Het grote mirakel van de multiplier

In hun pleidooi tegen 'kapotbezuinigen' wijzen veel economen op de multiplier. Door dit effect zou nog meer snijden desastreus uitpakken en investeren extra lucratief zijn. Ligt het zo eenvoudig?

Kerkvader Augustinus smeekte God toen hij jong was om kuisheid en trouw. 'Maar nu nog niet', voegde hij daaraan toe. Het voorkwam niet dat hij nu een van de grootste heiligen is.


Zo is het nu ook met de economie. Economen en politici vinden allemaal dat er iets moet worden gedaan aan de gigantische schulden die veel landen hebben en die in sommige gevallen ook nooit meer lijken te worden afgelost. Een steeds groter deel zegt echter: 'Maar nu nog niet.' De economie mag niet, zoals dat heet, kapot worden bezuinigd. Daarom wordt massaal gewezen naar de zogenoemde multiplier: de formule die moet aantonen dat één enkele euro die in de economie wordt gestoken dankzij het sneeuwbaleffect veel meer oplevert dan een euro, de zogenoemde inverdieneffecten, en dat elke euro die wordt bezuinigd veel meer kost dan een euro, de zogenoemde uitverdieneffecten.


Jeroen Dijsselbloem riep dinsdag in Brussel op door te gaan met bezuinigen, maar de PvdA-minister en Eurogroep-voorzitter staat steeds meer geïsoleerd, zowel in eigen land als in Europa. De Europese Commissie heeft landen opnieuw meer respijt gegeven om de bezuinigingsdoelstellingen te halen. IMF-directeur Christine Lagarde tourt door Europa met haar pleidooi voor stimulering en praat daarbij bewust of onbewust de eigen Franse president François Hollande naar de mond. De enige bezuinigingsadepten zijn nog te vinden in Groot-Brittannië en Duitsland.


Iedereen vindt dat uiteindelijk een keer moet worden bezuinigd en de schuld moet worden teruggebracht, maar pas als de groei weer aantrekt. Het probleem is dat er geen direct zicht is op groei in dit decennium tot boven de 2,5 tot 3 procent, waarbij bezuinigingen niet zo desastreus zouden zijn voor de economie. Oorzaken zijn de demografische structuur en politieke fragmentatie van Europa. Het IMF - bepaald geen groot voorstander meer van radicale bezuinigingen - voorspelt voor de eurozone in 2018 een groei van 1,6 procent. Dergelijke instanties zijn echter slechte voorspellers, is de afgelopen tijd wel gebleken.


Na de crisis van 2008 was voor politici duidelijk dat nu zou moeten worden geïnvesteerd of gestimuleerd om een harde val van de wereldeconomie te voorkomen. Toen de kredietcrisis in 2010 omsloeg in een eurocrisis, zagen politici dat als signaal om de eigen financiën op orde te brengen.


Drie jaar later staan ze recht tegenover elkaar. De voorstanders van verder bezuinigen, de Duitsers, wijzen het liefst op de nachtmerrie van de Weimar-republiek toen te grote uitgaven, onder meer als gevolg van de herstelbetalingen na de Eerste Wereldoorlog, leidden tot hyperinflatie. Weimar was echter bijna honderd jaar geleden en nu ziet de wereld er heel anders uit. De tegenstanders van bezuinigen wijzen op hun beurt op de Grote Depressie van de jaren dertig die onder meer werd veroorzaakt doordat overheden hun uitgaven gingen verminderen. John Maynard Keynes legde later uit waarom dit averechts had gewerkt. Hij ontwikkelde de vraagtheorie in de economie die is gekoppeld aan het multiplier-effect: een extra besteding van bijvoorbeeld 12 miljard euro leidt tot een veel grotere investering als de multiplier groter is dan 1. De multiplier kan echter ook kleiner zijn dan 1. Dat hangt volledig af van de interpretatie van beleidsmaatregelen en de inschatting van de invoer- en spaarlekken. Iedere econoom kan daar een voor zijn betoog passende uitkomst bij berekenen. Er is geen consensus over de multiplier. Zeker is dat het multiplier-effect in Nederland kleiner is dan in grote landen als de VS, Japan en China, vanwege de open economie: zo tussen de 0,4 en 0,8.


Op de vraag of moet worden bezuinigd of gestimuleerd, weten economen ook geen eenduidig antwoord. Daarvoor is politieke visie nodig.


Economie veert weer op

Een rekenvoorbeeld. Uitgangspunt is dat het bruto binnenlands product (bbp) 600 miljard euro bedraagt - ongeveer het bedrag dat alle Nederlanders samen verdienen - terwijl de huidige staatsschuld 420 miljard (70 procent van het bbp) is. De economische groei voor de komende vijf jaar wordt geschat op 1,5 procent per jaar. Dat lijkt op dit moment het maximaal haalbare.


Als de regering besluit om 12 miljard euro (2 procent van het bbp) te bezuinigen, is het effect op de economische groei te berekenen in een tweetal scenario's. In beide scenario's, waarin een hoge multiplier van 1 respectievelijk 1,5 wordt gehanteerd, blijkt dat de groei als gevolg van de bezuinigingen eerst vermindert, maar dat de bezuiniging na twee jaar (scenario 1) of vier jaar leidt tot een vermindering van de staatsschuld en een forse vermindering na vijf jaar. Zonder de bezuiniging van 12 miljard groeit die tot 83 procent in 2019. Als wel wordt bezuinigd en de multiplier is niet hoger dan 1, dan zal de staatsschuld uitkomen op 74 procent in 2019. Als de multiplier heel hoog is (1,5) stijgt de staatsschuld tot 80 procent van het bbp in 2019. (Zie grafiek). De verklaring hiervoor is dat het multiplier-effect tijdelijk is (de economische groei veert weer op) maar het bezuinigingseffect permanent.


Scenario 1

Het begrotingstekort is 4 procent. Als 12 miljard wordt bezuinigd om dat totale tekort terug te brengen naar 2 procent, leidt dat tot minder groei omdat er minder geld in de economie komt. Hierdoor wordt er minder geproduceerd of worden minder diensten verleend. Bij een multiplier van 1 vermindert de groei met 2 procent, hetgeen betekent dat de economie 12 miljard kleiner wordt. Het begrotingstekort vermindert maar met 5 miljard, omdat door werkloosheidsuitkeringen en minder belastingsopbrengsten 7 miljard verloren gaat. Gezien de hoogte van de multiplier daalt de economische groei, omdat er minder goederen en diensten worden gevraagd, stijgt de werkloosheid en dalen de lonen. Maar lagere lonen en dalende prijzen zijn weer goed voor de concurrentiepositie, wat weer tot hogere groei leidt. Dat gebeurt in dit scenario al na het tweede jaar en met een kwart procent per jaar.


Scenario 2

Ook hier wordt 12 miljard euro bezuinigd, maar wordt uitgegaan van een zeer hoge multiplier van 1,5. Er is bijna sprake van kapot bezuinigen, zoals dat heet. Van de bezuiniging van 12 miljard blijft in het eerste jaar nog geen miljard over. Hierbij wordt vanaf het tweede jaar geen 0,25 procent van de groei goed gemaakt, maar 0,10 procent. Nu komt de staatsschuld pas in het vierde jaar onder het niveau van wat het zonder bezuinigen zou zijn geweest.


Wat kost 1 ontslag?

Ambtenaar B. wordt ontslagen bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Dit bespaart de overheid op het eerste gezicht 80.000 euro per jaar op de collectieve uitgaven: het salaris van B plus secundaire arbeidsvoorwaarden plus een kantoorplek minder op het ministerie.


De daadwerkelijke besparingen zijn echter vele malen lager. B. zal als hij geen andere baan krijgt behalve een afvloeiingsregeling een WW-uitkering krijgen die later naar bijstandsniveau daalt. In de eerste jaren is het financiële voordeel van de bezuiniging lager dan de kosten. Als B. minder verdient, gaat hij bovendien minder uitgeven. Hij zal bijvoorbeeld een keer minder naar de kapper gaan. Dat kost de kapper 20 euro. Van die 20 euro zou de overheid via belastingen en sociale premies 7,50 euro hebben opgestreken. Die inkomsten loopt de overheid mis. De kapper kan met wat hij netto overhoudt van die knipbeurt naar de bioscoop gaan om de film Argo te gaan zien. Ook de bioscoopeigenaar loopt inkomsten mis en zal minder afdragen. Hij stelt daarom misschien een verbouwing uit, waardoor een aannemer weer minder te doen krijgt. Die koopt een biertje minder in de plaatselijke kroeg. Zo rolt de sneeuwbal verder. Daarnaast betaalde B. als werknemer belastingen. Nu hij niet meer werkt, is dat ook voorbij. De overheid krijgt daardoor minder binnen.


Van de bezuiniging die wordt bereikt met het ontslaan van de ambtenaar, blijft daardoor weinig of niets over. Dit wordt het uitverdieneffect genoemd. Er zijn economen die beweren dat het uitverdieneffect zelfs groter is dan 1, hetgeen betekent dat 1 procent aan bezuinigingen tot 1,2 procent minder inkomsten leidt. Die vinden dat er beter nog meer kan worden besteed. Als de regering 10 miljard euro in de economie steekt, levert dat 12 miljard op.


De ene ontslagen ambtenaar is echter de andere niet. Ambtenaar C. zou zijn salaris niet besteden aan een bezoek aan de kapper, maar spaart voor een Toyota Prius. De aankoop van die auto levert de Nederlandse economie heel wat minder op. De dealer strijkt nog wat op, maar de rest van het geld lekt weg naar Japan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden