Het is te vroeg voor een lofzang op democratie

Nu we allemaal naar het spektakel van de verkiezingen kijken alsof het om een groot en gruwelijk gladiatorengevecht gaat, komt de vraag op welke verantwoordelijkheid het volk zelf heeft voor zulk volksvermaak....

Als je volksvertegenwoordigers de arena instuurt met een drietand en een visnetje, kun je zeker zijn dat ze elkaar daarmee gaan prikken en vangen. Ze weten dat hun leven afhangt van de gunst van het publiek. De vraag is dan ook niet waarom politici zich in zo’n gevecht begeven – we kunnen ons beter afvragen wat we zelf van verkiezingen verwachten.

De Nijmeegse student Niek Janssen nam het deze week in de Volkskrant op voor het idee van volksvertegenwoordiging. In een lofzang op de democratie hekelde hij de neiging van burgers om politici voor alles ter verantwoording te roepen, ook voor hun onvermogen om charmant met de pers te converseren. Als politici eenmaal zijn gekozen, schreef hij, moet je bereid zijn je door ze te laten vertegenwoordigen. En dus moet je ze hun werk laten doen en erop vertrouwen dat ze zich inzetten voor het land.

Hij verdeelde de verantwoordelijkheid voor het welslagen van de democratie netjes over alle betrokken partijen. ‘Hoe kan de politiek op de lange termijn een beter Nederland bereiken als we alleen maar directe belangenbehartiging willen zien? Wij, burgers, en politici, laten ons door de media opjutten. Alle drie de partijen zijn er schuldig aan dat er niet meer op de lange termijn en in het landsbelang wordt gedacht. Eigenbelang en partijpolitiek voeren de boventoon.’

Aardig was dat deze student klassieke talen wees op het verschil tussen de directe democratie van Athene en de huidige vertegenwoordigende democratie: we nemen de beslissingen tegenwoordig niet meer zelf, we hebben ze uitbesteed, en we zouden ons weleens wat volgzamer kunnen neerleggen bij de uitkomsten ervan.

Het geluid sluit aan bij de groeiende weerzin tegen directe democratie op allerlei terreinen van het leven. Democratie als lifestyle, zoals Fareed Zakaria het noemt, de gedachte dat iedereen over alles direct moet kunnen meebeslissen. Niet alleen in de politiek, waar eigentijdse experimenten met directe democratie vooral leiden tot belastingverlagingen en overheidsschulden, maar ook in het leven van alledag. Zo zag ik onlangs op de website van een krant het doodsbericht van een beroemdheid, met daaronder een bezoekerspeiling. Vindt u dat de overledene bijzondere verdiensten heeft gehad? Ja? Of nee?

Er werden natuurlijk al wel langer vraagtekens gezet bij de democratisering, maar dan ging het meestal om de export van de democratie naar landen die daar nog niet aan toe waren. Democratie maakt meer kapot dan je lief is, schreven globaliseringwaarnemers als Amy Chua en Robert D. Kaplan. Althans, je hebt weinig aan een kiezersdemocratie zolang je geen werkende instituties hebt en geen redelijke mate van welvaart onder de bevolking.

Maar nu breiden de aarzelingen zich uit naar de praktijk van de westerse situatie zelf. In het tijdschrift Filosofie & Praktijk schreef de filosoof Sjaak Koenis onlangs dat democratie in Nederland pas na de Tweede Wereldoorlog een politiek en moreel ijkpunt werd. Tijdens de jaren zestig en zeventig was volgens hem democratisering de inzet van de politieke debatten. ‘Een term die dan voor het eerst wordt gebruikt om te strijden tegen de maatschappelijke, culturele en politieke machtsposities van regenten die democratie wel met de mond belijden, maar in de praktijk zich daar weinig om bekreunen.’

In de decennia daarna bleef de democratie, in wisselende rollen, steeds gelden als een waarborg tegen ongewenste machten of ideologieën. Het kan dan ook geen kwaad, schreef Koenis, eens kritischer naar het begrip zelf te kijken. In zijn artikel ging hij daarvoor te rade bij Menno ter Braak, boegbeeld van de Nederlandse essayistiek, die in de vooroorlogse jaren met frisse tegenzin democraat werd onder druk van het nationaal-socialisme.

Ter Braak zag vooral een gevaar in het gelijkheidsdenken van de democratie. De teleurstellingen die de belofte van gelijkheid in de praktijk onvermijdelijk oplevert, leiden al gauw tot ressentiment en afgunst onder de bevolking. Volgens Ter Braak was er binnen een democratie dus altijd een elite nodig om die gevoelens in goede banen te leiden. Daarbij kon zo’n elite zich in de moderne tijd niet meer beroepen op vaststaande morele waarden. Wat restte was het beroep op een moraal zonder fundament – een fatsoensnihilisme, zoals H.W. von der Dunk dat noemde. Democratie was voor Ter Braak dan ook niet zozeer een stelsel, als wel een praktijk van zelfkritiek en samenleven.

De filosoof Koenis laat zien wat Ter Braak uiteindelijk tegenover elkaar stelde: aan de ene kant de ‘oppositie uit principe’, het haten om het haten, ‘het onmiddellijk overslaan van het ene gekanker op het andere, wanneer er per ongeluk toch iets in vervulling gaat’ tegenover het noodzakelijke schipperen van de democratische praktijk. Het gekanker zit in de vezels van de democratie, en dat is ook wat je aan het systeem kunt tegenwerpen – maar mits op de juiste manier bijgeschaafd en in de greep gekregen is democratie toch te prefereren boven concurrerende praktijken.

Een precies antwoord op de vraag welke houding beter is dan klagen en zeuren boden Ter Braak en Koenis dus uiteindelijk niet. Er is nu eenmaal geen absoluut richtsnoer voor maatschappelijk gedrag. Maar toch viel van Menno Ter Braak wel iets te leren: het constructieve denken over een manier om democratisch voort te krabbelen en te rommelen zal moeten beginnen bij de elite. Welke elite? Die van de krantenlezers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden