Het Huis van Thorbecke staat op instorten

Het politieke bestel in Nederland lijkt de schok veroorzaakt door twee politieke moorden ondanks alles goed te hebben doorstaan. Schijn bedriegt hier, meent Maurice de Hond....

Bij het lezen van het boek In Europa van Geert Mak viel mij een bepaald patroon op: gebeurtenissen, die achteraf als historische momenten van de 20ste eeuw worden beschouwd, werden doorgaans op het moment dat ze plaatsvonden door tijdgenoten niet als zodanig herkend. Pas door datgene dat er in de jaren daarop gebeurde, kregen ze een prominente plaats in de geschiedenis. Die belangrijke gebeurtenissen kwamen, achteraf gezien, echter nooit zomaar uit de lucht vallen, maar pasten in een bredere ontwikkeling op sociaal, economisch of politiek terrein.

Hoe zal de achterkleinzoon van Geert Mak, als hij rond de volgende eeuwwisseling de eeuw van zijn vader beschrijft, het begin van die 21ste eeuw duiden? Welke betekenis hebben de huidige gebeurtenissen in het historische perspectief van het jaar 2100? Denk aan '11 september', de oorlog in Irak, of - op Nederlandse schaal - de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Welke ervan zullen vrijwel vergeten zijn en welke worden gezien als een historisch moment, wellicht zelfs een keerpunt in de geschiedenis?

Ik ben ervan overtuigd dat de opkomst en de dood van Fortuyn, evenals de moord op Van Gogh, in de toekomst geplaatst zullen worden in een bredere context: de crisis van het uit 1848 stammende democratisch systeem in Nederland. En het zou me niets verbazen als dat systeem binnen tien jaar ingrijpend verandert; goedschiks of - en die kans acht ik groter - kwaadschiks.

Vaak verloren machthebbers in het verleden abrupt de macht (en doorgaans ook hun leven) als het volk echt genoeg van ze had, maar de geschiedenis kent ook voorbeelden waarin machthebbers het systeem zo aanpasten dat ze een deel van die macht konden behouden. Een voorbeeld is de wijze waarop Nederland in 1848 een systeemverandering doormaakte.

In Parijs en Berlijn waren toen grote volksopstanden aan de gang. Koning Willem II was bevreesd dat die naar Nederland zouden overslaan en hij de macht zou verliezen. In maart 1848 gaf Willem II daarom aan een commissie onder leiding van de liberaal Thorbecke de opdracht te komen tot voorstellen om de staatsinrichting aan te passen. Drie weken later was het rapport klaar - dat overigens vrijwel identiek was aan een eerder voorstel van Thorbecke en een aantal van zijn companen - en nog in hetzelfde jaar werden de voorstellen met kleine wijzigingen ingevoerd.

Het nieuwe systeem droeg echter nog veel kenmerken van de oude tijd. Het kiesrecht werd alleen verleend aan mannen die voldeden aan eisen van opleiding en inkomen (slechts 15 procent van de Nederlandse mannen van 27 jaar en ouder vielen onder die definitie). En degenen die gekozen konden worden, moesten aan nog zwaardere eisen voldoen.

Geleidelijk zijn deze criteria verruimd en in 1918 is uiteindelijk (met dank aan de Russische Revolutie van 1917) het algemeen kiesrecht ingevoerd. Sindsdien is het systeem in Nederland niet fundamenteel meer gewijzigd.

Het is interessant ons 150 jaar oude systeem eens tegen het licht te houden. Werkt het nog steeds goed en is het zo flexibel dat ingrijpende veranderingen niet nodig zijn? Sluit het nog wel aan op de ontwikkelingen van de 21ste eeuw? Steeds meer kom ik tot de conclusie dat het antwoord negatief is. En dat veel van de problemen die zich in de Nederlandse samenleving afspelen, direct of indirect het gevolg zijn van het steeds sterker uit elkaar lopen van ons politieke bestel en bestuurssysteem en de eisen die de samenleving er anno 2005 aan stelt.

Ik zie veel verschijnselen die dat al geruime tijd indiceren: plaatselijke partijen die bij verkiezingen meteen de grootste worden (denk aan Utrecht, Hilversum in het midden van de jaren negentig, en Rotterdam in 2002); een nieuwe partij, de LPF, die in 2002 direct de tweede van het land werd; en het gebrek aan vertrouwen in de huidige regering, de politiek en haar leiders, zoals uit peilingen blijkt.

Wat werden de machthebbers (en daar reken ik de media ook toe) verrast door de slechte uitslagen voor de drie regeringspartijen PvdA, VVD en D66 in 2002, terwijl men toch dacht dat Paars het goed had gedaan. Ze zagen niet de veenbrand die al een tijd woedde en velen meenden (of hoopten?) dat de situatie na de verkiezingen van 2003 weer was genormaliseerd. Maar recent onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat meer dan de helft van het electoraat het zich kan voorstellen bij de volgende verkiezingen op een nieuwe partij te zullen stemmen.

Waarom voldoet het systeem niet meer? Ik ben oud genoeg om me de jaren vijftig nog te herinneren; de periode van de verzuiling. Het overgrote deel van de bevolking was relatief laag opgeleid. Televisie bestond niet of amper. Politieke leiders kende men vrijwel alleen via de krant of de radio. Hun opvattingen en die van hun kiezers waren doorgaans in lijn met elkaar, niet in de laatste plaats omdat leiderschap inhield dat de opvatting van de aanvoerder automatisch die van de leden van de betreffende zuil werd.

Een systeem waarin de politicus een mandaat kreeg van vier jaar en in die periode kon doen wat hij vond dat moest gebeuren. De katholiek was lid van de KRO, las een katholieke krant, stemde KVP en steunde Romme. Op dezelfde manier werd Drees gesteund door de socialisten, die Het Vrije Volk lazen en lid waren van VARA en vakbond. Verschuivingen tussen partijen bij verkiezingen bleven klein.

Sinds het begin van de jaren zestig is dit patroon doorbroken. De generatie die na de oorlog opgroeide, was gemiddeld veel hoger opgeleid. Maar ook raakte de bevolking, door de opkomst van de media, met name de televisie, steeds beter geïnformeerd en konden de politiek en politici plotseling van dichtbij worden gevolgd.

Terwijl een groot deel van de vooroorlogse generatie nog tamelijk trouw bleef aan de oude zuilen, was dat bij de naoorlogse generatie niet het geval. Haar vertegenwoordigers vormden door de jaren heen een steeds groter deel van het electoraat en daarom zien we door de jaren heen de verschuivingen bij verkiezingen steeds groter worden. In 1977 werd het eerste record gevestigd met een verschuiving van 10 zetels (ten gunste van de PvdA), in 1994 werd dat 20 zetels (voor het CDA) en in 2002 was dat al 26 zetels (voor de LPF). In Rotterdam behaalde de nieuwe lijst Leefbaar Rotterdam in 2002 in één klap bijna 35 procent van de stemmen.

Het electoraat van 2005 is daardoor totaal anders dan het electoraat van vijftig jaar daarvoor. Beduidend hoger opgeleid en met veel meer informatiebronnen tot haar beschikking. Geen automatisch en blind vertrouwen in de leider van een partij. De huidige kiezer is ook veel minder eendimensionaal in zijn overtuigingen. Hij kan tegelijkertijd De Telegraaf lezen, lid zijn van de KRO en SP stemmen. Een willekeurige kiezer kan inzake het ene onderwerp een standpunt innemen dat overeenkomt met dat van GroenLinks en in een andere kwestie het standpunt van de VVD.

Het politieke systeem is echter nog wel identiek aan dat van vijftig jaar geleden. Kiezers stemmen eens in de vier jaar op een partij. En dat wordt door de politici van de partijen als een mandaat gezien om vier jaar lang vrijwel autonoom keuzes te maken. Hoe weinig het oordeel van de kiezer in de tussentijd een rol speelt, werd me weer duidelijk toen ik bij lezingen voor diverse fracties in de Tweede Kamer vroeg of zij bij belangrijke onderwerpen wel eens gebruikmaken van opinieonderzoek onder de eigen kiezers. Dat bleek niet of vrijwel nooit voor te komen. Los van het feit dat men er geen budget voor zei te hebben, leek men het vooral lastig te vinden ook daar nog rekening mee te moeten houden.

Hiermee zijn we bij de oorzaak van de kloof tussen de politiek en burger gekomen. De burger is geëvolueerd, maar hij wordt nog behandeld als de kiezer uit de verzuilde samenleving van voor de Tweede Wereldoorlog. Dat wordt bijvoorbeeld ook pijnlijk duidelijk in het debat over vormen van directe invloed van de burger op het politieke proces, zoals het kiezen van de burgemeester, van de minister-president of het houden van een correctief referendum.

Met alle macht wordt beargumenteerd dat burgers deze keuzes niet kunnen worden toevertrouwd. 'Op die manier wordt de doodstraf weer ingevoerd'; 'dan wordt Frans Bauer de minister-president'; 'zij kunnen niet de juiste afweging maken in complexe zaken'. Als ik de mensen hoor die dat zeggen, dan heb ik het gevoel dat zij een beeld schetsen waarbij meer dan 50 procent van de Nederlanders uit Tokkies bestaat.

In feite drukken ze daarmee uit dat ze geen vertrouwen hebben in de burgers. En dat is nu precies de essentie van het probleem. Want wie geen vertrouwen geeft, krijgt ook geen vertrouwen! Ons hele bestuurssysteem is doortrokken van de mentaliteit 'gebrek aan vertrouwen'. Ook de wijze waarop het openbaar bestuur en de publieke diensten zijn geregeld, getuigt van deze mentaliteit.

Lagere organen of de mensen op de werkvloer kan niet meer worden toevertrouwd dan het uitvoeren van wat men aan de top beslist. Het ministerie van Onderwijs bijvoorbeeld vertrouwt in feite de scholen en de leraren niet. Daarom wordt in detail aangegeven wat de leerlingen per schooljaar en per schooltype dienen te leren en wordt via vrijwel dagelijkse circulaires aangegeven wat men verder nog verwacht. We zijn in de laatste vijftig jaar op allerlei terreinen overvoerd met wetten en regels (soms ook onderling tegenstrijdig) en een steeds uitdijend aantal ambtenaren om die regels te bedenken of de uitvoering ervan te controleren.

Er is hier sprake van een paradox: terwijl de burger steeds beter is toegerust om zelf verantwoordelijkheid te dragen, wordt er juist steeds meer verantwoordelijkheid bij hem weggehaald. En die kloof wordt alleen maar breder als de burger ziet hoe ineffectief de overheid is. Wat voor indruk moet de burger van de politiek krijgen als hij een beetje het parlementaire onderzoek heeft gevolgd naar grote investeringen in de infrastructuur, zoals de Betuwelijn?

Het is fascinerend politici met regelmaat te horen zeggen dat de burgers hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, terwijl ze een systeem in stand houden dat de burger op geen enkele wijze verantwoordelijkheid toevertrouwt bij belangrijke besluitvorming op landelijk, regionaal, gemeentelijk of buurtniveau. Hetzelfde geldt voor centraal bestuurde terreinen als onderwijs, gezondheidszorg, misdaadbestrijding, openbaar vervoer en bejaardenzorg.

En als er voorstellen komen voor het geven van meer verantwoordelijkheid aan burgers, zoals het raadgevend referendum en het kiezen van de burgemeester, dan wordt er eindeloos gediscussieerd. Voorstellen worden afgezwakt en niet zelden afgestemd. Het patroon is bekend: machthebbers doen niet makkelijk afstand van hun macht.

Veel politici en opiniemakers stralen uit dat dit gebrek aan vertrouwen in de politiek een tijdelijk verschijnsel is, dat samenhangt met bepaalde personen of bepaalde trends en dat dit vertrouwen kan worden teruggewonnen door wat meer 'naar de mensen te luisteren' of de doelstellingen 'beter uit te leggen'. Ik denk echter dat sprake is van een structureel probleem met grote risico's voor de democratie. Dit structurele probleem vraagt om structurele oplossingen.

Die komen er alleen als de verantwoordelijken in politiek en media de omvang en de ernst van de problematiek beseffen. En dat zij consensus bereiken ten aanzien van de maatregelen die op korte termijn genomen moeten worden. Daarbij gaat het niet alleen om maatregelen als het al dan niet invoeren van een referendum of het kiezen van de burgemeester en de minister-president, maar om een totale vernieuwing van het politieke bestel en de bestuursstructuur, een vernieuwing die wel uitgaat van vertrouwen in de burger. Door die burger echt te betrekken bij belangrijke beslissingen en de uitvoering van (semi)publieke taken. Alleen dan zal de burger zich ook medeverantwoordelijk gaan voelen voor, en zich aangesproken voelen op, de besluiten die de overheid neemt.

De geschiedenis leert ons dat als machthebbers deze veranderingen niet vrijwillig aanbrengen, externe omstandigheden (denk bijvoorbeeld aan een grote terroristische aanslag) er de oorzaak van kunnen zijn dat veranderingen door het volk worden afgedwongen. Maar dan kan het proces veel ongecontroleerder verlopen, met alle risico's van dien. Goedschiks of kwaadschiks, de komende tien jaar zullen zich meer veranderingen voltrekken dan in de afgelopen 150 jaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden