Het is die wind

Bewoners van Essaouira hebben een eilandmentaliteit. Ze voelen zich Marokkaan, maar ook heel speciaal. De stad heeft de zegen van Allah....

Die nimmer aflatende alizee, die Essaouira het hele jaar verkoeling brengt terwijl het heuvelige achterland heet en lethargisch is.

Het is die wind die door de eeuwen heen de buitenlandse schepen vol veroveraars en vreemde beschavingen naar de Marokkaanse havenstad dreef, die in de jaren zestig en zeventig door de haren van de hippies woei, die de hoofden van schrijvers en artiesten leegmaakte, en die nu de surfers voortstuwt op de branding in de baai.

En achter die wind schuilt de magie.

Op het eerste gezicht is Essaouira vooral een fraai geconserveerd stadje aan de Atlantische Oceaan, met witte huizen met blauwe randen, ommuurd door beige stadswallen met vijf poorten. Een tastbare herinnering aan lang vervlogen tijden; in de medina, de ommuurde oude stad, komen geen auto's; bij de noordelijke poort, de Bab Doukkala, wachten paard-en-wagen-taxi's op passagiers. Er zijn geen discotheken, geen neonlichten, nauwelijks drank.

Het is ondoenlijk om de magie van Essaouira in een paar zinnen te vangen. Talloze schrijvers hebben dat geprobeerd. Die paar zinnen werden artikelen, boeken.

Want waar begin je? En waar leg je de nadruk? Bij de stad als smeltpunt van de Arabische en Berber cultuur? Veel te beperkt. Want hoe zit het dan met alle westerse excentriekelingen die hier al decennia verblijven? Die in zichzelf gekeerde Canadese schrijver die met niemand wil praten. Die eenzame archeoloog die iedere ochtend op hetzelfde terras op hetzelfde uur aan hetzelfde tafeltje zijn koffie drinkt. Die oude hippie die je steeds met een muziekinstrument ziet rondscharrelen.

Maar bijvoorbeeld ook die wonderlijke Belgische priester, Jean-Claude Gans, met zijn lange grijze baard. Net buiten de stadsmuren mag hij een katholieke kerk bestieren. Lange tijd kwamen er niet meer dan drie, vier man op zijn zondagsmis af, soms zelfs niemand. Nu zijn dat er meer, want Essaouira is de afgelopen jaren dankzij een tv-documentaire en glossy tijdschriften populair geworden, vooral bij welgestelde Fransen die een huisje in de medina kopen. En zij willen nog wel eens een mis van vadertje Gans bijwonen, want die Marokkanen met die jurken en baarden en die gesluierde vrouwen, dat vraagt om tegengas. En Gans is een bevlogen orator. 'Het grootste gevaar voor de islam', constateert de moderne kruisvaarder trots, 'is het christendom.'

Moet de nadruk dan liggen bij het verleden? Bij het tijdperk van vóór de Marokkaanse onafhankelijkheid, toen Essaouira nog Mogador heette en de meerderheid van de inwoners joods was? Daar is nu helemaal niks meer van over - op de drie joden na die zijn gebleven en de twee die zijn teruggekeerd en nu curiosa-winkeltjes beheren. De joodse wijk, de mellah, staat er nog wel, aan de noordkant van de stad. Nauwe, donkere, vochtige straatjes met krochten, poorten en nissen. Vervallen, middeleeuws. Nog geen veertig jaar geleden gingen hier synagoges achter de muren schuil, nu wonen er arme Berbers en Arabieren, die uit de omliggende heuvels naar Essaouira zijn gemigreerd.

Het woord mellah, legt de teruggekeerde jood Amran uit, betekent zout. Dat heeft te maken met de oude taak van de joden om de afgehakte hoofden van misdadigers op te zouten, waarna ze op de kantelen ten toon werden gesteld.

Maar de joden waren slechts een van de vele volkeren die bijdroegen aan de magie van Essaouira. De stad was een kruispunt van culturen. Honderden jaren vóór Christus zaten er al Puniërs. Na hen kwamen de Romeinen, die ten tijde van Caligula de 'Paarse eilanden' voor de kust omvormden tot het centrum van hun purperindustrie. De kleurstof werd gebruikt voor keizerlijke gewaden.

Daarna kwamen de Berbers, de Arabieren, de Portugezen, de joden, de Engelsen, de Fransen, en toen het Essaouira in de achttiende en negentiende eeuw economisch voor de wind ging ook de Nederlanders, getuige een bordje op een huis in de medina dat aangeeft dat hier ooit de vaderlandse consul kantoor hield. Essaouira was toen het eindpunt van de karavaanroutes uit de Afrikaanse binnenlanden.

Ook die zwarte invloeden zijn er nog. Het duidelijkst in de trancemuziek van de Gnawa, een mystieke zwarte moslimbroederschap. Soms zie je ze over straat lopen, van theehuis naar theehuis, nazaten van Sudanese slaven, kletterend met metalen castagnetten, vraag-en-antwoord-zingend, spelend op een eensnarige gitaar.

Maar teveel nadruk op al die elkaar kruisende en bevruchtende culturen zou weer afbreuk doen aan de bijzondere verschijning van de stad.

Voor wie met de bus uit Casablanca aankomt en zeven uur lang door naargeestige dorpen heeft gereden, bij iedere tussenstop belaagd door horden bedelaars die 'Allah, Allah' prevelend door de bus schuifelen, is Essaouira een oase. Wellustig ligt de stad te stralen tegen een achtergrond van hemel en oceaan.

Het is niet moeilijk voor te stellen waarom Orson Welles hier zijn film Othello heeft opgenomen. Of hoe Jimi Hendrix hier aan de inspiratie kwam voor zijn melancholieke Castles made of sand. Of waarom Essaouira de lievelingsstad werd van Leonard Cohen, Cat Stevens, Bob Geldof, madame Trudeau en talloze andere coryfeeën. In de jaren zestig en zeventig ontmoetten zij elkaar in Café Hippy, waar je volgens de overleveringen voor een habbekrats dope, een bed en een tof gesprek kreeg. De muren waren volgeschilderd met psychedelische dromen en nachtmerries. Nu is Café Hippy een keurig hotel, nadat de Marokkaanse autoriteiten midden jaren zeventig hun buik vol hadden van al die trippende westerlingen die de lokale jeugd op het verkeerde pad brachten.

De ondefinieerbare magie van Essaouira is het resultaat van het samenspel tussen klimaat, ligging en het schuren en wiegen der geschiedenis.

'Essaouira is een eiland', zegt de Deense galeriehouder Frederik Damgaard, die je een paar keer per dag met zijn twee piepkleine keffertjes door de medina ziet lopen. Damgaard raakte in 1969 in de ban van het stadje en vestigde zich er enkele jaren later om er een expositieruimte te openen waar hij de naïeve kunst van lokale kunstenaars tentoonstelt. Ze hebben een unieke stijl ontwikkeld, die naadloos aansluit bij de hippie-psychedelica en de hypnotiserende Gnawa-muziek.

'Een eiland', herhaalt Damgaard. 'Alleen al omdat je de grote weg af moet om er te komen. Maar ook omdat de mensen een eilandmentaliteit hebben. Ze voelen zich Marokkaan, maar ook heel speciaal. Essaouira heeft de baraka, de zegen van Allah. Er is een gevoel voor kunst, een gevoel voor het leven: doe rustig aan, praat met anderen, bekommer je om je ouders, om je buren.'

Een voorbeeld. 'Als je 's ochtends voor dag en dauw naar de haven gaat, zul je iets opmerkelijks zien. De vissersbootjes vertrekken dan. En als ze uitvaren, wachten ze op elkaar. Heel onopvallend. Ze doen bijvoorbeeld of de motor niet wil starten, maar ze wachten dan op de anderen. Op die manier kunnen ze elkaar in de gaten houden, mocht er iets misgaan op zee.'

Later die dag vat een oude inwoner het gemeenschapsgevoel waarop Damgaard doelt pakkend samen. 'Sommige mensen hier hebben werk, anderen niet', zegt hij. 'Maar 's avonds heeft iedereen te eten.'

Het is die zachtmoedigheid die opvalt. De 'chauffeur' van de paard-en-wagen-taxi hoeft geen geld voor het ritje van het busstation naar de stadspoort. Mensen herkennen je op straat en schudden je de hand. Zelfs de jongens die 's avonds op de terrassen drugs aanbieden, doen dat op aangename wijze. De stad ontbeert bovendien de opdringerige 'gidsen' en kooplui die in steden als Fez en Marrakech het leven van de toerist tot een hel maken.

In de medina heerst een weldadig ritme. Haast bestaat niet, wel een soort getijden. Vloed is het 's ochtends, wanneer het koel is en er zaken kunnen worden gedaan. Eb wordt het tegen het middaguur wanneer de warmte toeslaat en het goed toeven is bij de viskraampjes aan de haven, waar je twee gulden betaalt voor een lunch van geroosterde sardines. Daarna lokken het strand met zijn surfers en de boulevard met zijn terrasjes en sportveldjes. Aan het eind van de middag is het tijd om terug te slenteren naar de stad, voor de zonsondergang en de eeuwige aanval van de golven op de rotsen. Na het avondeten bieden de terrasjes op Place Moulay Hassan uitzicht op de flaneurs. Het lijkt inderdaad alsof Allah zijn eeuwige zegen aan Essaouira heeft gegeven.

Maar volgens sommigen is de magie aan het verdwijnen.

De Franse schilder Michel Vu kwam dertig jaar geleden voor inspiratie naar Essaouira. 'De mensen van hier zijn zacht, beleefd, verfijnd', mijmert hij. 'Hier kon je leven zonder dat iemand je lastig viel. Er konden zes maanden voorbij gaan zonder dat iemand aan je deur klopte. Wij zochten hier de top van onze dromen. Café Hippy was het culturele hart van de stad. Onvergetelijk.'

We zitten op lage banken met geborduurde kussens, drinken Cabernet Président en eten een tajine van schapenvlees en pruimen. Het geluid van een kletterend fonteintje op de binnenplaats vormt de soundtrack. 'We zijn nu bij de tweede fase van de buitenlandse invasie beland', vertelt Vue. 'Na de artiesten komt het volk nu uit St. Tropez. De prijzen zijn omhoog geschoten, er zijn allemaal toeristenboetieks bijgekomen. De magie verdwijnt. Je ziet steeds minder vrouwen met die typische gepunte sluier, de haik. Zelfs de Gnawa-muziek heeft niets meer te maken met vroeger, toen je drie Europeanen tussen vijfhonderd Marokkanen zag. De westerse moderniteit verandert alles. Er komt een eenheidscultuur, gedicteerd door de media en de mode. Er is criminaliteit en buitenlanders worden belazerd bij het kopen van huizen.'

We lopen naar de parkeerplaats buiten de stadspoort en nemen afscheid. Vu rijdt weg. Het is tegen elven. De wind maakt het te fris om nog op een terras te zitten. Het straatje naar het hotel lijkt verlaten. Plotseling stapt een jonge man uit een steeg. Dreigend eist hij vijf dirham. De hotelreceptionist hoort het en snelt naar buiten, de jongen verdwijnt spoorslags in de donkere steeg.

Misschien heeft Michel Vu gelijk. Misschien waait de wind, die nimmer aflatende alizee, wel uit de verkeerde richting.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.