Het hart is nog helemaal in Irak

In het veilige Nederland volgen Iraakse vrouwen de oorlog op afstand. Com puter, fax en televisie zijn eerste levensbehoeften. Het belcircuit van de Iraakse Vrouwenvereniging biedt steun....

tekst Nell Westerlaken; fotografie Marcel van den Bergh

De oorlog begon met het zware, sonore gebrom van vliegtuigmotoren. Het soort geluid dat je voelt in je ribben. Vrijwel meteen na de komst van de bommenwerpers volgde het scherpe geratel van afweergeschut en daarna de inslagen, die klonken als zwaar onweer. Toen het eindelijk was opgehouden, en de bewoners zich angstig uit hun huizen waagden, was de hemel bij klaarlichte dag zo donker als de nacht. De tweede dag begon het te regenen. De druppels waren zo zwart als teer.

'Mijn broer ging naar de markt in een wit overhemd en kwam terug in het zwart', zegt Bahar in goed Nederlands. Over de Koer di sche stad Irbil, haar toenmalige woonplaats, daalde een allesbedekkende roetsluier en de verstikkende walm van verbranding neer. Ame ri kaanse vliegtuigen hadden militaire kampen en installaties van de dictator vernietigd langs de weg tussen de steden Irbil en Mosul in het noorden van Irak, januari 1991. Bahar kende die weg, ze reisde geregeld met de bus vanuit Mosul naar Irbil waar ze Engels studeerde, maar dit jaar was de universiteit dichtgebleven na de kerstvakantie; er was oorlog op komst.

Twaalf jaar later zijn het niet de vliegtuigen die Bahar vertellen dat de oorlog is begonnen. Het nieuws komt niet via de reguliere kanalen, daar zijn de feiten nog te onbeduidend voor - niet via internet, cnn of Kurdsat, het Koerdische kanaal waarop dag in dag uit rijen auto's te zien zijn met doodsbenauwde mensen erin en uitpuilende tassen. Waar die auto's heengaan weten de inzittenden soms zelf niet, maar vast staat dat ze ergens vand n rijden. Ze verlaten Koerdi sche steden als Sulaimaniya of Halabja, of Irbil van waaruit het nieuws van het begin van de oorlog Bahar rechtstreeks bereikt. Het is het nieuws van de dood eigenlijk, die op de oorlog vooruit is gelopen.

Bahar (35) hoort het aan de telefoon van haar moeder, vanuit de stad waar de mannen van Saddam haar, journaliste van een verboden krant, kwamen zoeken in 1996. Ze moest ijlings naar de bergen vluchten waar haar vader, een Koerdische partizaan, jaren had gewoond in tenten en grotten. Bush, Blair en de Spaanse premier Aznar zitten op dat moment nog te confereren op de Azoren over een laatste ultimatum aan de dictator, maar in Irbil zijn de eerste doden al gevallen.

Irbil hamstert, vertelt moeder, de winkeliers raken door hun voorraden heen, geen conserven meer, geen water, plasticfolie of tape. Moeder heeft een extra grote watercontainer gekocht. In het ouderlijk huis is net als in alle andere huizen, één kamer hermetisch afgesloten met lappen plastic en tape; gasmaskers zijn onbetaalbaar en de traumatische herinneringen aan de gifgasaanvallen door Saddam houden veel Koerden nog altijd uit hun slaap. Uitgerekend door die bange voorzorgsmaatregelen is het ergens misgegaan in Irbil. De maartse nachten zijn koud in Koerdistan, twee gezinnen hadden 's nachts een kacheltje gestookt in hun afgedichte kamer en zijn vergiftigd door koolmonoxide.

'Er waren kleine kinderen bij', zegt Bahar, moeder van Kawar, een vierjarig jongetje. De officiële aanval moet weliswaar nog komen, maar ze weet intuïtief dat het startsein is gegeven, de oorlog is begonnen: er zijn doden gevallen in de stad, haar stad, ook al is die duizenden kilometers van de Beren klauwstraat waar de foto's van haar familie naast het Delfts blauw in de servieskast staan.

De lijn blijft dood

'Je ziet niets aan ons. Je merkt niet wat wij meedragen', zegt Hanan (35) uit de Renesse straat in een andere stad aan de andere kant van Nederland. 'We doen boodschappen, we spelen met onze kinderen, we doen de dingen die we in huis moeten doen, maar met ons hart zijn we er niet bij.' Haar gedachten zijn zo'n 20 kilometer ten zuidwesten van Bagdad-stad bij haar familie op de boerderij. Twaalf uur geleden hebben de eerste kruisraketten de hoofdstad getroffen, maar ze probeert zich te concentreren op haar verhuizing naar de splinternieuwe doorzonwoning in de even nieuwe Vinex-wijk waar de stukadoors, glaszetters en stratenmakers voorlopig de handen vol hebben. Het is een vrijwel blanco straat die nog moet worden ingevuld door de net gearriveerde bewoners. Slechts één voortuintje is al beplant met viooltjes, pas één bewoner is al bij de doehetzelf-zaak geweest voor een tuinhekje. Bij Hanan staat een frisgroen traptractortje in de zanderige klei naast de voordeur. Haar Achmed is bijna twee, Meryam drieënhalf jaar.

In een hoek van de half ingerichte woonkamer knutselt een kpn'er aan de telefoon achter het televisietoestel. De tv was eerder geïnstalleerd dan het fornuis, first things first - het toestel heeft de hele nacht aangestaan, maar moest nu even uit vanwege de telefoonman. Televisie, telefoon, fax en internet zijn voor de Irakezen in Nederland wat water en voedsel zijn in hun geboorteland; levensbehoeften, meer dan ooit noodzakelijk. De voordeur is nog niet dichtgevallen achter de technicus of de stem van de cnn-presentator klinkt weer door de huiskamer.

Hanan probeert zenuwachtig de net aangesloten telefoon. 00.964.20ellipse Bagdad. Tegen beter weten in, maar het kan niet anders: 'Het moet, het moet.' Haar vingers trillen. Zouden ze, net als de vorige keer, zijn gevlucht naar familie elders? Haar verwanten in Irak zijn, dertien jaar na de Golfoorlog, eigenlijk financieel niet meer in staat om gevluchte familieleden op te vangen. Zou haar vader, net als de vorige keer, op de boerderij zijn gebleven? Hij is eigenlijk te oud om alleen achter te blijven. Zou de kpn een fout hebben gemaakt waardoor de lijn dood blijft? Waarom doet de fax het dan wel? Vanaf het moment dat hij aanstaat, spuugt het apparaat papier uit dat in rolletjes op de grond valt - bulletins van de oppositiepartij waarvan haar man lid is, verklaringen over de oorlog. Alle berichten en levenstekens helpen een beetje om de schok te verwerken die het uitbreken van de aangekondigde oorlog toch nog teweegbracht. De zoveelste oorlog in haar leven, maar het went nooit.

Hanan had haar studie als technisch ingenieur en computerdeskundige afgerond en was gewoon met de bus naar haar nieuwe werk gegaan, die 17de januari 1991. Ze was tevreden met haar baan als lerares op het technologie-instituut in Bagdad, hoewel ze liever arts had willen worden. Maar die eer was haar niet gegund, als dochter van een koppige schooldirecteur die categorisch had geweigerd om lid te worden van Saddams Ba'ath-partij.

In haar jeugdjaren was de dictator een keer door de straat komen paraderen en hoewel alle bewoners opdracht hadden gekregen tot een feestelijk eerbetoon, had haar vader resoluut de kont tegen de krib gegooid. 'Bin nen blijven!', had hij zijn kinderen bevolen. Ha nan kent de dictator zodoende alleen van de televisie, maar dat was meer dan voldoende, hij was elke dag op het scherm.

Toen ze die middag thuiskwam, trof ze haar vader alleen. De rest van het gezin was gevlucht naar familie ten noorden van Bagdad. Ook Hanan moest vluchten, zei vader, ze kon met een tante mee naar de heilige stad Karbala, waar een kleinzoon van de profeet in de zevende eeuw de ware islam met succes had verdedigd. Drie weken verbleven ze met veertig man in één huis en baden zich suf in de paniek en chaos van de oorlog. 'Altijd die vliegtuigen die overkwamen', zegt ze huiverend. Toen ze terugkeerde naar haar eigen huis, was vader - een magere man met een heldere blik in zijn blauwe ogen - twintig jaar ouder geworden. De raketinslagen in Bagdad verdrongen het geluid van de vogels in de tuin en zelfs in huis was de giftige schroeilucht van de bombardementen soms niet te harden.

Opnieuw vertrok ze, en toen ze aan het einde van de oorlog op 28 februari terugkwam, was de stad vuil, zwartgeblakerd en kapot, maar ze waren Allah dankbaar. Het hele gezin was nog compleet en de bom die zich 10 meter van de boerderij in de grond had geboord, was door een godswonder niet ontploft. Hanan was een veelbelovend academica van 23, ze had een gouden toekomst voor zich, maar zoals vroeger zou het nooit meer worden.

Belcircuit

Zonder de machinaties van de dictator hadden Bahar en Hanan elkaar nooit leren kennen, ze zouden honderden kilometers van elkaar hun eigen leven hebben geleid en wellicht nooit hebben geweten waar Den Haag precies lag. Dat geldt voor vrijwel alle vrouwen die begin februari bijeen zijn in het kale achterzaaltje van het Rode Kruis gebouw, waar de Iraakse vrouwenvereniging haar landelijke bijeenkomsten houdt. De vergaderruimte bevat onbedoeld een wrange boodschap voor dit gezelschap: naast een gekopieerde kaart van Irak hangt een ehbo-poster voor een reanimatiecursus: 'Als elke seconde telt'.

'Iedere vrouw hier heeft een schrijnend verhaal', zegt Bushra al Hakin, die op deze regenachtige februarimiddag wordt herkozen als voorzitster in een pijnlijk nauwgezette democratische procedure. De ongeveer vijftig aanwezige leden komen uit alle delen van Ne der land, onder hen veel jonge vrouwen. Ze ontvluchtten Irak in de jaren na de Golf oorlog - Koerdische en Arabische, shi'itische, soennitische en christelijke, vrijwel allemaal hoog opgeleid en welbespraakt. In de namen van hun geboorteplaatsen weerklinken decennia van oorlog en terreur: Kirkuk, Basra, Musayib. Musayib? 'De plaats waar de Amerikanen een fabriek voor chemische wapens vermoedden.'

De meeste vrouwen zijn net als Bahar - die werkte als journaliste voor de linkse oppositiekrant Regay Kurdistan - gevlucht voor Sad dam, of zoals Hanan in Nederland terechtgekomen door een speling van het lot dat nauw verbonden is met de recente Iraakse geschiedenis.

De oorlog tussen Iran en Irak, die eindigde in 1988, had niet alleen een torenhoge schuldenlast veroorzaakt, Irak had 120 duizend doden te betreuren. De Golfoorlog kostte aan nog eens 150 duizend voornamelijk jonge erakezen het leven, zodat het aantal huwelijkskandidaten aanzienlijk was geslonken. Op de augustusdag in 1997 dat Hanans vader haar meenam naar het Syrische Da mas cus om haar ten huwelijk te geven, was hij zijn trots dan ook voorbij. Het zou vroeger ondenkbaar zijn geweest zijn dochter buiten het land te laten trouwen, maar de kandidaat in kwestie kwam van een respectabele familie en was het Irak van Saddam ontvlucht vanwege zijn activiteiten in de shi'itische oppositie.

Het werd een vreugdeloze bruiloft, daar in Damascus. Het recente afscheid van haar familie en van haar land beet Hanan nog in haar ziel. Van de handvol bruiloftsgasten, uitgeweken Iraakse vrienden van haar man die inmiddels politiek asiel in Nederland had gekregen, kende ze niemand. De imam las een soera uit de koran, er was gebak en appelsap, maar een mooie bruidsjurk had ze niet willen kopen, hoewel haar echtgenoot het wel had aangeboden. Een maand na de trouwerij vertrok hij weer naar Nederland, waar Ha nan zich een jaar later bij hem voegde.

Bij de Iraakse vrouwenvereniging voelt ze zich verbonden met lotgenoten. In februari, in de aanloop naar de oorlog is het netwerk voor velen een warmtebron. 'Het doet goed om iedereen weer even te zien', zegt Hanan. Als er iets voorvalt in Irak waarvan de media melding maken, bewijst het circuit zijn waarde pas goed. 'Nu Nederland 2 aanzetten.' 'Heb je het gezien?' 'Nog nieuws uit Bagdad?' 'Wat vond je van de toespraak van Bush?' 'Op de Koerdische website staat een nieuw bulletin.' Er wordt intensief gebeld, gefaxt en gemaild, van Drachten tot Zoetermeer, van Leidschendam tot Arnhem; de ongeveer 41 duizend Irakezen in Nederland wonen te verspreid om ergens een echte gemeenschap te vormen.

Dankzij het belcircuit is Hanan op 15 februari voor haar gevoel toch een beetje bij de eerste anti-oorlogsdemonstratie in Amster dam, wanneer ze thuis met de kinderen tv zit te kijken. Haar man is die ochtend vroeg op de fiets naar de Gamma gegaan om bezemstelen te kopen voor het spandoek 'No to war. No to dictatorship'. Hanan belt met andere thuisblijvers. 'De hele wereld demonstreert. De hele wereld denkt aan ons. Dat moet je delen.'

De computer in de Beren klauw straat vertelt Bahar hoeveel de voedselprijzen in Irbil zijn gestegen of wanneer er sneeuw ligt in Kirkuk. Kirkuk is een lelijke stad, smerig van de olie-industrie, en zonder de groene bergen die het oosten van Koerdistan kenmerken. In de winter valt er weleens wat sneeuw die snel de grauwe kleur van de vervuiling aanneemt. Dan stoken de bewoners hun oliekachels, of vroeger, tot het eind van de jaren zeventig, hun ouderwetse verplaatsbare kacheltjes met ruitjes onderin, waaraan Bahar en haar vier broers en zusters hun voeten warmden. 'We noemden ze Aladin-kacheltjes', zegt ze.

Bahar woonde tot haar twaalfde in de stad die door het arabiseringsprogramma van de dictator gaandeweg zijn Koerdische karakter verloor. De Koerden onderscheidden zich van de Arabieren en de etnische Turken door hun pofbroeken en witte hoofddoeken. Toen haar vader in 1979 naar de bergen moest vluchten, verhuisde het gezin naar Halabja in het oosten, dichter bij de grens met Iran waar vader zich verschool met andere partizanen. Halabja was groen en vruchtbaar, waardoor er eigenlijk geen reden was om 's zomers op vakantie te gaan in het nabijgelegen vakantiedorp Achmad Ava. Dat zou bovendien argwaan wekken bij de vele militaire controleposten. Daarom stapte ze met haar moeder, broers en zussen voor elk checkpoint uit de bus, maakte een omtrekkende beweging, om aan de andere kant de bus weer op te pikken.

Vanuit het vakantiedorp liepen ze vier, vijf uur de bergen in over smalle ezelspaden, soms langs ijzingwekkend gapende afgronden. Aan het einde van de voettocht zag ze haar vader weer, de partizaan. Angstige tochten, maar angst was inmiddels een vertrouwd deel van haar jonge leven geworden. Soms kwamen de militairen bij hen thuis de boel kapot slaan. Ze stalen haar armbandjes en het dagboekje dat ze als tiener bijhield. In de Berenklauwstraat voelt ze zich eindelijk veilig, het is haast een luxe om onbekommerd te kunnen kijken naar de snuisterijen in de vitrinekast.

Bahar hield van Halabja, en ze vertrok dan ook met tegenzin naar Mosul voor haar studie. Op de 16de maart 1988 zat ze te studeren toen een Koerdische huisgenote kwam vertellen dat ze de radio moest aanzetten. Iraak se vliegtuigen hadden een cyanidewolk verspreid boven Halabja. Bahar reisde naar een nabijgelegen plaats, zo dicht als ze maar in de buurt kon komen, om iedere bekende aan te klampen voor nieuws over haar familie. Pas na een maand van angst en wanhoop kwam de opluchting, ze leefden nog.

Later, toen ze naar Irbil verhuisd waren vanwege de repressie van de Ba'athpartij, vertelde haar moeder hoe het was gegaan: de eerste dag waren er zware bommen gevallen zodat de ruiten kapot sprongen en de deuren uit hun sponningen vlogen. De volgende dag was er weer een bombardement dat aanmerkelijk minder materiële schade aanrichtte. De bevolking was weliswaar bang voor een chemische aanval, maar velen raakten niet meteen gealarmeerd door de wat fruitige, niet onaangename geur van het gifgas.

Die dag vielen er vijfduizend doden in Halabja. Bahars familie was in blinde paniek de stad uitgerend, op weg naar de grens met Iran, zonder eten of drinken, drie dagen lopen.

'Irak is mooi'

Ook naar de gruwelijke gebeurtenissen in Halabja wordt verwezen op de borden en spandoeken die de bonte menigte op de Dam met zich meedraagt om te protesteren tegen de nieuwe oorlog die dan twee dagen oud is. Bahar is stil. Ze is vroeg gekomen en draagt een stok van het rode spandoek van de Iraqi Woman's League. Ze heeft slecht geslapen de afgelopen week, reisde stad en land af naar verschillende vergaderingen en actiebijeenkomsten als ze niet voor het televisietoestel of aan de telefoon zat. Het is niet alleen haar persoonlijke bezweringsformule - 'Zonder die contacten zou ik heel depressief worden' - ook de partizanendochter in haar is weer opgestaan. 'Ik hoor dat veel vrouwen thuis zitten te huilen, maar huilen helpt niet. Je moet iets doen!'

Met een praktisch oog inventariseert ze de Dam en kiest een plaats vanwaar de stoet naar het Museumplein zal vertrekken, vooraan. Daar ontrolt zich even later het spandoek waarachter de prominenten zich opstellen. Gretta Duisenberg staat pal voor haar neus, Bahar herkent haar van tv. Femke Halsema kiest positie, Har ry van Bommel maakt een praatje met Angela Groothuizen, en Anja Meulenbelt vertrouwt iemand toe dat ze niet naast Gret ta gaat lopen.

Als de pik orde der prominenten is bepaald, gaat de stoet lopen. Het zal Bahars laatste demonstratie niet zijn; bin nen kort gaan de vrouwen van de vereniging naar Brus sel.

Hanan is ziek geworden van de oorlog. Hoofdpijn, depressie. De skyline van Bag dad, die haar zo vertrouwd is, wordt voor haar ogen uiteengereten door brandstormen en zeeën van vuur. Ze kent die gebouwen. Ze kent mensen die daar werkten. Als het geluid van de bommenwerpers door de kamer ronkt, krimpt ze ineen, ook al zit ze met haar rug naar de tv. De beelden van de bombardementen maken in de loop van de week plaats voor shots van strijdende soldaten, van doden en gewonden.

Er is nog veel te doen, zegt ze afwezig. Een nieuwe huisarts zoeken, de papierwinkel van de verhuizing regelen, naar het uitzendbureau, de sociale dienst. Deze week gaat ze met Meryam kennis maken op de nieuwe basisschool. Het meisje danst door de kamer. 'Oma is in Irak. Irak is mooi.'

In de Berenklauwstraat heeft de oorlog geleid tot vragen van de vierjarige Kawar. 'Ma ken ze mensen dood? Waarom dan?' 'Hij dacht eerst dat het een spelletje was', zegt zijn moeder. Of hij Irak ooit met eigen ogen zal zien, weet ze niet. Maar hij is veilig en gelukkig, haar zoon die vrolijk naar school gaat bij juffrouw Yvonne. De grote boze droom waarin Hanan opgroeide, zal hem bespaard blijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden