Het hogere Pim-effect

De biograaf dreigt soms de plaatsvervanger op aarde van zijn hoofdfiguur te worden...

Op gezag van zijn kennis, die zo groot kan zijn dat hij ook in diens geest en naar diens bedoelingen meent te kunnen handelen, een soort Pim-effect. Of die vrijheid van vereenzelviging ook tot die vrijheid van handelen mag leiden, is een vraag. L Hanssen is de geprezen en geprijsde biograaf van Menno ter Braak. Het tweedelige werk leek mij geschreven in de geest van Ter Braak, juist vanwege het duidelijke karakter van de geestesgeschiedenis die het heeft. Een geestesgeschiedenis overigens zonder veel zekerheden; die worden eerder gezocht in het proces van het schrijven, dat een poging tot verheldering is. Geestesgeschiedenis is ook altijd tijdsgeschiedenis. In de combinatie van beide was Ter Braak een meester, en is Hanssen diens volgeling.

In 1933 werd Ter Braak verlost uit het leraarschap. Hij werd redacteur van het Haagse dagblad Het Vaderland. Daarin zou hij, tot zijn dood in mei 1940, wekelijks een literaire kroniek schrijven. Gedwongen tot openheid naar een publiek werd de enigszins over zichzelf gebogen essayist en academicus de beste dagbladcriticus die Nederland heeft gekend. En zo werden de delen vijf, zes en zeven van zijn Verzameld werk daarin werden de kronieken bijeengebracht naar mijn inzicht de belangrijkste van het geheel.

In 1938 bracht Ter Braak een aantal omgewerkte en samengevoegde kritieken en beschouwingen bijeen om verantwoording af te leggen tegenover het verleden. De jaren dertig zijn het decennium van het onvermoeid rekenschap geven. In gesprek met de vorigen ging de bundel heten. Het werd de erflater van zijn beschaving. Het boek kende een groot succes. (Het in 1946 verschenen In gesprek met de onzen is niet door hem samengesteld.) De tijdgenoten, onder wie de vrienden Du Perron en Vestdijk, zagen het uiteraard: Ter Braak portretteerde ook zichzelf. Het kon niet anders: elke ontmoeting is een confrontatie, die de dubbelgestalte die elke grote essayist is, op scherp zet. In gesprek met de vorigen is ook 'in gesprek met mijzelf'. De stijl verraadt die dialoog, iets zwaarder en gewichtiger dan het geval is bij die andere grote essayist, Vestdijk.

Gelukkig voor zijn schrijverschap heeft Ter Braak de dubbelzinnigheid in zichzelf, ook een vorm van tweespalt, nooit kunnen opheffen: de burger in hem (met al die zorgvuldig uitgeoefende plichten) en de grote scepticus, de academicus en de kunstenaar, de precieze geleerde en de bewonderde, slordige, normen verachtende schrijver die hij in zich moet hebben gekoesterd, blijven bij hem met elkaar in gesprek en conflict, en dat maakt zijn werk zeer spannend. De lezer krijgt daardoor ook alle gelegenheid tot meedenken.

De 'vorigen' kwamen uit heel Europa en dat was, als men wil, principieel: de engheid van de Nederlandse beschaving in die engheid juist burgerlijk in de slechte zin heeft Ter Braak altijd benauwd, hoe Hollands hij ook is, zoals zijn meesterlijke stuk over Saenredam, opgenomen in In gesprek met de vorigen, bewijst. Europees zijn was ook het streven van het mede door hem geleide tijdschrift Forum: wie het eigene als norm neemt, verdroogt tot zichzelf. Zijn dagbladkronieken heeft hij ook niet beperkt tot besprekingen van Nederlandse letterkunde. Terecht.

In de geest van In gesprek met de vorigen heeft Hanssen nu een nieuw boek gemaakt. Het heet eenvoudig Canon en het heeft als ondertitel Nederlandse cultuur in veertig portretten. Bijeengebracht zijn dus stukken die Ter Braak nooit bij elkaar heeft gezien. Die verzameling van Hanssen wordt gecanoniseerd naar Ter Braak toe.

Ziehier zijn canon.

De eerste vraag is of de vloeiende geest van Ter Braak het wat verstarde en verstarrende begrip 'canon' een wat stenige academische aangelegenheid zou hebben erkend. De tweede is niet minder dringend: wie zegt dat Ter Braak deze schrijvers, van Reinaert de Vos tot Vasalis, tot zijn canon zou hebben willen rekenen (als hij die erkende)? De derde: mag men een dergelijk boek op naam van Ter Braak zetten?

Maar de vragen worden nog talrijker en maken de laatste nog dringender. Een aantal van de stukken komt uit In gesprek met de vorigen; andere zijn elders in de gegeven vorm door Ter Braak gepubliceerd. Maar Hanssen gaat verder: hij heeft uit enkele losse stukken nieuwe gehelen gemaakt. Hij heeft samengevoegd wat los van elkaar stond. (Ter Braak zelf mocht samenvoegen wat hij wilde, natuurlijk; het was zijn werk.) Daarbij heeft Hanssen, naar eigen zeggen, de tekst soms aangepast en misschien het ergste verwijzingen naar de jaren dertig, als voor de huidige lezer wat verwarrend, verwijderd. Alsof de eventuele eeuwigheid van een auteur niet in zijn tijd ligt, ook voor de lezer van veel later.

Wat Hanssen gedaan heeft acht ik onverantwoord; het is alleen uit de vereenzelvigingsrol verklaarbaar. Hanssen heeft de stukken nieuwe titels gegeven, en achter de naam van de auteur vermeldt hij diens jaartallen, wat komisch aandoet, aangezien Ter Braak de 'jongeren' alleen in een deel van hun werk en leven heeft gekend. De hele warboel laat zich het best omschrijven met de beginzinnen van de derde paragraaf van Hanssens 'Nawoord':

'Uit de stukken die Ter Braak in de loop van de jaren over Nederlandse cultuurdragers heeft vervaardigd, is hier een keuze van veertig portretten gemaakt. Bij de samenstelling heeft het kwaliteitscriterium van Ter Braak zelf vooropgestaan, maar heeft ook de vraag meegespeeld wat wij tegenwoordig als kenmerkende figuren van de Nederlandse cultuur beschouwen.'

Wie het begrijpt, mag het uitleggen.

Er staan natuurlijk schitterende stukken in de bundel, heel mooie karakteristieken ook. Tot het beste reken ik het stuk over Huygens en de rechtlijnigheid tuin en poe verhelderen zich uitstekend aan elkaar , de stukken over Multatuli, natuurlijk, de meest voorbeeldige dwarsligger uit Ter Braaks leven, een superieur stuk over de poe, met name de nagelaten gedichten van DMouw (die de poe de sierlijkheid en hoogheid ontnam, en voor Ter Braak de meester van de gewone taal werd), de stukken over Gorter en Verwey (uitnemend, het tweede), Hendrik de Vries, Slauerhoff vooral (wat een bevrijdend begin: 'Mijn dankbaarheid jegens de poe in het algemeen is niet zeer groot. Dat ligt minder aan de poe dan aan de woordzwendel, waarmee men haar placht en pleegt te omgeven').

De stukken over Du Perron en Vestdijk acht ik minder; er moeten betere te vinden zijn geweest. Dat over Van Duinkerken daar is ineens een rooms rotsblok tussen de ideale gestalten van de zwerfstenen is niet meer dan een doorgaande, wat eentonige uiting van verwondering (die ook iets met bewondering te maken heeft).

In vergelijking met dat van Du Perron, die een veel directere en daardoor ook levendiger schrijver was, is het proza van Ter Braak soms zwaar, wat hiervan het gevolg kan zijn: hij moet het meer hebben van de redeneringen dan van de formuleringen. Het aforistische eindpunt is hem vreemd. Je onthoudt weinig zinnen eruit (een heel mooie bij Van Deyssel over de wind die in dat leven is gaan liggen). Dat bij zoveel tweespalt de paradox vaak zegeviert, kan duidelijk zijn. Dat de triomf over de omkering vaak te lezen is, eveneens.

Ter Braak zou laat ik ook even doen alsof dit boek oneervol eerbaar hebben genoemd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden