Het grote blanke infuus

Martin Scorsese vroeg zes regisseurs om, net als hijzelf, een film te maken over de blues. Wim Wenders is de enige die erin slaagt een nieuw verhaal te vertellen....

De blues is een zwarte oude baas met een gek hoedje op. Hij is al een tijdje bedlegerig en wil eindeloos vertellen over vroeger, toen alles nog vanzelfsprekend was. Zijn lot wordt verzacht door de witte dokter die hem telkens opzoekt als hij er geen gat meer inziet en die nooit genoeg krijgt van zijn verhalen. Witte dokters als Martin Scorsese, die zes andere regisseurs uitnodigde om net als hij hun verhouding tot de blues te verfilmen. The Blues, a Musical Journey, een box met zeven dvd's, die vorig jaar ook als tv-serie in de Verenigde Staten werd uitgezonden, is het resultaat.

Met de blues is het altijd hetzelfde liedje. Luister maar naar de lotgevallen van man. Skip James is zijn naam. Hij was de zoon van een prediker, en gezegend met een van de wonderlijkste stemmen die de blues heeft voortgebracht: een intens hoge, wat paniekerige falset, die klinkt alsof ie met geweld uit zijn strot wordt geperst. Zet hem op een verzamel-cd temidden van dertig andere bluesmannen en je weet het meteen: daar is Skip James. Hij dwingt tot luisteren, ook al hou je er niet per se een prettig gevoel aan over.

Deze Skip James behoorde tot het legertje zwarte mannen dat ergens in de vroege jaren dertig op auditie kwam, keurig in het pak, dat spreekt, om een blanke man met geld (in zijn geval was dat H.P. Speir, eigenaar van een platenzaak in Jackson, Mississippi) te laten horen wat ze konden. 'I'd rather be the devil', zong Skip, 'than be that woman's man'. Dat was nog eens taal, en dat was nog eens een stem! Speir had aan een paar maten genoeg om James een treinkaartje naar de hoofdkwartieren van Paramount Records, in Grafton, Wisconsin, aan te bieden.

Daar nam hij op een dag in februari 1931 achttien nummers op die bijna allemaal klassiekers werden. Hard Times Killing Floor was er zo een, en vooral het fenomenale I'm so glad (I'm so glad, I'm so glad, I'm glad, I'm glad, I'm glad - wie durft nog te zeggen dat blues altijd droevig is!). De eerste sessie speelde hij op de Stella-gitaar van de firma, een dag later nam hij nog acht nummers op met pianobegeleiding - James was op beide instrumenten behendig.

Kort daarna keerde het tij. De recessie diende zich aan, zodat het zwarte publiek geen geld had voor grammofoonplaten. Als ze die al zouden willen kopen, want de radio rukte intussen snel op. James heeft nooit een cent royalties gezien. De man die een glorieuze toekomst als zwarte zanger tegemoet leek te gaan, gaf er de brui aan en ging in de Heer, die zijn zangkwaliteiten beter op waarde zou weten te schatten. Hij vormde de Dallas Texas Jubilee Singers, een gospelkoor dat zijn vader ruggesteun gaf bij diens predikbeurten. Niet lang daarna werd Skip zelf voorganger bij de Baptisten.

Niemand hoorde nog van hem. Totdat drieertig jaar later, op het Newport Festival voor folkmuziek, een oude blueszanger opduikt die Skip James heet. John Fahey, weer zo'n jonge blanke Amerikaan met een levenslange passie voor de blues, had hem opgespoord en meegetroond naar het festival, waar hij als quasi-familie van Mississippi John Hurt het podium op mocht. Op filmmateriaal uit die tijd zie je de jonge blanke bezoekers in ademloze verrukking luisteren. Zijn voordracht heeft niets aan intensiteit ingeboet. Ook zijn repertoire was ongewijzigd.

Niet veel later zal er toch nog een nieuw James-nummer komen. Een ziekenhuis-blues, waarin hij de zusters en de dokters hartelijk dankt voor hun goede zorgen. Indirect bedankt hij daarmee ook de Britse groep Cream - drie whiteboys die op afstand zijn oudedagsvoorziening regelen. Dankzij de opbrengsten van hun cover van I'm so glad kan James zijn kanker in een goed ziekenhuis laten behandelen. Zo zijn er drie momenten waarop blanke mannen het leven van James een duw geeft.

Dit alles zou hier onvermeld zijn gebleven als zich niet een vierde blanke man had gemeld. Het is de Duitser Wim Wenders, filmer met een voorliefde voor Amerika en voor muziek van oude mensen. In The Soul of a Man brengt hij Skip James opnieuw tot leven, met een zwarte acteur die in zwartwit-beelden heel subtiel gestalte geeft aan de blueszanger. Als diens nummers klinken, playbackt de acteur hem natuurgetrouw.

Opmerkelijk dat Wenders uit het legioen van dode bluesmannen juist de niet zo heel bekende Skip James kiest. Een tweede held die in de film figureert, is minstens zo verrassend. J.B. Lenoir werd in Europa vooral bekend omdat John Mayall bij zijn dood in 1967 - Lenoir stierf na een auto-ongeluk - zo'n hartverscheurend eerbetoon schreef. Dat lied kerfde de naam Lenoir in het geheugen van Wenders. Voor zijn film wist hij een vrolijk Zweeds kunstenaarsechtpaar te traceren, dat Lenoir in het midden van de jaren zestig in Chicago bleek te hebben gefilmd. De man van wie geen filmopnamen bekend waren komt zo onverwacht tot leven. Lenoir presenteert zich als een intelligente, geageerde muzikant, die met dezelfde vanzelfsprekendheid over de oorlogen in Korea en Vietnam zingt als over zijn verloren liefdes, en dat alles in een terloopse, elegante stijl die wel wat aan T-Bone Walker doet denken. Net als T-Bone was hij een showman. Vijf rokkostuums had Lenoir, herinneren de Zweden zich: een zwart, een wit, een geelgroen, een met zebradessin en een geheel gouden pak. Alles handgemaakt.

Als Wenders ook nog Beck, Lucinda Williams, Lou Reed, Cassandra Wilson en de Jon Spencer Blues Explosion zo ver krijgt dat ze nummers van James, Lenoir en Blind Willie Johnson een prima vertolking geven, dan is het pleit beslecht: Wenders vertelt met The Soul of a Man het verhaal van de blues zoals het nog niet verteld was.

Hij is daarmee de enige die de opdracht van Martin Scorsese tot een goed einde brengt. Andere regisseurs, ook Scorsese zelf, gaan gepireerd op pad, maar vallen dan terug in de vertrouwde groove over de arme zwarte man, afstammeling van de slaven, die alleen in zijn muziek iets van zichzelf kwijt kan. En dat iets is dan de blues, het hartverscheurende geschenk van de zwarte Amerikaan aan zijn nieuwe vaderland. Alle films bevatten fragmenten - vaak historisch materiaal - die je niet graag had willen missen. Maar vooral vertellen ze in allerlei toonaarden dit al zo vaak vertelde verhaal.

The blues is the roots, everything else is the fruits, zei Willie Dixon, bassist, songschrijver en geestelijke leidsman van de Chicago-blues in de jaren vijftig en zestig. De blues wordt gezien als bron van het diepe zwarte spoor in de twintigste-eeuwse muziek. Gershwin en Strawinsky verwerkten bluesmotieven in hun composities. Dat kon ook best, want iedereen heeft wel eens de blues, volgens Dixon. Welke blues? Dat hangt af van waar je wiegje heeft gestaan en hoe je bent opgevoed.

Des te wranger is het dat die muziek voor zijn voortbestaan steeds weer afhankelijk is van het grote blanke infuus. Dat was al zo in de jaren dertig, toen Skip James en consorten door blanke platenbazen werden gecontracteerd, om onder het hoofdje race records muziek aan de nieuwe zwarte middenklasse te verkopen. De Chicago-blues, gedomineerd door blanke jongens als de Chess-broeders, betekende een volgende opleving.

Dankzij de Britse bluesboom van de jaren zestig begrepen de Amerikanen opnieuw dat ze goud in handen hadden. En ook nu nog zijn er muzikanten - The White Stripes, David Johansen, The Black-Eyed Snakes en Paul Westerberg - die, doorgaans met flinke kracht, het stof van de blues blazen.

Zwarte blues verkeert intussen al jaren in een comateuze toestand. Van de grote gitaarhelden leeft alleen B.B. King nog, Pinetop Perkins houdt iets van de pianoblues levend. Het bluescircuit wordt verder bevolkt door epigonen, kroegtijgers, coverbands, snarenwonders en knutselaars. Een nieuwe lichting zwarte authentiekelingen als Corey Harris, Alvin Youngblood Hart en Keb'Mo, heeft niet de kracht om een nieuwe richting aan te geven.

Hoogste tijd voor een reddingsactie, moet Scorsese gedacht hebben. Hij is, zeker sinds zijn didactische projecten over de Amerikaanse (A Personal Journey with Martin Scorcese Through American Movies, 1995) en de Italiaanse film (My Voyage to Italy, 2001), uitgegroeid tot het geweten van de Amerikaanse film. Hij zocht en vond zes regisseurs die net als hij gevoel voor de blues hebben: Wim Wenders, Clint Eastwood, Mike Figgis, Charles Burnett, Richard Pearce en Marc Levin.

In zijn eigen bijdrage - Feel Like Going Home - treedt Scorsese in de voetsporen van Alan Lomax, de muziekonderzoeker die in de jaren dertig en veertig bluesmuzikanten vastlegde voordat de platenmaatschappijen hen ontdekten. De leidende gedachte bij al diens veldwerk was dat alle muziek tot gemeenschappelijke patronen te herleiden is. Zo zou de blues rechtstreeks terug te voeren zijn op Afrikaanse muziek van voor de slaventijd.

Scorsese volgt die lijn in omgekeerde richting. Met de jonge bluesmuzikant Corey Harris als gids nemen we plaats op de veranda van een paar nog levende bluesveteranen in de zuidelijke staten en steken dan de oceaan over. In Mali ontmoet Harris (gekleed in KNVB-shirt!) Salif Keita, Ali Farka Tourn Habib Koitdie niet te beroerd zijn de gemeenschappelijke bron van hun muziek en de blues te erkennen.

You can squeeze my lemon till the blues runs down my leg, is een scabreuze bluesklassieker. You know what I'm talking 'bout baby. Jazeker weten we dat. Het aardige is dat Keb'Mo in Scorsese's film bekent dat hij die regel voor het eerst bij Led Zeppelin hoorde, en pas veel later te weten kwam dat de verzuchting zijn oorsprong bij Robert Johnson heeft.

Chuck D, frontman van oer-hiphopband Public Enemy, is beter op de hoogte van de verrichtingen van de vorige generaties zwarte muzikanten. Hij is, samen met Marshall Chess van het fameuze Chess-label, de spil in de film Godfathers and Sons. Chuck & Marshall vatten samen het plan op een hedendaagse versie van Electric Mud te maken, de psychedelische sessie van Muddy Waters uit de jaren zestig, die toen met hoongelach werd ontvangen, maar kennelijk voor hiphoppers als Chuck het neusje van de zalm is. Marshall scharrelt de begeleiders van weleer op, Chuck nodigt jonge urban muzikanten als Common uit die er lekker op kunnen rappen en zo gaan ze aan de slag. Onderweg leren we dat hedendaagse bluestypes als Lonnie Brooks en Otis Rush grossieren in muzikale clichen dat oude muzikanten die ooit beroemd waren vaak niet te genieten zijn.

Alle regisseurs die Scorsese benaderde maken gretig gebruik van oude zwartwit-opnamen. Son House, Muddy Waters en Rosetta Tharpe (een oudere dame in bloemetjesjurk die de elektrische Fender laat jammeren en grommen, wat een machtig gezicht) duiken in meerdere films op. En alle regisseurs bedienen zich van een verteller. In Warming by the Devil's Fire is dat de filmer zelf. Charles Burnett logeerde als jongetje een tijd bij zijn oom Buddy in het Zuiden, die hem meenam naar alles wat verboden was: storyville in New Orleans, waar de marching bands hun swingend eerbetoon aan de dood speelden; het kruispunt waar Robert Johnson zijn ziel aan de duivel verkocht; big black mama's, die Charles, zo klein als ie was, toch al een sugardaddy vonden en informeerden naar z'n candy stick. Uiteindelijk belandden ze in een gemene jukejoint, waar Charles door een andere oom weer het rechte pad werd opgesjord. Het resulteerde in een sympathiek voortrammelende quasi-documentaire.

Drie regisseurs tenslotte bestrijken een deelgebied. Richard Pearce en Robert Kenner maakten The Road to Memphis, een documentaire over bluesstad Memphis en B.B. King. Adequaat gedaan, maar het genre moet je wel liggen. Piano Blues is een merkwaardig werkstuk van Clint Eastwood, die trots als een schooljongetje naast pianisten als Pinetop Perkins, Dr. John en Marcia Ball aanschuift, terwijl zij oude bluesjes uit de toetsen raggen en anekdotes ophalen. Historische opnamen van Art Tatum en Nat King Cole erbij en klaar ben je.

Met Mike Figgis zijn we terug bij het begin. De grootste reddingsoperatie die ooit voor de blues werd ondernomen was de massale omarming van het genre door Britse tieners en twens in de jaren zestig. Red, White and Blues is een zorgvuldige reconstructie van die episode, met hulp van tal van hoofdpersonen: Eric Clapton, Jeff Beck, Van Morrison, Tom Jones, Lonnie Donegan, Steve Winwood, John Mayall herinneren zich nog ontroerend veel details. Alleen al daaruit blijkt hoe cruciaal de ontmoetingen met mannen als John Lee Hooker, Big Bil Broonzy en Sonny Boy Williamson voor hen waren. Mooiste fragment: Lulu (!) die met Jeff Beck Cry me a river zingt.

De kracht van blues is herhaling, steeds weer dezelfde riff, steeds weer het oude liedje, desnoods met kleine variaties. Het lijkt alsof Scorsese hetzelfde recept naar film heeft willen vertalen. De dertien uur bluesbeelden bestaan uit veel nepperig zwartwit, veel historische fragmenten (die doorgaans stoppen op een moment dat je nog lang niet genoeg hebt gezien), veel nog levende nazaten op hun veranda, vervelende hedendaagse bluesbrothers, doorschoten met een enkele authentieke vonk.

Dat is uiteindelijk niet genoeg. Om werkelijk aan te sterken heeft de blues betere blanke dokters nodig.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden