Het geheim van Henning Mankell

Een klap voor zijn miljoenen fans: de Zweedse misdaadauteur Henning Mankell is ernstig ziek. Frank Heinen, neerlandicus en een van die fans, legt uit wat Mankell zo goed maakt.

FRANK HEINEN

Eind december 2013 meldt Henning Mankell zich in het ziekenhuis in zijn woonplaats Stockholm. Hij heeft last van een steeds opspelende wervel in z'n nek, vermoedelijk een nekhernia. Begin januari keert hij er terug, voor de uitslag.

De diagnose: kanker.

Een paar weken later al verschijnt het eerste deel van wat een lange serie krantenstukken (voor Göteborgs Posten en The Guardian) over zijn ziekbed moet worden. Die eerste column eindigt met de woorden: 'Ik ben begonnen.'

Het is zo'n tien jaar geleden dat ik kennismaakte met het werk van Mankell. Ik herinner mij het moment: een gezinsvakantie in Zeeland en mijn boeken waren op. Mijn ouders, ervaren detectivelezers, gaven mij Honden van Riga.

Achttien was ik, en tot dat moment hadden misdaadromans voor mij toebehoord aan een andere wereld, een wereld van hersenloos vermaak. Op het eerste gezicht was Honden van Riga een thriller als ieder ander: een duister omslag, een paar lijken, een plot en een sombere inspecteur van middelbare leeftijd met een gewichtsprobleem.

Ik las het - en in een tijdsbestek van enkele maanden alle andere in het Nederlands vertaalde Wallanders, want ik was hooked. Later, tijdens mijn studie Nederlands, wijdde ik een deel van mijn scriptie aan Mankells bijdrage aan het engagement in de moderne misdaadroman - geen gebruikelijk onderwerp.

In de loop der jaren heb ik in mijn romans-zijn-de-enige-echte-literatuurvorm-vriendenkring Honden van Riga (of De terugkeer van de dansleraar - de enige op zichzelf staande Mankell-thriller die zich kan meten met de Wallanderserie) cadeau gedaan. Ik heb in die tien jaar aardig wat bedankjes mogen ontvangen waar de teleurstelling over het gegevene duidelijk hoorbaar in doorklonk. Veel vrienden zetten het ongelezen (want thriller) in hun kast, leenden het uit aan onbetrouwbare derden of deden het stiekem van de hand - ik trof er zelfs eens eentje aan bij de inkoopbalie van De Slegte, mijn cadeau in de aanslag. Hij beweerde dat hij het boek dubbel had gekregen.

Een enkeling las het. En nooit viel het tegen. Nou ja: bijna nooit.

Waarom? Wat maakt dat een Mankell-krimi behalve de sensatie van een spannend boek ook het plezier van een literaire roman oplevert?

Het heeft allereerst te maken met de stijl, waarover ik tegen verbaasde jarigen vaak hoog heb opgegeven en die ik me herinner als melancholiek, opwindend en bloemrijk.

Oké, bij herlezing zie ik heus wel zinnen die je gerust kitscherig kunt noemen. Neem: 'De gedachten vonkten als een regen van gloeiende naalden door zijn hoofd.' (openingszin Voor de vorst) Of: 'Tijdens de koortsaanvallen wordt Hans Olofson tegen onzichtbare riffen gegooid die zijn lichaam openrijten. Even stilt de storm en schommelt hij op de golven en voelt hoe hij snel verandert in een ijsklomp.' (Het oog van de luipaard).

Boeken waarin zulke zinnen voorkomen, zijn doorgaans reddeloos verloren. Je valt over zo'n zin en je gelooft het verder wel. Bij Mankell loont het de moeite je weg te vervolgen: uiteindelijk blijken het juist deze zinnen te zijn die je meevoeren in het verhaal, belangrijke sfeertekeningen die het verhaal en de plot kleuren. Dat ze wat dik zijn aangezet, merk je na een tijdje niet eens meer.

Henning Mankell had er al een lang leven vol romans, kinderboeken en theaterstukken op zitten, toen hij in 1991 zijn eerste Wallander schreef. Het was de reactie van een politiek geëngageerd auteur op een opkomend ressentiment in de Zweedse samenleving, de spanning die de komst van stromen immigranten met zich meebracht.

Die sfeer van xenofobie kon de schrijver naar eigen zeggen alleen maar vatten in een thriller, in dit geval: een misdaadroman waarin inspecteur Kurt Wallander de gruwelijke dood van een boerenechtpaar onderzoekt, een zaak die men al snel in de schoenen van asielzoekers probeert te schuiven. Dat boek werd Moordenaar zonder gezicht. Er zouden nog negen Wallanders (en een Wallandertje) volgen.

Mankell - altijd al politiek geëngageerd - vond in de thriller de vorm die hij nodig had om zijn kritiek te spuien op een veranderend Zweden. De hypothese dat het enorme aantal Zweedse en Scandinavische misdaadboeken is te herleiden tot 28 februari 1986, de dag dat Olof Palme werd vermoord (een hypothese die ik in mijn scriptie trouwens voor juist aannam), heeft Mankell altijd tegengesproken: 'Het beeld van Zweden als een soort aards paradijs klopt niet, en heeft ook nooit geklopt. De moord op Palme heeft het land niet wezenlijk veranderd.' Ik had het kunnen weten: de maatschappijkritische Beck-detectives van Sjöwall en Wahlöö dateren immers al van ver voor Palme.

Kennelijk ligt het ingewikkelder.

Mankells oeuvre - dus niet alleen zijn thrillers, die omvatten slechts een kwart van zijn totale werk - draait om twee wezenlijke thema's.

Het eerste is onrecht, en meer specifiek: onderdrukking, en nog specifieker: de relatie tussen onderdrukker en onderdrukte, verwerper en verworpene

Het tweede is de dood.

In veel van zijn romans (Comedia Infantil, Daniel, zoon van de wind, Tea-bag) zijn die onderdrukten jong, kinderen die de fantasie van de jeugd combineren met een volwassen ernst. Ze proberen zich te ontworstelen aan de onrechtvaardige greep van volwassenen of van uitzichtloze armoede. Ook in Dwaalsporen, een van de gruwelijkste Wallanders, komt een kind in opstand: een jongen verzet zich tegen het seksueel misbruik dat hij om zich heen ziet: hij betrekt zijn slachtoffers in een kinderspelletje, om ze vervolgens te vermoorden. Kinderen zijn bij Mankell zelden willoze slachtoffers; ze ageren, ze verweren zich tegen het onrecht dat hen wordt aangedaan.

Mankells helden staan oog in oog met corruptie (Honden van Riga, De man die glimlachte, Labyrint), met apartheid (De witte leeuwin), met koloniale overheersers (Het oog van de luipaard), met de onzichtbare macht van hackers (De blinde muur) en met ongelijkheid tussen mannen en vrouwen (De Daisy Sisters).

Ze ontdekken het - in de loop van een politieonderzoek of gewoon door volwassen te worden - en strijden ertegen, soms tegen beter weten in. Die eigenschap maakt van Kurt Wallander een koppige individualist, een man die tegen windmolens vecht. Een idealist voor wie pragmatisch denken een nederlaag is. Een escapist ook, net als de rest van zijn familie: Wallander vlucht in werk en in opera, zijn vader in het almaar opnieuw schilderen van hetzelfde schilderij en Wallanders dochter loopt van huis weg.

Veel van Mankells helden zijn vluchters: ze verdwijnen naar Afrika (Geschiedenis van een gevallen engel, Het oog van de luipaard) of trekken zich terug in de uitgestrekte Zweedse bossen (Italiaanse schoenen, De terugkeer van de dansleraar). Hun verhouding met de imperfectie van de wereld is, net als die van hun schepper, paradoxaal: ze willen goed doen, zich inzetten, maar tegelijk ook met rust worden gelaten. Net als Mankell zelf, en net als zijn moeder, die het gezin verliet toen de schrijver nog een peuter was.

Ik ben niet de eerste die Kurt Wallander met Mankell vergelijkt, en ik zal ook niet de laatste zijn. Ze zijn generatiegenoten, allebei nors, ze hebben moeilijke verhoudingen met echtgenote(s) en nageslacht, en ze zijn monomaan met hun werk bezig. Maar bovenal zijn ze beiden idealisten en strijden ze voor een groter doel. 'Kunst', zei Mankell eens, 'moet tot doel hebben het leven, de wereld beter te maken. De onderdrukking van mensen is een teken dat het daar niet in is geslaagd.' Een tamelijk sombere opvatting van een man die zijn leven in dienst heeft gesteld van kunst die iets zou moeten veranderen. En als de kunst het dan niet doet, dan de kunstenaar zelf maar, moet hij gedacht hebben, toen hij in 2010 aanmonsterde op een schip dat voedselhulp wilde bieden in de Palestijnse gebieden en geënterd werd door het Israëlisch leger. Mankell puts his money where his mouth is: het met zijn boeken verdiende vermogen verdeelt Mankell al jaren ruimhartig over goede doelen, doelen waarbij vaak kinderen betrokken zijn. Kinderen die zijn verlaten. Kinderen zoals... Precies.

En dan, aan het eind, is er de dood.

Mankell was de eerste thrillerauteur die ik las die niet alleen de dood beschreef, maar ook de laatste passen ernaartoe, bijvoorbeeld in de perspectiefwisselingen waarbij de lezer de laatste, doodsangstige momenten van een slachtoffer door diens ogen meebeleeft.

Ook Wallander, die in tegenstelling tot andere beroemde speurders steeds ouder en ongezonder wordt, weerspiegelt die eindigheid. Hij is fictief, maar zijn leven houdt zich aan de wetten van het 'echte leven'. Sterven zal hij nooit, terugkeren ook niet; Mankell heeft hem laten oplossen in de mist van z'n eigen vergetelheid. Alzheimer.

Mankells relatie met de dood is ambigu: veel van zijn verhalen beginnen (uiteraard) met een sterfgeval. De dood woelt iets om, werpt licht op zaken die veelomvattender zijn dan de dood van een individu. Anderzijds, wanneer de dood echt dichtbij komt - zoals wanneer de jonge Zweedse actrice Johanna Sallstrom (Linda Wallander in de door Mankell geschreven tv-serie) om onverklaarbare redenen een einde aan haar leven maakt - heeft dat tot gevolg dat de fictie stokt: Mankell besloot destijds zijn plannen voor een nieuw boek met Linda in de hoofdrol overboord te gooien.

In een recent interview wordt Mankell ondervraagd over de dood.

Het is 2011, hij is nog niet ziek, maar de tijd schrijdt voort en hij heeft kort daarvoor zijn beroemdste creatie het doolhof van de dementie ingestuurd.

'De dood', zegt Mankell, 'zal je altijd komen storen. Die gedachte maakt me wanhopig. Ik zal nooit alles kunnen schrijven wat ik wil.'

Dan zwijgt hij, opent zijn mond om er nog iets aan toe te voegen, maar zegt niets meer.

Henning Mankell schrijft nog. Nog altijd met dezelfde open, realistische blik. Somber maar strijdvaardig.

ZIEKTE

Eind januari 2014 maakte Henning Mankell op zijn website bekend dat hij aan kanker lijdt. Bij de Zweedse auteur, die de helft van het jaar in Mozambique woont, was een tumor in de halswervel ontdekt. Zijn vrouw Eva Bergman (dochter van Ingmar) moedigde hem aan vanaf het begin over zijn ziekte te schrijven. In zijn eerste stuk voor de Britse krant The Guardian, ruim een maand geleden, schreef hij over de diagnose en over het lange wachten dat met de ziekte gepaard gaat. Zijn strijdbare toon viel op. Mankell eindigde met de woorden: 'I am now the one going on the offensive.' Sindsdien is het stil.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden