AnalyseNieuw pensioenstelsel

Het is een heidens karwei om met de nieuwe pensioenen iedereen tevreden te stellen

Beeld Philip Lindeman

Het pensioenakkoord heeft veel losse eindjes. De Kamer komt vandaag terug van reces om over het nieuwe pensioen te debatteren. Dit zijn de drie grootste valkuilen.

Met veel hangen en wurgen schaarden anderhalve week geleden ook de FNV-leden zich achter het nieuwe pensioenakkoord. Veel details zijn nog een groot vraagteken. De Tweede Kamer komt dinsdag terug van reces om over het akkoord te debatteren. De meeste pensioenexperts zien het nieuwe stelsel als een verbetering, maar maken zich zorgen over de losse eindjes. Als pensioenfondsen en sociale partners bij de overgang naar het nieuwe stelsel keuzen maken die de politiek zeer actieve ouderen tevreden stellen, worden ­­

55-minners mogelijk benadeeld, waarschuwen zij. Het kan op drie punten misgaan: bij de manier waarop de huidige pensioenaanspraken worden overgezet, bij de regels omtrent de solidariteitsreserve en in de overgangsperiode tussen nu en het transitiemoment.

Ten eerste: wat verandert er?

Dat de hoogte van de pensioenen onzeker wordt omdat die straks afhankelijk wordt van de beleggingsrendementen van het pensioenfonds, is al vaak verteld. Maar hoe werkt dat in de praktijk? Op dit moment zijn de pensioenpotten van de meeste pensioenfondsen onverdeeld. Werknemers en gepensioneerden hebben een individuele claim op de grote onverdeelde pot, maar niemand kan zeggen: dit stukje van de pot is gereserveerd voor mij.

Een 25-jarige moet maar hopen dat er op zijn 67- of 68ste nog genoeg geld in zit om zijn pensioen te betalen. Als de beleggingsrendementen de komende veertig jaar tegenvallen en er wordt al die tijd te veel uitgekeerd aan gepensioneerden, vinden jongeren later de hond in de pot.

Andersom kunnen fondsen uit voorzichtigheid de pensioenen ook te weinig verhogen. Dan worden 60-plussers benadeeld. Die potentiële verschuiving van honderden miljarden euro’s aan pensioenvermogen tussen generaties leidt al vijftien jaar tot felle discussies, waarbij elke generatie het gevoel heeft gepiepeld te worden.

In het nieuwe stelsel wordt dit probleem grotendeels opgelost door de pensioenpot virtueel in stukjes te verdelen. Alle fondsdeelnemers, werkend en gepensioneerd, krijgen op papier een eigen aandeel in het totale pensioenvermogen toegekend. Dat nieuwe aandeel heeft – in principe – dezelfde waarde als de pensioenrechten die de deelnemer onder het huidige stelsel heeft opgebouwd.

Ouderen, die al veel jaren premie hebben ingelegd, krijgen bij de start van het nieuwe stelsel dus meer vermogen toegewezen dan jonge werkenden. Vervolgens gaan al die individuele pensioenvermogens mee ademen met de beleggingsrendementen. Gaat het in een bepaald jaar goed met de beleggingen van het fonds, dan krijgen alle deelnemers het jaar daarop een stukje extra vermogen bijgeschreven: een pensioenverhoging. Gaat het slecht, dan krimpt ieders aandeel in het totale fondsvermogen: de (verwachte) pensioenen van alle deelnemers gaan dan omlaag.

Het grote voordeel van dit nieuwe systeem is dat mee- en tegenvallers niet meer eindeloos doorgeschoven kunnen worden, zegt hoogleraar risicomanagement Theo Kocken. Elk positief of negatief beleggingsrendement wordt meteen verrekend. ‘Als de pensioenuitkering van gepensioneerden niet omlaag gaat na tegenvallers, gaat dat straks ten koste van hun eigen pensioenvermogen. In het huidige stelsel konden ze in dat geval een sigaar uit de doos van jongere mensen pakken om hun eigen tekort aan te vullen. Straks is dat een sigaar uit hun eigen doos.’

Daar staat tegenover dat de uitkeringen van gepensioneerden bij goede beursrendementen voortaan veel sneller zullen stijgen. Het huidige systeem verplicht fondsen namelijk eerst hele grote reserves aan te leggen voordat de pensioenen mogen stijgen. Dat de pensioenen het afgelopen decennium niet geïndexeerd zijn, komt omdat de buffers te laag waren.

Bij fondsen met een dekkingsgraad onder de 100 procent zijn die reserves zelfs negatief. In het nieuwe stelsel hoeven fondsen beleggingsmeevallers niet meer te gebruiken om de buffers te vullen, maar mogen zij die direct aan de deelnemers uitdelen. Gepensioneerden krijgen dan meteen een hogere uitkering.

Beeld Philip Lindeman

Valkuil 1: de transitie
Het moet evenwichtig. Hoe? Dat is nergens vastgelegd

Bij de overgang naar het nieuwe pensioensysteem moeten alle bestaande pensioenaanspraken worden omgezet in individuele pensioenvermogens. Het totale Nederlandse pensioenvermogen van circa 1.500 miljard euro wordt per pensioenfonds op de overgangsdatum verdeeld onder alle deelnemers van dat fonds. Daarbij is het uitgangspunt, zo schrijft Koolmees aan de Tweede Kamer, dat dit op een evenwichtige manier gebeurt. Nergens is vastgelegd wat evenwichtig is. Hoe die vermogensverdeling precies moet plaatsvinden, is ook niet duidelijk voorgeschreven. Daar zijn in het Pensioenakkoord geen afspraken over gemaakt. De pensioenfondsen en de sociale partners krijgen veel vrijheid om die transitie naar eigen inzicht vorm te geven. Een wettelijk ‘transitiekader’ moet voorkomen dat fondsen vreemde aannamen doen om naar een gewenste uitkomst toe te rekenen, maar binnen die kaders lijken de fondsen veel beleidsruimte te krijgen.

Omdat werkgevers en vakbonden hierbij aan de knoppen zitten, kunnen zij de transitie in theorie aangrijpen om de 60-plussers uit de wind te houden ten koste van 60-minners.

Veel pensioenfondsen hebben onder de huidige regels grote tekorten. De dekkingsgraden van de grote pensioenfondsen staan op 85 tot 90 procent. Eigenlijk hadden de pensioenen (ook die van de werkenden) allang verlaagd moeten worden, maar telkens als dat dreigde te gebeuren paste de politiek de spelregels aan in het voordeel van gepensioneerden. Ouderen profiteren meer van het uitstellen van kortingen dan jongeren.

Vakbonden en pensioenfondsen hebben bij de transitie een stevige vinger in de pap. Het ligt voor de hand dat ze ook dan vooral oog zullen hebben voor de belangen van oudere werkenden en gepensioneerden. De documenten die Koolmees aan de Tweede Kamer heeft verstrekt wijzen daar ook op. De minister schrijft in zijn hoofdlijnennotitie dat de fondsen – binnen wettelijke kaders – de ene groep deelnemers bij de transitie mogen bevoordelen boven de andere, zolang ze maar kunnen uitleggen waarom dit volgens hen toch evenwichtig is. De Nederlandsche Bank moet die uitleg toetsen, maar het is onduidelijk met welke criteria dat gebeurt.

Een van de overwegingen waarmee fondsen een scheve vermogensverdeling kunnen rechtvaardigen is ‘een analyse van de verwachte pensioenen’. Ofwel: een inschatting van de verwachte pensioenontwikkeling voor jongeren. Als die inschatting heel gunstig is, kan dat een argument zijn om de ouderen bij de transitie wat extra te geven. Het toeval wil dat die inschattingen over het algemeen inderdaad rooskleurig zijn, stelt actuaris Wichert Hoekert van Willis Towers Watson. Te rooskleurig, misschien. Het voorgeschreven rekenmodel gaat namelijk uit van een flinke rentestijging in de komende decennia. ‘Wij vinden dat geen realistisch scenario’, zegt Hoekert. ‘Deelnemers krijgen een te optimistisch pensioenplaatje voorgeschoteld. Dat vergroot de kans op teleurstellingen.’

Een andere aanwijzing dat het belang van gepensioneerden hoge prioriteit had voor de pensioenonderhandelaars, is terug te vinden in de CPB-doorrekeningen. Daaruit blijkt dat de vakbonden en/of de pensioenfondsen een extra randvoorwaarde aan de transitie willen stellen: lopende pensioenuitkeringen mogen niet verlaagd worden. Dat is precies de randvoorwaarde die volgens Kocken en hoogleraar econometrie Bas Werker juist niet gesteld zou mogen worden, omdat die mogelijk oneerlijk uitpakt voor 60-minners.

Valkuil 2: de solidariteitsreserve
Is die reserve wel zo solidair als wordt voorgesteld?

Dan is er nog de solidariteitsreserve. Omdat de vakbonden in het nieuwe stelsel willen vasthouden aan risicodeling tussen generaties, wordt er alsnog een buffer aan het nieuwe systeem toegevoegd. Die buffer zou ‘pech- en geluksgeneraties’ moeten voorkomen. Dat veronderstelt dat die buffer een soort verzekering is tegen beleggingstegenvallers: zodra de pensioenen gekort moeten worden, kan er teruggegrepen op die solidariteitsbuffer om de kortingen te dempen of te voorkomen.

Maar uit de doorrekeningen van pensioenfondsen blijkt dat de solidariteitsreserve (in de kennelijke voorkeursvariant) een heel ander doel krijgt. Alle werkenden moeten jaarlijks maximaal 10 procent van hun pensioenpremie afdragen aan de solidariteitsreserve. Vervolgens wordt elk jaar 6 à 7 procent van die opgebouwde buffer direct uitgekeerd aan vooral oudere werkenden en gepensioneerden, ongeacht de beleggingsrendementen. In die vorm werkt de reserve als een permanente vermogenstransfer van 55-minners naar 55-plussers. De huidige gepensioneerden betalen dan niet mee aan de opbouw van die reserve, maar krijgen wel vanaf de start van het nieuwe stelsel jaarlijks extra pensioenvermogen toebedeeld. De huidige werkenden betalen de rekening, want hun pensioenpremie wordt structureel afgeroomd ten koste van hun eigen pensioenopbouw.

Zowel Theo Kocken als Bas Werker vindt dat de solidariteitsreserve in deze vorm niets toevoegt en de werkenden van 35 tot 55 jaar benadeelt. Dat is precies de groep die ook al getroffen wordt door het afschaffen van de doorsneesystematiek. De compensatie die zij zouden krijgen voor het verlies van die doorsneepremie moet komen uit het ‘overrendement’ dat de pensioenfondsen volgens de rekenmodellen in de toekomst gaan maken. Wichert Hoekert vraagt zich of fondsen zich zo niet rijk rekenen. ‘Als die overrendementen er niet komen, komt die doorsneepremie-compensatie voor de 35-55-jarigen er ook niet.’

Beeld Philip Lindeman

Valkuil 3: de overgangsperiode
Huidige tekorten moeten eerlijk worden verdeeld

Het derde losse eindje dat erg nadelig kan uitpakken voor 55-minners is de vraag wat er gaat gebeuren tussen nu en 2026, de uiterste datum waarop de pensioenfondsen moeten overstappen op het nieuwe systeem. Ook hierover is niets afgesproken in het pensioenakkoord. Koolmees hint er in zijn Kamerbrief op dat de fondsen op het moment van overgaan geen dekkingsgraad ver onder de 100 procent mogen hebben, maar dit is blijkbaar niet in beton gegoten. Als de beurzen en de renteontwikkeling de komende jaren niet meezitten, moeten de pensioenen voor de transitie eerst gekort worden. De inkt van het pensioenakkoord was nog niet droog of de ouderenorganisaties begonnen al te lobbyen om de verdeel- en kortingsregels die straks gelden in het nieuwe pensioensysteem nu alvast toe te passen.

Door soepeler rekenregels te hanteren zouden kortingen ook de komende jaren van de baan zijn en zouden de huidige pensioenuitkeringen zelfs alvast verhoogd kunnen worden. Ook de FNV en de pensioenfondsen zijn voorstander van een soepel overgangsregime. Maar als de regels al worden versoepeld voordat de pensioenpotten zijn opgedeeld, vindt er nog voor de transitie een enorme herverdeling van pensioenvermogen van jongeren naar ouderen plaats. Theo Kocken: ‘Die transitie gaat nog heel veel gezeik opleveren, dat blijkt nu al. De vakbonden hebben allerlei dingen beloofd aan de ouderen die niet waargemaakt kunnen worden als de dekkingsgraad niet sterk verbetert en die ouderen gaan vervolgens zeggen: ‘ja, maar deze uitkomst pikken we niet’. Ik zie de bui al hangen.’

Het is van cruciaal belang dat de bestaande pensioentekorten eerlijk over alle generaties worden verdeeld, zeggen onafhankelijke pensioenexperts. Dat betekent dat ook de uitkeringen van gepensioneerden voor of tijdens de omzetting naar het nieuwe pensioencontract verlaagd moeten worden. ‘Als je dat niet doet, geeft dat een enorme herverdeling van jong naar oud. Dan pak je in één keer 150 tot 200 miljard euro pensioenvermogen van de jongeren af en geef je dat aan de ouderen’, zegt Kocken.

Het verbaast hem dat het in het politieke debat en de media voornamelijk gaat over de doorsneepremie die in het nieuwe stelsel vervalt (dat is de premiesubsidie van 45-minners aan oudere werkenden). ‘Met dank aan de lage rente kost de compensatie daarvan nog maar 30 à 40 miljard. De lage dekkingsgraden zijn een veel groter probleem, maar daar hoor je niemand over.’

Bas Werker is het met Kocken eens: ‘Men moet bij de overgang niet als randvoorwaarde stellen dat al ingegane pensioenuitkeringen niet mogen dalen. De huidige tekorten zullen in het nieuwe stelsel niet als sneeuw voor de zon verdwijnen. Er zit na de transitie niet ineens meer geld in de pot.’

Maar het korten van gepensioneerden ligt politiek gevoelig. De vakbonden hebben de afgelopen jaren actiegevoerd met de leus ‘indexatie voor elke generatie’. Ze stelden hun achterban, die overwegend uit oudere werkenden en gepensioneerden bestaat, daarmee pensioenverhogingen in het vooruitzicht. Pensioenkortingen zijn onder druk van diezelfde bonden en de fondsbesturen keer op keer uitgesteld.

Dit pensioenakkoord verdient het voordeel van de twijfel

Het nieuwe pensioenstelsel is vooral een erkenning van de realiteit, schreef Raoul du Pré in het commentaar van 19 juni

En in deze analyse beschreef redacteur Gijs Herderscheê al eens dat niemand erop achteruit gaat bij de overgang naar het nieuwe pensioenregeling (als het goed is). 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden