HET GELUK VAN HET NIET KUNNEN VERZINNEN

Ik ben nog nooit met een kerkgebouw in gesprek geraakt, met een boom trouwens ook niet, met niets waarschijnlijk, zelfs niet met mezelf....

KEES FENS

En zo sprak ik toch nog even met een kerkje, en wel dat van Franssum. C.O. Jellema voerde er een tweegesprek mee in zijn jongste bundel, Spolia. (Wie meent dat het 'ding' niet antwoordt, heeft het niet begrepen. Elke nieuwe gedachte in een gedicht is het gevolg van de stilzwijgende reactie van de 'aangesprokene'):

Bestaat nog god, kleine sarcofaag

van het geloof, even leeg

als de dorische tempels van Paestum:

hun zuilen een schuilplaats voor andere

vogels

dan goden - als ik naar hem vraag?

Kleine mummie van steen

zonder hart, tabernakel,

zonder plaats voor een wijkaars, bescherm

je

met jouw lichaam ons landschap

als bodem voor hemel? ik vraag maar.

Stille klankkast voor buiten, voor grutto's

in juni, het loeiende melkvee bij 't hek -

zo gesloten, een avond, ik zit in het gras

tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:

dicht, van het uitblijvend antwoord de

schrijn.

Het kerkje weet het ook niet (meer). Dichten moet altijd gebeuren tegen beter weten in, want het resultaat is meestal de herhaling van een vraag of een nieuwe. Misschien blijven daarom dichters dichten: de dingen moeten ondervraagd en aan de praat gehouden worden. Het is maar een vermoeden, want langdurigheid van een dichterschap blijft voor de buitenstaander raadselachtig. Jellema debuteerde 35 jaar geleden; er is in 1992 een verzameleditie van zijn gedichten verschenen. En hij dicht door, en steeds meer buigt de taal zich onder zijn gedachten, want licht van gewicht en ongedwongen is zijn poëzie allerminst. Ze is zelfs enigszins gedrongen.

Misschien kom je dichter bij dat wat het raadsel van de arbeid mag heten, vanuit de veronderstelling dat een dichter het meest van allen in taal leeft; alles lijkt zich bij hem in taal om te zetten. Daarbuiten is er weinig of niets. De eerste regel (waar die verder ook in het gedicht terechtkomt) mag een geschenk zijn, je krijgt die alleen als je je handen of geest voortdurend openhoudt. Zoals grote gedachten buiten het denkproces ontstaan - ze komen, naar het lijkt, als toevalligheden de geest binnen, maar er is jaren aan de voorbereiding van de komst gewerkt, de hersenen zijn er als het ware naar gaan staan - zo kunnen die regels alleen terechtkomen in of voortkomen uit een geest die altijd maar in taal bezig is en er voortdurend op uit is alles in taal en dus in tekens om te zetten. Dan moet er geen ophouden aan zijn.

Uit de vorige week hier besproken laatste bundel van Bert Schierbeek bleek dat hij zijn laatste gedichten kort voor zijn dood schreef. Ik meen dat te begrijpen. Zwijgen en dus taalloos zijn is dood zijn. Gorter legde de pen neer, zijn laatste gedicht was voltooid, en hij wist dat het het laatste was. Hij had zijn werk gedaan. En hij kon sterven. Na ruim veertig jaar poëzie.

Maar het raadsel blijft toch. Vestdijk, die het allergrootste deel van zijn poëzie in perioden maakte, schreef soms twee tot vijf gedichten gedichten per dag. Naar onderwerp hebben ze niets met elkaar te maken; twee of meer verschillende heelallen. En elk van hen is tot barstens toe geladen en vaak uiterst vernuftig doorwerkt.

Met dat denken in taal is te weinig gezegd. Het is denken in een gevormde taal, want zo'n eerste regel meldt zich in metrum of ritme; en ook daaruit zullen voor het vervolg de consequenties moeten worden getrokken. Misschien heb ik wel eens met een kerk gesproken, maar die kon met mijn wat neutrale taal kennelijk niets beginnen. Hij verwacht kunsttaal, want alleen daarop en daarin kan hij reageren.

Kouwenaar vertelde onlangs in het publiek dat hij in Frankrijk het doodsbericht van Jan Elburg kreeg. Dat viel in goede taal, want de dood en dode werden daarin onmiddellijk omgezet: 'Elke zomer komt dit woord om eten/ als de maan vol is, de tijd leegstaat.' En dat moet het woord 'dood' zijn. Kouwenaar is misschien de meest talige dichter van allemaal. Voor hem vallen werkelijkheid en taal samen. Misschien mag men zelfs zeggen: werkelijkheid en poëzie.

Er is een heel aardig gedicht van Jan Eijkelboom, dat, in zijn essentie, alleen door een dichter is te begrijpen, denk ik. 'De stad een vogelreservaat' heet het:

Ik zag een meeuw die uitgleed op het ijs

en hoorde eens bij ondergaande zon

twee hanen kraaien in een boom.

Ook zag ik op een stille zondagmorgen

een sperwer op de stoep van een kantoor;

hij had een muisje in zijn klauwen

en keek mij zo woest aan

dat ik maar liever verder liep.

Voorts heb ik waargenomen

dat vogels 's morgens vroeg

graag op de rijweg lopen

en later als met tegenzin

de lucht ingaan

Ik heb het allemaal gezien, gehoord.

Gelukkig maakt wie niets verzinnen kan

veel mee.

De ene vogel roept de andere op, ze trekken elkaar aan, er ontstaat een concentratie van vogels; daarbuiten lijkt niets te bestaan, er ontstaat een vogelwereld. Met woorden moet het op dezelfde wijze gaan; de woorden die bij elkaar horen, vinden elkaar; er ontstaat een woordwereld en verder bestaat er even niets.

'Tussen dennen resten kindertijd', schrijft Jellema. Dat is poëzie. 'Ik stond in een dennenbos en herinnerde mij flarden van mijn jeugd', zouden wij kunnen zeggen. Daar willen de dennen niet op ingaan. Terecht. Resten en dennen hebben elkaar gevonden, alsof ze altijd bij elkaar hebben gehoord.

Alleen slechte dichters hebben alles verzonnen. Ze moeten wel, want de taal werkt niet voor hen. Ze denken in gedachten. Ze worden door niets en niemand gehoord.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden