Het geheim van mijnheer pastoor

Begroeven West-Goten in Rennes-le-Château de buit van de plundering van Rome? Of waren het katharen die ook al met een goudschat in verband worden gebracht....

Bérenger Saunière, pastoor van Rennes-le-Château, zit breeduit in een gemakkelijke stoel bij de schouw, geen vlekje of pluisje op zijn soutane. Zijn gezicht straalt een innemende gestrengheid uit. Huishoudster Alexandrine Dénarnaud staat onderdanig bij de keukentafel.

De gerestaureerde keuken van de pastorie die als museum dienst doet, ademt een bedrieglijke sfeer. Aan de kwaliteit van de wassen beelden kan het niet liggen, evenmin aan de vaten (mis)wijn op de achtergrond. De kerkelijke muzak die op de bezoekers neerdaalt, wekt hooguit lichte irritatie.

Maar wat doet de moeder van in de keuken? In haar plaats had dochterlief moeten worden afgebeeld, Marie Dénarnaud, de latere pastoorsmeid die vanaf haar achttiende openlijk met Saunière samenleefde; de vrouw die haar werkgever in 1917 dood aantrof in de bibliotheek, een megalomaan misbaksel dat Magdala-toren heet; de erfgename die licht had kunnen werpen op de geldbronnen van een doodgewone dorpspastoor die bij zijn benoeming geen cent te makken had. Maar dat geheim nam zij in 1953 mee in haar graf.

Het mysterie van Rennes-le-Château komt niet tot zijn recht in het museum; het wordt ondergedompeld in een vrome zoetsappigheid die als een doofpot werkt en die niet rijmt met vermeende oplichterspraktijken van meneer pastoor.

85 Jaar na zijn dood geeft Bérenger Saunière nog altijd aanleiding tot speculaties, de ene publicatie na de andere en nieuwe opgravingen die wellicht binnenkort zijn geheim zullen ontsluieren. Met behulp van echografie is vier meter onder het fundament van de Magdala Toren een flinke kist gesignaleerd, en tweeënhalve meter onder het schip van de Sainte-Madeleinekerk hebben peilingen het bestaan onthuld van een crypte met twee graven.

Geloof en ongeloof gaan hand in hand in Rennes-le-Château, een vlek in de Languedoc, recht onder Carcassonne; een voormalige citadel met iets meer dan honderd inwoners die de dagelijkse gang van toeristen naar Le domaine de l'abbé Saunière met genoegen gadeslaan, want pelgrims dan wel recreanten moeten ook eten en drinken en er schiet altijd wel geld over voor de aankoop van souvenirs met een vage-kunststatus en boeken met al even schimmige theorieën over de herkomst van Saunières rijkdom.

Er is een tijd geweest dat Rennes-le-Château Rhedae heette en een bolwerk was van het West-Gotische rijk dat zich tot aan Toledo in het zuiden van Spanje uitstrekte. De Razès, de streek waarin Rennes-le-Château ligt, wordt nu nog Pays de Rhedez genoemd. In de 5de eeuw was Rhedae een stad met 30 duizend inwoners, een vrijwel onneembare vesting met eigen waterbronnen.

Vanaf de Pas de Loup, halverwege het verstilde kuuroord Rennes-les-Bains en het drukke centrum van een continue hype, is de strategische ligging van Rennes-le-Château overduidelijk. Boven de okerkleurige akkers leveren zon en wolken een fascinerend gevecht waarin onbarmhartig fel licht en bijna duisternis elkaar afwisselen. Het clair-obscur decor lijkt de nietigheid van Rennes-le-Château te benadrukken totdat na een stevige wandeling een bult in een open landschap het zicht op de werkelijkheid terugbrengt. Een steil pad leidt naar een verrassing: de afgevlakte top van Rennes-le-Château is groter dan gedacht en beheerst in alle windrichtingen het dal van de rivier de Aude.

Het Rhedae van de West-goten komt tot leven, maar zouden deze veroveraars hier de buit hebben begraven van de plundering van Rome in 410? En als zij het niet zijn geweest, de Tempeliers soms, de ridderorde die pelgrims naar het Heilig Land beschermde? De Tempeliers hadden aanzienlijke bezittingen en zouden, nadat ze als dank voor bewezen diensten waren verketterd, een legendarische hoeveelheid goud hebben verborgen. De katharen dan? - een christelijke sekte die in het zuiden van Frankrijk in de 12de en 13de eeuw meedogenloos werd vervolgd. Ook zij worden met een goudschat in verband gebracht, waarop Saunière de hand zou hebben gelegd. Het goud zou uit de belegerde burcht Montségur zijn gesmokkeld.

Bérenger Saunière onderhield goede relaties met leden van de Franse adel en voor zo'n eenvoudige pastoor wonderlijk genoeg ook met de aristocratie buiten Frankrijk. Maar wat maakte hem van de ene dag op de andere zo rijk? Niet de groots opgezette zwendel met missen - wel geld innen, maar niet opdragen - waarvan hij werd beticht. En ook niet die gift van drieduizend francs - een aanzienlijk bedrag voor die tijd - van de gravin van Chambord, waarmee hij bij lange na niet de omvangrijke restauratie van zijn vervallen parochiekerk en zijn latere bouwwoede kon bekostigen.

Wellicht is een antwoord te vinden in een onpeilbaar diepe poel van veronderstellingen die nooit overtuigend zijn onderbouwd. Een van de hypotheses verwijst naar documenten die Saunière zou hebben gevonden in zijn kerk of in graven waarin hij ook graag mocht rommelen. Met die papieren zou hij de rooms-katholieke kerk hebben kunnen chanteren, want Jezus zou niet aan het kruis zijn gestorven en de heilige graal zou niet in verband mogen worden gebracht met de beker waarin zijn bloed zou zijn opgevangen, maar met zijn nageslacht dat naar deze streek zou zijn getrokken. En waarop stoelde toch die overmatige belangstelling van Saunière voor Maria Magdalena? Tijdens de bruiloft in Kanaän zou zij in het huwelijk zijn getreden met Jezus en later zou zij met zijn kinderen naar het zuiden van Frankrijk zijn gevlucht.

Eensluidend is alleen het oordeel over Saunières erfenis, deels monumenten van superkitsch die bij de bezoeker gêne en verbijstering teweegbrengen. En een niet aflatende nieuwsgierigheid naar zijn geldbronnen. De symboliek van de pastoor wekt verwarring of roept de lachlust op. De spreuk boven de ingang van de kerk - Terribilis est locus iste - duidt niet op een verschrikkelijke plaats, maar op een ontzettend sterke plek. En de enorme duivelfiguur die een wijwatersvat torst, waarboven vier engelen een kruisteken slaan, weerspiegelt de overwinning op het kwade.

Boven de boogvormige poort die toegang geeft tot Villa Bethania, later pastorie en gastenverblijf, staat: 'De pastorie is het huis van allen'. Het gebouw valt door zijn omvang uit de toon, maar komt niet over als een luxueus onderkomen of als een woning waarop een minnares haar stempel drukte. In de zitkamer overheerst somber eikenhouten meubilair en in de slaapkamer vallen de kazuifels op en het bed: type twijfelaar. Niets wijst op de aanwezigheid van Marie Dénardaud. Het fresco van de drie Gratiën in het trapportaal lijkt er niet thuis te horen, maar de afbeelding van een slang en een duivel in een St. Jacobsschelp verlenen deze enigszins wulpse muurschildering een Nihil obstat.

Het enige sierlijke aan Saunière's landgoed is de vervallen orangerie die door een terras-met-prachtuitzicht is verbonden met de Magdala-toren, een gedrocht met pretparktransen. In deze bouwdoos was de bibliotheek gevestigd. Boeken zijn schaars in tegenstelling tot de talrijke exemplaren van Le Miroir, een tweewekelijks tijdschrift met foto's van de Grande Guerre op de omslag.

De protserigheid verdwijnt achter de muur die het kerkhof aan het zicht onttrekt. Hier liggen Bérenger Saunière en Marie Dénardaud begraven. Naast elkaar.

Niets geheimzinnigs aan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden