'Het hele sociale lichaam is ziek'

Het Franse onderwijs moest flink worden opgeschud, vond Claude Allègre. Hij verkeek zich op de conservatieve krachten. Docenten, vakbonden en ambtenaren liepen tegen hem te hoop....

Martin Sommer

CLAUDE AlLÈGRE (63) zit met opgerolde hemdsmouwen en uitgezakte stropdas achter zijn bureau. Een half jaar terug was hij nog minister van Onderwijs, met alle in Frankrijk daarbij behorende egards. Politiemotoren escorteerden zijn gangen, rijen gendarmes stonden in de aanslag. Geen uitstapje of een witgehandschoende prefect volgde hem op de voet. Nu is hij weer gewoon hoogleraar geologie aan de universiteit van Jussieu, een afstotelijk complex in Parijs, dat zijn roep dankt aan het feit dat er nog voor ruim tien jaar asbest te verwijderen valt.

Een tamelijk ongebruikelijke terugkeer voor een Franse hoogwaardigheidsbekleder. Allègre wás al ongebruikelijk. Lionel Jospin vroeg zijn oude makker uit de Parti Socialiste in 1997 minister van Onderwijs te worden. Anders dan premier Jospin en de meeste collega-ministers was Allègre geen partijtijger. Evenmin was hij afkomstig uit de rangen van de elitefabriek École Nationale d'Administration. Allègre had zijn sporen in de wetenschap verdiend. Hij hoefde niet zo nodig.

Desondanks schreef hij wel een bittere afrekening. Dat was nadat in maart 'Lionel' in 'Jospin' was veranderd en zijn vriend de wacht had aangezegd. Tegen achthonderdduizend stakende leraren en tweehonderdduizend betogers was Allègres ministerschap niet bestand. Temeer niet, omdat Jospin moet denken aan de campagne voor de presidentsverkiezingen over ruim een jaar. Ook in Frankrijk stemt het onderwijs per traditie links, zodat de potentiële presidentskandidaat Jospin niet te ver kon wegdrijven.

Waar ging het voor Allègre mis? 'Niet bij het basisonderwijs', legt hij uit. 'Daar is de laatste vijftig jaar grosso modo niet zoveel veranderd. Kinderen leren lezen, schrijven, rekenen. En dat blijft zo.' Anders gezegd, de minister hield zijn hervormingsdrift in toom. Hetzelfde gold voor de universiteit. Daar heeft zich, zegt hij, weliswaar een enorme schaalvergroting voorgedaan - in Frankrijk in veertig jaar van honderdduizend naar twee miljoen studenten. 'Maar een echt kwaliteitsprobleem hebben we niet. Na 1968 heeft de universiteit de ramen opengegooid. Er kwam werkgroeponderwijs, en ook in de provincie zijn er enorm veel universiteiten bijgekomen.'

De steen des aanstoots was het secundair onderwijs. 'Grote, enorme problemen', zegt Allègre. 'Diepgaande malaise. Het hele sociale lichaam is ziek. Alle bakens kwijt.' En hij schetst nog eens de fatale combinatie van factoren, die hem de kop heeft gekost.

Het begon met z'n ongepaste openhartigheid in het algemeen - zijn boek heet Toute vérité est bonne à dire ('Elke waarheid verdient het te worden gezegd'). Allègre was nog geen maand minister of hij liet zich ontvallen dat zijn eigen departement 'een mammoet' was, die nodig moest 'vermageren'. 'Ik had eigenlijk dinosaurus moeten zeggen. Daar lijkt het departement meer op, de enormiteit en de onbeweeglijkheid van het systeem.'

Ook de Franse pendant van Zoetermeer produceert circulaires aan de lopende band. 'Soms dertig per maand.' In een adembenemende ambtenarentaal die Allègre naar De Gaulle 'Volapük' noemt. 'Een bal heet daar een cirkelvormig referentieel.' Al vlot had de minister zijn eigen ambtenaren tegen zich in het harnas gejaagd.

De echte krachtmeting was die met de vakbond SNES. 'Hét probleem is het secundair onderwijs. In veertig jaar is dat gegroeid van driehonderdduizend naar drie miljoen leerlingen. Destijds waren er evenveel leerlingen als nu leraren.' Grosso modo kent Frankrijk dezelfde problemen als Nederland en de rest van West-Europa: een explosieve groei van het onderwijs, steeds moeilijker te hanteren leerlingen, een vermoeid lerarenkorps met onderwaarderingsverschijnselen.

De uitwerking van een en ander is in Frankrijk echter radicaal anders dan die in Nederland. Terwijl men in Nederland langzaamaan terugkeert naar het inzicht dat er op school ook nog geleerd moet worden, vocht Allègre voor het omgekeerde. Erkenning van het feit dat niet alle kinderen intellectueel over één kam kunnen worden geschoren.

Frankrijk kent een zogenoemde 'horizontale' middelbare school, die in Nederland door onderwijskundigen nog weleens wordt bejubeld. Alle kinderen van de lagere school stromen door naar het collège. Zonder toets of toelatingsexamen. Dat klinkt mooi. 'Maar wel met als gevolg dat er 10 tot 15 procent op het collège niet kan lezen of schrijven. Iedereen naar het secundaire onderwijs, dat is een uiteengespatte wereld.'

'De wil om te democratiseren heeft de kwaliteitseisen verdonkeremaand', zegt Allègre. Inderdaad, erkent hij, het niveau van het middelbare-schooldiploma is gedaald. 'Maar dat is niet míjn schuld. Tegenwoordig zijn er minder twaalfjarigen die niet kunnen lezen dan in 1960. Dat is waar. Het ongeluk is dat ze tegenwoordig doorstromen.'

Baccalauréat heet het middelbare-schooldiploma, kortweg bac. Het lijkt reuze egalitair dat 80 procent van de Franse kinderen het bac haalt. Maar die gelijkheid is in hoge mate schijn. Want het bac is uitgesplitst in een 'algemeen', 'technologisch' en 'professioneel' diploma. En binnen die drie typen zijn er nog eens drie richtingen. Ook de kwaliteit van de scholen verschilt enorm. In de statistieken zie je die verschillen niet terug, maar iedereen weet van welke school je wel en van welke je vooral niet moet komen.

Allègre: 'Mijn doel was het terugbrengen van de republikeinse gelijkheid. De paradox in Frankrijk luidt: het middelbaar onderwijs wordt democratischer, maar tegelijk steeds minder egalitair. Want het aantal arbeiderskinderen dat vervolgens naar de grandes écoles gaat, de ENA en de Polytechnique, neemt alleen maar af.'

Hij produceert cijfers. Twintig jaar geleden was 29 procent van de studenten aan de ENA van arbeiderskomaf. Nu is dat nog maar 9 procent. 'De praktijk van het huidige systeem is uitsluiting, want door die zogenaamde gelijkheid krijgen kinderen die dat nodig hebben, geen speciale opvang.'

Allègres pogingen tot aanpassing liepen stuk op de SNES, de dominante vakbond van communistische oorsprong. Op zijn eigen openhartigheid eerst, misschien. Hij schrijft in zijn boek dat het niet toevallig is dat de onderwijzende klasse wel tevreden is met de stand van zaken: de meeste studenten aan de grandes écoles worden aangeleverd door leraren-ouders.

Hij ging tekeer tegen het absenteïsme onder de leraren, tegen het feit dat het bij de 'verworven rechten' hoort dat leraren en onderwijzers nooit schoolwerk mee naar huis nemen. Tegen het feit dat alle cursussen en extra stages onder schooltijd moeten plaatsvinden, terwijl het Franse schoolpersoneel vier maanden per jaar vakantie heeft. Het maakte hem in de onderwijswereld een geliefd haatobject.

En Allègre wilde hervormen. 'Regeren is hervormen.' De SNES wilde van niets weten. 'De SNES wil alleen maar meer personeel. Altijd meer personeel. Iets anders kunnen ze niet bedenken. Voor de rest moet alles blijven zoals het is. Een goede minister is een minister die niets doet. Toen we net begonnen, vroeg mijn collega-minister Ségolène Royal eens aan de SNES-voorzitster Monique Vuaillat waar ze haar kon bereiken. Ze gaf een nummer, en Ségolène riep uit: maar dat is een nummer van het ministerie! De vakbondsleiding bepaalde simpelweg het beleid op het departement.'

Allègre nam een bekend pedagoog in de arm, Philippe Meirieu, die een charter voor de school van de eenentwintigste eeuw ontwierp. Meirieu zocht zijn heil in onderwijsmethoden die in Nederland allang gemeengoed zijn, als Freinet of Montessori. Decentralisatie van de organisatie was het parool, dichter bij de leerling staan. De school moest aan het kind worden aangepast. Er moest hulp bij het leren komen, meer aandacht voor vreemde talen, voor nieuwe technologie.

'Wat mij door de vakbond nog het meest is kwalijk genomen, is dat ik het kind centraal wilde stellen. In het Franse onderwijs heeft het kind nog nooit centraal gestaan, altijd de docent. Dat gaat terug op de Sorbonne in de twaalfde eeuw.' Hij bladert in een tweede boek dat hij vorige maand samen met zijn dochter - lerares - publiceerde (Vive l'école libre). 'Hier, Condorcet schreef nota bene in 1790 deze formidabele zin: 'Men moet zich verzetten tegen georganiseerde schoolmeesters.' '

Merkwaardig dat juist in het onderwijs in zoveel landen zo'n vakbonds probleem bestaat, peinst Allègre. En hij telt de buitenlandse collega's op zijn vingers af die sneuvelden op de bonden. In België Busquin, in Italië Berlinguer. In Groot-Brittannië, Mexico en zelfs in China is het volgens Allègre allemaal eenzelfde laken een vakbondspak. 'Je zou van het fenomeen eens een psycho-sociologische studie moeten maken.'

De SNES stak volgens Allègre tien miljoen gulden in de publiciteit tegen Allègre. Niets mocht er gebeuren, tenzij overal gelijk. Dus extra leerkrachten voor de voorstad Saint Denis, betekende óók extra leerkrachten voor de rijkste gemeente van Frankrijk, Neuilly. 'Nee! Moeilijke wijken moeten meer geld hebben. Maar de SNES is de meest reactionaire vakbond die we hebben, die hebben nog een sovjetmentaliteit.'

'Toen ontstond een merkwaardig bondgenootschap van de vakbond met een stel intellectuelen, met als hun koortsachtige woordvoerder Alain Finkielkraut.'

Finkielkraut is een van de Franse filosofen die bij brandende kwesties in het krijt treden. Meestal via de kolommen van Le Monde. Allègre: 'Finkielkraut weet nergens van, geeft zelf les aan de École Polytechnique.' Deze school is een van de prestigieuze grandes écoles. In de terminologie van Allègre werd de strijd er een 'tussen pedagogo's en tempelbewakers'.

Allègre's tegenstanders verweten hem dat de school op de knieën ging voor de leerlingen. Terwijl de leerlingen horen te reikhalzen naar intellectuele vorming.

Daarna kwamen de manifesten tegen de afschaffing van het opstel in het eindexamen, tegen het verdwijnen van het Latijn en het Grieks. Allègre: 'Weet u hoeveel leerlingen Grieks kiezen? 0,8 procent. Van het afschaffen van het opstel is nooit sprake geweest. Ze eisen gelijk onderwijs voor allen, maar in de banlieue is de toestand niet dezelfde. Als Grieks en Latijn verplicht waren, dan ging het beter in de wereld. Het zijn mensen als Finkielkraut die dat verdedigen. Dat is de syndicalistische gelijkheidsdroom.'

Terwijl de degens op de opiniepagina's kletterden, was de minister al niet meer te redden. Premier Jospin stond in het voorjaar slecht in de peilingen. Er moest een offer gebracht worden. Allègre maakte plaats voor de aalgladde Jack Lang, in een vorig leven ook al eens minister van Onderwijs. Lang hernam onmiddellijk het contact met de vakbonden, en kondigde af dat niet het middelbaar onderwijs in een crisis verkeerde, maar juist het lager onderwijs. Allègre, bitter: 'Ik was er al bang voor. Misschien is hij juist daarom als minister aangenomen.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden