Het H-woord valt al 120 jaar

De hypotheekrenteaftrek is zo Nederlands als schaatsen op natuurijs. Nu wordt gesproken over afschaffing. Maar dat is bepaald niet voor het eerst....

‘Het was de enige keer dat ik in het kabinet een onaanvaardbaar heb uitgesproken’, herinnert Hans Wiegel (VVD) zich. In 1978 diende CDA-staatssecretaris voor Financiën Ad Nooteboom een wetsvoorstel in waarbij de hypotheekrenteaftrek voor bedragen boven de 540 duizend gulden (250 duizend euro) werd beperkt tot de helft.

Nooteboom – een voormalig belastinginspecteur en liberale CDA’er – wilde eigenlijk af van de belastbare eigen woning. ‘Het hinkte op twee benen’, zegt hij. ‘Het huurwaardeforfait werd bij het inkomen geteld, maar de betaalde hypotheekrente ging eraf. Het probleem was toen al dat die laatste veel meer steeg dan de eerste.’

De CDA-ministers steunden hem. Maar de VVD’ers kwamen in opstand. ‘Ik herinner mij nog dat een van de ministers riep dat mensen met dure huizen grote culturele en maatschappelijke verdiensten hadden. Ik zei: dat is mooi, maar dan wel op eigen kosten.

‘Uiteindelijk heb ik de kwestie in de ministerraad op tafel gegooid. Gaat het om de techniek of om het principe? Is het politiek onverteerbaar? Toen zei Wiegel: ik wil het niet.’

Wiegel nu: ‘Namens het VVD-smaldeel heb ik toen gezegd dat we uit het kabinet zouden stappen als de ministerraad er in meerderheid voor zou stemmen.’

Toenmalig premier Dries van Agt kan zich de dag nog herinneren. ‘Het was echt spannend. Ik heb de knoop doorgehakt: als we dit door de strot van de VVD zouden duwen, was het einde van de coalitie in zicht, heb ik gezegd.’

Het was niet de eerste vergeefse poging en zeker niet de laatste om de hypotheekrenteaftrek aan banden te leggen. Dat het taboe over het H­woord deze verkiezingscampagne wordt doorbroken, is niet juist. Het H­woord is misschien wel het oudste beladen woord in Den Haag.

Niet alleen links
Er wordt al 120 jaar over gesproken. En niet alleen linkse partijen hebben het ter discussie gesteld, ook christen-democraten (Ruud Lubbers, Hans Hillen, Frans Andriessen en Ad Nooteboom) en tegenwoordig ook liberalen (Ben Verwaayen).

Maar de onbeperkte hypotheekrenteaftrek is even Nederlands als schaatsen op natuurijs. In het land van de coalitieregeringen en consensus stuit iedere beperking wel op een veto van een van de partners.

Iedereen weet dat de aftrek eens zal moeten sneuvelen. Geen enkel ander land in Europa kent de onbeperkte aftrek, maar in Nederland staat het al meer dan een eeuw als een huis.

De aftrekmogelijkheid was een gevolg van de eerste belastingherziening in 1893. Tot die tijd kende Nederland alleen indirecte belastingen als accijnzen op allerlei producten als suiker, zeep en meel. Omdat die voor iedereen even hoog waren, vormden ze voor de arme bevolking een zware last. ‘Hervorming van het onbillijke belastingstelsel is een dringende eis der rechtvaardigheid’, zei koningin-regentes Emma daarom in de troonrede van 1891.

Het kabinet-Van Tienhoven ging het stelsel wijzigen. Nicolaas Pierson, die later ook nog premier en president van De Nederlandsche Bank zou worden, introduceerde als minister van Financiën de inkomstenbelasting.

Forfait
Nederlanders zouden een heffing moeten betalen over hun inkomen. Behalve lonen vielen daaronder ook huren. Huizen waren tenslotte bezittingen waarmee geld kon worden verdiend. En wie in een eigen huis woonde, spaarde huur uit. Daarvoor werd een fictief bedrag ingesteld – het zogenoemde huurwaardeforfait.

De gegoede klasse was niet van deze aanslag op het inkomen gediend. In 1894 werd een Vereeniging tot het Weigeren van Belastingbetaling opgericht. Pierson werd zelfs de toegang tot de Haagse sociëteit De Witte ontzegd.

Omdat de inkomsten van de woning werden belast waren echter ook de kosten aftrekbaar. Dat gold zowel voor het onderhoud als de kosten voor de financiering. Vanaf het begin waren die kosten hoger dan de opbrengsten en sinds die tijd kost de belasting op het woninggenot de Nederlandse staat meer dan het oplevert. Voor vrijwel iedere Nederlander resteert een negatieve opbrengst. In de nieuwe Wet op de Inkomstenbelasting van 1914 werd dat nog eens bevestigd, net als in die van 1964.

In de eerste decennia van de nieuwe eeuw konden de ‘kleine luyden’ het fiscale voordeeltje echter niet meepakken. Een eigen woning was voor veruit de meeste Nederlanders nog veel te hoog gegrepen. Wie bij een bank een hypotheek wilde hebben, moest eenderde van het bedrag zelf inbrengen.

Het bevorderen van het eigenwoningbezit stond niet hoog op de agenda. Zowel de christelijke partijen als de socialistische SDAP wilden vooral huurwoningen bouwen. In 1945 was het eigenwoningbezit nog maar 28 procent. Pas na de oorlog kwam de omslag. KVP en ARP vonden dat eigenwoningbezit goed was voor het volk. Het zou spaarzin en verantwoordelijkheidsgevoel bevorderen. Maar de PvdA was in 1952 nog fel tegen: ‘Gemeenschappelijk bezit van woningen door tussenkomst van een woningbouwvereniging is een hogere vorm van bezit.’

Pas eind jaren zestig ging de PvdA om. Tijdens het linkse kabinet-Den Uyl riep D66-minister Hans Gruyters van Volkshuisvesting zelfs dat Nederland zou moeten komen tot een Belgische situatie: eenderde huurwoningen, tweederde eigen woningen – iets wat overigens in 2010 is gerealiseerd.

Maar meteen werd ook de aftrekbaarheid van de hypotheekrente ter discussie gesteld. De mensen met de hoogste inkomens konden voor de aankoop van de eigen woning 73 procent lenen op kosten van de fiscus – het hoogste belastingtarief in die tijd.

De aftrekbaarheid van andere rentekosten zoals consumptieve kredieten werd in die tijd aan banden gelegd. In 1976 besloot de Hoge Raad in een arrest dat de hypotheekrente onbeperkt aftrekbaar was.

Niet alleen de PvdA vond dat onacceptabel, ook binnen het CDA was er kritiek. Mensen met een hoog inkomen zouden ‘op kosten van de fiscus boten en tweede woningen kopen’ – een exces dat zou moeten worden bestreden. In het kabinet-Van Agt/Wiegel, dat in 1977 het kabinet-Den Uyl opvolgde, was er veel sympathie voor. Maar uiteindelijk kon voor het voorstel van een halvering van de aftrek voor hypotheken boven de 540 duizend gulden geen meerderheid worden gevonden.

Nooteboom: ‘Ik kan mij herinneren dat ik felle discussies in de Kamer had met Hans Kombrink, die toen financieel woordvoerder was van de PvdA. Hij had een heel goede inbreng. Maar de PvdA wilde een hoger forfait. Ik wilde geen forfait maar dan ook geen aftrek. Eigenlijk was dat een links idee. Maar daar schaam ik mij niet voor.’

In het kabinet-Van Agt II – met PvdA en zonder VVD – werd het voorstel nieuw leven ingeblazen en aangescherpt. Hypotheekbedragen boven de 430 duizend gulden (200 duizend euro) zouden niet meer aftrekbaar mogen zijn, vonden de coalitiepartners. Maar Van Agt II sneuvelde al na negen maanden, waarna Lubbers de nieuwe premier werd in een regering met de VVD.

Het CDA wilde eerst het voorstel van voormalig PvdA-staatssecretaris Kombrink er nog doordrukken. Maar in 1982 stortte de huizenmarkt in en vond de partij dat de risico’s te groot waren. ‘Niemand ziet in het kopen van een woning nu meer een methode om vermogenswinst te behalen’, constateerde het CDA. ‘De maatschappelijke en juridische gronden voor een beperking van de aftrek zijn komen te vervallen.’

Maar daarna stegen de woningen weer in prijs. In 1990 deed heel onverwacht toenmalig premier Lubbers de suggestie de hypotheekrenteaftrek te beperken. Tegenover collega-ministers stelde hij voor nog maar tweederde van de rente aftrekbaar te maken. Het zou 2 miljard gulden aan bezuinigingen opleveren. Maar CDA-fractieleider Eelco Brinkman en PvdA-fractieleider Thijs Wöltgens brachten de suggestie meteen om zeep met het argument dat in het regeerakkoord voor CDA en PvdA ‘duidelijk staat dat geen afbreuk zou mogen worden gedaan aan de stimulering van het eigenwoningbezit’.

Lubbers zag dat Nederland zich met de onbeperkte hypotheekrenteaftrek in Europa isoleerde, omdat geen enkel ander land die mogelijkheid kende. In 1991 besloot Zweden – toen een voorbeeldnatie voor Nederland – een einde te maken aan de onbeperkte aftrek. Het IMF en de OESO suggereerden keer op keer dat ook Nederland er eens een einde aan zou moeten maken.

Aarzelingen
Maar de politiek aarzelde, zeker toen in Zweden de huizenprijzen na de ingreep met 30 procent daalden. Dat mocht niet gebeuren. Er was ook geen eensgezindheid over een andere methode, zoals een beperking van de renteaftrek voor duurdere woningen. Het leverde weinig op, maar zou bij het electoraat de schrik om het hart doen slaan.

In de paarse kabinetten-Kok kwam de hypotheekrenteaftrek keer op keer weer ter discussie. Maar de VVD wilde er niet van weten en de PvdA was bang dat de ongesubsidieerde bouw zou instorten. ‘Organiseer een meerderheid voor de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek en er valt over te praten’, zei minister Melkert van Sociale Zaken in 1996. Toen was er in tegenstelling tot nu echter een meerderheid op tegen.

Bij de PvdA was de angst voor onvriendelijke Telegraaf-koppen diepgeworteld. Toen de PvdA-Kamerleden Rick van der Ploeg en Adrie Duijvesteijn de nota De ongedeelde stad presenteerden, waarin werd gesteld dat de ‘financiële bevoordeling van huiseigenaren in het parlement ten onrechte een thema non grata was’, kopte de wakkere krant meteen: ‘PvdA: hypotheekrenteaftrek beperken’. De fractie stond op zijn achterste benen. ‘Een goudgerande manier om weer in de oppositie te belanden’, zo werd gebriest.

Van der Ploeg betoogde dat de normale hypotheken niet zouden worden aangepakt, alleen de luxe. Maar hij werd door de eigen partij in de hoek gezet. Premier Kok: ‘Bij mij zijn de middeninkomens veilig.’

Zowel staatssecretaris Willem Vermeend als D66-staatssecretaris van Volkshuisvesting Dick Tommel sloot zich erbij aan. ‘Weet Van der Ploeg wel dat alle voorstellen over beperking zijn afgestemd op PvdA-congressen?’, aldus Vermeend in die tijd.

Toen het D66-Kamerlid Francine Giskes in het tv-programma Den Haag Vandaag de suggestie deed voor een beperking, werd ze onmiddellijk door de eigen partij tot de orde geroepen. ‘Sorry, ik had tevoren niet met de fractie overlegd’, verontschuldigde zij zich.

Hetzelfde gold voor PvdA-partijvoorzitter Marijke van Hees, die in 1999 nog eens een knuppel in het hoenderhok gooide. ‘Over tien jaar bestaat de hypotheekrenteaftrek niet meer’, riep zij op het PvdA-congres. In het Europa van de euro zou deze aftrekpost onhoudbaar zijn.

Ze verwees naar een gewichtig advies van de Raad van State bij de rijksbegroting van dat jaar: ‘Er moet afstemming plaatsvinden van de Nederlandse directe belastingen met die in andere lidstaten van de Europese Unie. Daarbij kan de wijze waarop bij ons de eigen woning in de heffing wordt betrokken niet buiten beschouwing worden gelaten.’

Kok en fractievoorzitter Melkert reageerden woedend op de suggestie van Van Hees. ‘Hier worden gewone werknemers met een eigen huis de dupe van. Wij zijn de partij van de rechtvaardigheid, niet van de onzekerheid’, stelde Melkert.

Niettemin herhaalde het Kamerlid Van Gijzel nog geen half jaar later de woorden van Van Hees. ‘Het is geen juiste toedeling van belastinggeld wanneer huizenbezitters met hoge inkomens worden gesubsidieerd.’ Uit cijfers bleek op dat moment dat 45 procent van het fiscale voordeel bij de 7 procent rijkste Nederlanders terechtkwam.

Uiteindelijk kon Vermeend samen met minister Zalm (VVD) een akkoord bereiken over een beperking. In 2001 werd een nieuwe Wet op de Inkomstenbelasting van kracht. De aftrekmogelijkheid voor tweede woningen werd afgeschaft en die voor eerste woningen beperkt tot maximaal dertig jaar. ‘Voor verdere beperking was toen geen draagvlak’, zegt Vermeend nu.

Schuldenberg
De discussie ging door. ‘Dat kwam doordat de kosten van het eigen huis explosief bleven stijgen na de introductie van de aflossingsvrije hypotheek, die de annuïteitenhypotheek verdrong. Hierdoor stegen de schulden razendsnel en werd ons land opgezadeld met de grootste hypothecaire schuldenberg van Europa’, zegt Vermeend. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten waarschuwden hier volgens hem meerdere keren voor. ‘De aflossingsvrije hypotheek is een uitvinding van de banken en past niet in ons fiscale stelsel.’

In de jaren daarop werd de roep om beperking telkens weer aangezwengeld (onder meer door Nout Wellink van De Nederlandsche Bank, Pieter Korteweg van de Robeco Groep, de CDA-politicus Hans Hillen en D66’er Laurens-Jan Brinkhorst) zonder dat enig resultaat werd geboekt.

De crisis en een nieuwe dreigende huizencrisis maakten er een eind aan, tot begin dit jaar het kabinet viel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden