Het grootste leed was geestelijk ISAAC LIPSCHITS BESCHRIJFT OPVANG JODEN NA DE SHOAH

ISAAC LIPSCHITS, de auteur van Tsedaka - Een halve eeuw Joods Maatschappelijk Werk in Nederland, schreef in 1992 een ontroerend boekje getiteld Onbestelbaar....

Alleen 'Ies' en Alex overleefden. Lipschits probeerde na de oorlog zijn broertje terug te krijgen van diens Zeeuwse onderduikouders, maar deze stribbelden zo lang tegen dat hij hem uiteindelijk ontvoerde, en hem in 1948 meenam naar Israël, toen hij voor de joodse staat ging vechten. Alex bleef daar, Isaac kwam terug. 'Ik heb mijn hele leven lang hard gewerkt', schrijft hij tot slot aan zijn overleden moeder, 'en, zoals U altijd wilde, veel geleerd en gelezen. Ik ben zelfs professor geworden. Ik heb twee zonen, een dochter en een kleindochter.'

Het drama dat achter deze sobere woorden schuilgaat, het verbijsterende feit dat in minder dan drie jaar meer dan 100.000 Nederlandse joden werden vermoord, en met hen een hele wereld verdween, heeft de geschiedenis van het Joods Maatschappelijk Werk (JMW) getekend. 'Ons hele bureau', zei de directeur in 1969, 'staat in het teken van de oorlogsslachtoffers.'

Vlak na de oorlog had men nog geen idee van de geestelijke bres die de shoah had geslagen. Toen de psychiater B. Stokvis in 1945 door het Nieuw Israëlietisch Weekblad werd gevraagd of joden zouden blijven schrikken 'als de bel gaat op een vreemd uur' schudde deze 'afwerend met de hand: 'Daarvoor bestaat geen reden. Verreweg de meesten zullen na kortere of langere tijd dit alles vergeten, althans dit gevoel van angst of bedreiging verliezen.'' Het voornaamste probleem leek op dat moment de materiële nood onder de joodse overlevenden. Huizen, bedrijven en winkels waren afgepakt; huisraad door de firma Puls - of door de buren - weggehaald; bankrekeningen, verzekeringspolissen en effecten gestolen. En maar weinigen hadden nog een familie om op terug te vallen.

Het JMW had vanaf de oprichting in 1947 een dubbele functie: coördinatie van het maatschappelijk werk van joodse instellingen en het zelf ter hand nemen daarvan. De eerste taak werd met succes volbracht. Omdat het JMW het doorgeefluik van subsidies werd, moest elke instantie werkzaam op dit gebied zich aansluiten. Al die instanties bleven echter hun eigen zelfstandigheid verdedigen, zodat van concentratie van het joods maatschappelijk werk weinig terechtkwam.

Dit was tekenend voor het verloop van de strijd tussen herstellers en vernieuwers, die in de naoorlogse jaren overal werd uitgevochten. De vernieuwers, in de joodse gemeenschap vertegenwoordigd door de Joodse Coördinatie Commissie (JCC), wilden een einde maken aan de vooroorlogse versnippering en alle joden, orthodox, Portugees, liberaal of ongelovig, één en hetzelfde 'adres' geven. Zij delfden echter het onderspit tegen de herstellers van het orthodoxe Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK), die geen behoefte hadden aan een joods orgaan buiten het rabbinaal gezag. Toen de JCC het hoofd in de schoot legde, nam het JMW haar sociale afdeling over, maar het kon pas daadwerkelijk gaan functioneren, nadat het NIK een statutair vastgelegde meerderheid in het bestuur had gekregen.

Ook in joodse kring mislukte dus de doorbraak. Dit is in de diaspora overigens een uitzondering: in Groot-Brittannië bijvoorbeeld bestaat wel een vertegenwoordigend orgaan voor alle joden.

Draaide het werk van het JMW in de jaren veertig en vijftig vooral om rechtsherstel, om het opvangen (en zoals in het geval van Alex) terugkrijgen van oorlogswezen, en om het verlenen van leningen, studiebeurzen, kleren en andere materiële hulp, in de jaren zestig werd duidelijk dat het grootste leed geestelijk was. Duizenden waren psychisch zwaar beschadigd uit de oorlog gekomen. Met kinderen, ouders, broers en zussen hadden ze ook het vertrouwen in de buitenwereld verloren. Velen voelden dat niemand, toen het erop aankwam, iets voor ze had gedaan.

De slagschaduw die de shoah over de overlevenden en hun kinderen wierp, werd meer en meer de bestaansgrond van het JMW. Terwijl overal de ontzuiling toesloeg en in de maatschappelijke hulp fusering, regionalisering en decentralisatie aan de orde van de dag waren, bleef het JMW bestaan als exclusief joodse, landelijke en multifunctionele instelling. Dat moest, stelde men, omdat het buitengewone complex van problemen waar veel joden mee worstelden, voor buitenstaanders nauwelijks te begrijpen was. Dat vereiste kennis van zaken, de solidariteit van een gedeelde achtergrond, en veel tijd.

Nog in 1992 deed niet minder dan 13,3 procent van de joden in Nederland een beroep op het maatschappelijk werk, vergeleken met 3,2 procent van alle Nederlanders. De joden die hulp vroegen, waren ook relatief oud - 56 procent was ouder dan 50, vergeleken met 22 procent landelijk - en hun contacten met de instelling duurden veel langer. Het gaat dan ook vaak om problemen waarvoor eigenlijk geen oplossing bestaat.

Naarmate moderne inzichten over samenlevingsopbouw doordrongen, is het JMW steeds meer gaan bijdragen aan het opvullen van de 'lege sociale ruimte' die de oorlog had achtergelaten. Er kwamen allerhande joodse verbanden buiten de kerkgenootschappen: bejaardensociëteiten in de mediene, joodse cafés, een koosjere eettafel voor Amsterdamse ouderen genaamd Nesjommelet - een samentrekking van nesjomme (joodse geest) en omelet - de joodse homovereniging Sjalhomo (in 1992 nog principieel afgewezen door het rabbinaat) en zelfs een joodse voetbaldag, de Jom Havoetbal.

Bij een voortschrijdende secularisatie - niet meer dan een kwart van de joden in Nederland is religieus - is het niet langer religie die de joden bindt, maar vooral de vele gevolgen van de shoah en de band met Israël. De joodse gemeenschap is, in de woorden van de recente Geschiedenis van de joden in Nederland, geworden van kerkgenootschap tot culturele minderheid. Het JMW sluit daar goed bij aan, omdat het zich inzet voor iedereen die zich joods voelt, ook ongelovigen of 'vaderjoden'.

Vooral deze context maakt het JMW tot een interessante instelling. Daarom is het wat onbevredigend dat Lipschits zich voornamelijk vastbijt in de gebeurtenissen binnen de muren van het kantoor en weinig aandacht besteed aan het rumoer daarbuiten. Vreemd is ook zijn conclusie dat het de joodse traditie van sociale hulp of tsedaka (rechtvaardigheid) is, die het JMW tot een specifiek joodse instelling maakt, en niet de doelgroep. Ook een niet-joodse instelling, zegt hij, zou joden bij kunnen staan. Daarmee spreekt hij zichzelf bepaald tegen.

Bart van der Boom

Isaac Lipschits: Tsedaka - Een halve eeuw Joods Maatschappelijk Werk in Nederland.

Walburg Pers; 462 pagina's; ¿ 69,50.

ISBN 90 6011 972 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden