. Onderzoeker Pan onthult dat de partij discussieert over de mogelijke erkenning van andere godsdiensten naast boeddhisme, taoïsme, katholicisme, protestantisme en islam. 'Ik zeg altijd tegen de regering: voor de joden hoeven jullie niet bang te zijn, die doen geen missioneringswerk. Maar de autoriteiten vrezen dat Chinezen het jodendom kunnen gebruiken voor politieke activiteiten. En ze willen geen precedent stellen. Maar dat ze de rabbi laten werken, is een punt in hun voordeel.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden