Het huisje moet af

In Ghana helpen Nederlandse donateurs van de wereldwijde hulporganisatie Habitat for Humanity de lokale bevolking. Een week lang stuken, sjouwen en schilderen ‘Huil maar hoor, het is ook heftig.’..

Jan knielt voor de chief van Afamanso. Hij kijkt naar de grond en schudt handen met rechts. Zo heeft hij het geleerd, gisteren, tijdens de culturele briefing in het hotel. In Ghana geldt: buigen voor het opperhoofd, oogcontact vermijden, nóóit je linkerhand gebruiken, en je direct na aankomst voorstellen aan de dorpsgemeenschap. Margaret staat als eerst op: ‘Hi, I am Margaret and this is my husband Jan.’ Jan: ‘Hi, I am Jan. I am very happy hier te zijn. This is my wife Margaret.’ Gisteren, op Schiphol, was het nog even bijna misgegaan. De bagage was te zwaar: 30 kilo in plaats van 20. Wat er precies in de koffers zat, wist Jan niet. Margaret had gepakt. Jan kende alleen de inhoud van de oranje draagtas: zijn eigen hamer, troffels, meetlint en waterpas. ‘Kunnen ze daar wel gebruiken’, wist hij uit ervaring, want de trip naar Ghana is zijn derde reis met non-profitorganisatie Habitat for Humanity. In 2002 ging hij voor het eerst, naar de Filipijnen met collega-uitvoerders van een bouwbedrijf. Na aankomst belde Jan meteen Margaret: ‘Het is hier warm.’ Daarna hing hij op. Maar naarmate de week vorderde, werden de telefoongesprekken langer. Dan vertelde Jan over de huizen die ze bouwden, en over de lokale bouwvakkers. Dat ze hun klompen hadden gegeven en André Hazes, Jantje Smit en ‘de vogeltjesdans’ hadden geleerd. Maar het langst praatte Jan over de gezinnen die de huizen zouden gaan bewonen. Over hoe aardig ze waren, en hoe arm. Na thuiskomst was Jan vier maanden ‘helemaal van de wereld’. Vroeg Margaret om een nieuwe boekenkast, zei hij: ‘Wat moet je met een boekenkast? Dat geld kunnen ze op de Filipijnen veel beter gebruiken!’ Twee keer is hij teruggeweest. De eerste keer om een school te bouwen, de tweede keer voor een rondreis met Margaret. De foto’s vulden vier multomappen. Jan deed de stickertjes, Margaret plakte. Maar toen wilde Jan toch weer bouwen: ‘Iets maken, iets doen’. Hij checkte de website van Habitat, de eerstvolgende reis ging naar Ghana.

Wanneer Jan zich heeft voorgesteld, staat ook de rest van de groep een voor een op: negen mannen, negen vrouwen.

Hello, my name is Joke and I have one husband and three children.

My name is Ludwig, and I’m 18 years old. I am Piet, call me Kojo Pete. I’m Maarten. Marjolein. Jeroen. Hanneke. Hilco. Heleen. Karin. Wim. Love to be here. Thank you so much. Very nice. Very touched. So happy. De chief krijgt twee flessen jenever, zijn tolk zegt: ‘You can take pictures now.’

Haarlem, een week eerder, het kantoor van Habitat for Humanity Nederland. Directeur Lex van Iterson vertelt over zijn organisatie. Habitat for Humanity werd in 1976 opgericht in Amerika en bouwt sindsdien huizen in landen als Ghana, Roemenië en Guatemala. Het concept: Habitat for Humanity schenkt regionale vestigingen een projectbudget, de bouw wordt uitgevoerd door bewoners en bouwvakkers uit één dorp of gemeenschap. Om een huis te kopen, treffen ze een betalingsregeling. Habitat Nederland richt zich vooral op het werven van donateurs. Dat kunnen zowel particulieren als bedrijven zijn. En sinds 1998 kunnen die donateurs ook mee op Bouwreis: een week lang stuken, zagen en sjouwen, samen met de lokale bevolking. De Bouwreis Ghana kost 1.975 euro. ‘En da’s dus inclusief 600 euro donatie’, zegt Van Iterson. Aan de vergadertafel zit ook Lucas Stassen, verantwoordelijk voor de pr. Van Iterson: ‘Met de bouwreizen vergroten we onze naamsbekendheid. Die doen het goed in de media. Stassen: ‘Zo’n reis is wel iets voor een realitysoap.’ Van Iterson: ‘Maar dient ook om donateurs te trekken. Die willen zíén wat er met hun geld gebeurt, zelf een steentje bijdragen.’

Stassen: ‘Letterlijk dan, hè?’ Van Iterson: ‘Het is een emotioneel ding.’ Stassen: ‘Betrokkenheid, interesse, community.’ Van Iterson: ‘Deelnemers en bewoners... iedereen vindt het fantastisch.’

Op de bouwplaats, net iets buiten Afamanso, werken twintig Ghanezen aan negen Habitathuizen van 25 vierkante meter. Ze mixen cement met water uit de rivier en persen bakstenen van oranje zand. De bouwreizigers zitten in plastic kuipstoeltjes onder een tentdoek, voor ze staat lokale reisleider Jude. Hij legt uit hoe ze moeten stuken. ‘En als de Ghanese bouwvakkers grijnzen, betekent het niet dat ze jullie uitlachen. Ze zijn gewoon altijd blij.’ Jude lacht en is moe. Eergisteren is een groep Amerikaanse bouwreizigers vertrokken, en Amerikanen zijn exhausting. Ze geven dorpsbewoners schoenen cadeau, ook al weten ze dat dat niet mag. Het veroorzaakt jaloezie in de gemeenschap. En Amerikanen willen niet alleen bouwen, ze willen ook het land zien. De slave castles zijn favoriet: intact gelaten martelkamers waar de slaven vroeger aan kettingen lagen. Jude is geboren in een dorp bij Kumasi, zijn vader werkte voor het plaatselijke bestuur. ‘I was lucky’, zegt Jude, want hij kreeg vroeger elke dag rijst met bonen mee naar school. Veel klasgenootjes kregen niets, maar Jude had niet altijd zin om zijn eten te delen. Als ik groot ben, ga ik iets goeds doen, besloot hij toen. Nu begeleidt hij alweer anderhalf jaar bouwreizen. Nuttig, maar druk: ‘Ik betaal huur voor een huis waar ik nooit ben.’ Bovendien: Jude heeft net een nieuwe computer. Hij downloadt vooral Sean Kingtson, Timbaland en Justin Timberlake, al heeft hij zelden tijd om te luisteren. Jude zoekt een nieuwe baan: ‘Iets nuttigs, maar met vakantiedagen.’ ‘Kijk eerst maar wat rond nu’, zegt Jude tegen de groep. Ze maken foto’s. Van de vrouwen, de kippen, de bouwvakkers, de muurtjes in aanbouw, de hagedissen op de muurtjes in aanbouw en de struikjes waar die hagedissen in verdwijnen. Jude: ‘Doet iedere groep. Alles is nieuw voor ze, you know.’

Mooie mensen, hè? Ja, mooi, maar niet knap; sommigen zijn best dik. Sierlijk zijn ze, ook in hun houding. Dat is die Afrikaanse trots, hè? De mensen zijn zo puur hier, zo basic, het maakt ze niet uit wat je doet of draagt. Bikkels zijn het. En zijn hun vrouwtjes iets voor jou dan? Nou, ik moet zeggen, sommigen hebben wel iets.

Maarten duwt een kruiwagen. Hij is hier met zijn vier collega’s en de directeur van een consultancybureau. Het kantoor gaat wel vaker op reis, twee jaar terug nog naar Schotland. Daar kregen ze theaterworkshops van Gijs Scholten van Aschat en Pierre Bokma. Ghana is onderdeel van een nieuwe bedrijfsstrategie: méér mvo, ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’. Ja, de baas betaalt alles, en ja, Maarten was ook meegegaan als het niet voor het goede doel was, maar toch: ‘Dit is wel heel speciaal. Het helpt je even te relativeren, te beseffen hoe goed wij het eigenlijk hebben.’ En daarbij: ‘Je leert de lokale bevolking zo écht kennen.’ Net nog. Zei hij tegen een Ghanese bouwvakker: ‘Jullie zijn zo gastvrij, een voorbeeld voor de wereld.’ Zegt die Ghanees: ‘You are my friend now.’ ‘Helemaal goed, toch?’ Een uur later zit Maarten weer onder het tentdoek. ‘Toch wel killing dit.’

Ook Lodewijk zit. Hij voelt zich niet goed: misselijk. ‘Door dat veel te koude bier van gisteravond’, zegt zijn vader Wim. Volgend jaar begint Lodewijk aan een studie commerciële economie, nu heeft hij ‘even sabbatical’, vooral om de wereld te zien. Hij is net terug van drie maanden taalles op Malta, deze zomer gaat hij met zijn ouders en zus op cruise naar Alaska. De bouwreis was een idee van zijn vader, die het belangrijk vindt dat Lodewijk vrijwilligerswerk doet. ‘Ervaart hij ook eens hoe dat is.’ Eind vorig jaar waren ze met z’n tweeën naar Nieuw-Zeeland, ‘ecovolunteeren’ in de bush. Ze zetten vallen voor prairiewolven, ter bescherming van de bedreigde blauwe eend. Wim: ‘Het concept was goed.’ Over de bouwreis waren Wims vrienden sceptisch. ‘Blijft vast veel aan de strijkstok hangen’, zeiden ze. Dus heeft Wim Habitats jaarboeken opgevraagd, ‘en die waren prima’. Bovendien: toen hij nog fulltime advocaat was, maakte Wim al een bouwreis naar Costa Rica. Daar moesten ze elke dag een half uur bidden, ‘erg vervelend’. Verder was het een mooie ervaring. Na de lunch in het hotel voelt Lodewijk zich al iets beter, maar nog niet goed genoeg: ‘Ik blijf vanmiddag hier, beetje hangen bij het zwembad.’

‘Een twee drie vier vijf zes zeven, wie mag ik een kusje geven?’ Een groep kinderen heeft de bouwplaats ontdekt. De vrouwen vertellen hoe je zakdoekje legt. Ze spelen Jonas in de walvis en Jan Huigen in de ton. De kinderen spreken Twi in een van de vijf plaatselijk dialecten, maar op school leren ze Engels, waardoor ze kunnen zeggen: ‘Maak mijn foto en breng me morgen een afdruk. Geef me je schoenen, geef me je fles. Stuur me een mobiele telefoon, ik geef je m’n adres.’

Lief, hè? Ik wou dat ik er eentje kon adopteren. Stop ik ’m zo in m’n tas naar Nederland. Doe weg die waterfles! Je kunt het niet maken voor hun neus te drinken. Ze zijn zo dankbaar; blij met een ballon, blij met een pen, blij met niets. Ja, en nu komen bij mij dus de traantjes. Huil maar hoor, het ís ook heftig.

Laat ze maar lekker met die kinderen’, zegt Jan. ‘Lopen ze niet in de weg, kan ik gewoon doorwerken.’

’s Avonds, bij de rijst met vis, als de groep vraagt wat er is, antwoordt Jan: ‘Mij hoor je niet klagen. Alleen* we werken niet hard genoeg.’ Er zijn te veel mensen en te weinig gereedschappen. Het werk dat de bouwreizigers doen, kunnen de Ghanezen beter. En met z’n vijven één muur stuken, is niet efficiënt: ‘Het huisje moet af, en dat lukt zo niet.’

Lekker motiverend, Jan. Alle beetjes helpen toch? Ik voel me anders ook best nutteloos. Ga ik even zitten, neemt een Ghanees het meteen over. Moet je morgen even planken schilderen. Dan zie je meteen resultaat, voel je je meteen voldaan. We moeten ook nog even op gang komen. En het gaat er toch om dat we er zíjn?

‘Vroeger dacht ik weleens: die Afrikanen zijn gewoon niet bereid hard te werken’, zegt Maarten drie avonden later. Hij zet zijn glas bier neer: ‘Maar dat beeld heb ik nu niet meer, want op die werkplaats zijn ze allemaal keihard bezig.’ De reis heeft hem tot nu toe veranderd, zegt hij, ‘nu ik heb gezien hoe de mensen hier leven, met z’n tienen in zo’n huisje. Hoe gelukkig ze worden van zoiets onbenulligs als een ballpoint. Dat grijpt me aan, hoor. Ik bedoel, als ik volgende week weer in de auto naar m’n werk zit, denk ik echt nog wel even aan Afrika.’ Marjolein, Maartens collega, weet niet of ze dat nog wel wil straks: met de auto naar het werk. ‘De mensen hier kunnen mijn hulp veel beter gebruiken.’ Het liefst zou ze een weeshuis oprichten, voor kinderen uit Ghana. ‘Doen!’, vindt Maarten. ‘Echt, Marjolein, jouw toekomst ligt hier.’ ‘Ja. Maar dan zit ik wel met m’n vrienden en familie in Nederland.’ Dus eerst maar naar huis, vindt Marjolein, ‘even alles laten bezinken’.

Het afscheid van de chief is op Goede Vrijdag, Jan doet de speech. Hij heeft er drie uur aan gewerkt, met hulp van Margaret en Lodewijk. Geslapen heeft hij niet. ‘Wij als groep zijn heel blij dat wij hier zijn via Habitat for Humanity. Wij zijn dankbaar dat wij jullie hebben mogen helpen. Wij hebben met een gezellige groep een heel mooie week gehad. Wij hebben de Ghanezen leren kennen als mensen die vriendelijk lachen, staan voor hun werk en gaan voor kwaliteit.’ Jan veegt zijn wang droog, de nieuwe huiseigenaren krijgen hopjes, dropjes en een set Delfts blauw servies. Afgelopen week hebben de bouwreizigers vier dagen gebouwd. Ook bezochten ze een kerkdienst, voorzagen ze een plaatselijke school van barbies en pennen, en zongen ze de dorpsbewoners toe in het Nederlands: het Haarlemse Habitatkantoor had de teamleiders twintig songteksten van René Frogers Een eigen huis meegegeven. Uiteindelijk werd het toch Dikkertje Dap. ‘Al die uitjes hadden van mij niet gehoeven’, zegt Jan. Toch is hij voldaan. Oké, het was wel anders dan de Filipijnen. Daar waren de mensen armer, en spraakzamer. En ja, Jan vond het jammer dat hij niet mocht doorbouwen op Goede Vrijdag. Maar voor vrijdag heeft hij veel aan een fundering kunnen doen, en met twee Ghanese collega’s had hij ‘mooi contact’. Gisteren heeft hij ze een T-shirt gegeven – mocht niet van de teamleiders, ze zijn nog steeds een beetje boos – en bij het afscheid kwamen de Ghanese jongens zelf met cadeaus. Een sjaal voor Margaret en voor Jan slippers met gouden bollen op de tenen: ‘Dáár doe je het voor. Die mensen hebben niets, en dan dit. Word ik dus emotioneel van.’ Jan heeft de jongens, de shirts en de slippers allemaal op de foto. Thuis gaat hij ze uitprinten en opsturen naar Ghana, want dat heeft hij beloofd.

Lodewijk en Wim bekijken in het vliegtuig de evaluatieformulieren. Met de Habitat Bouwreis heb ik bijgedragen aan ontwikkelingshulp. Lodewijk twijfelt, maar vinkt het vakje mee eens aan. Hij heeft de laatste dagen flink door kunnen bouwen, ‘dus in elk geval wát bijgedragen.’ Zou u uw vrienden deze reis aanraden? Kruisje bij ja. ‘Je ziet wat van het land, praat met de bevolking, leert dingen die je op school niet leert.’ Ik zie de bouwreis als vakantie. Lodewijk kruist Mee eens aan, maar zijn vader vindt: oneens. ‘Vervelend dat we soms geen licht of water hadden, dat het schema telkens gewijzigd werd, en dat we zo vaak moesten wachten onder het motto ‘It’s Africa’’, schrijft Wim onder Suggesties. Bij Overige opmerkingen schrijft hij: ‘Het was een nuttige en blikverruimende ervaring.’ Het vliegtuig landt om vier uur ’s ochtends. Wim zegt: ‘Ik heb zin om te skiën.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden