Het geheim van Aantjes

VAN Willem Aantjes zou je kunnen zeggen dat hij op aarde kwam met twee handicaps: geboren in het verkeerde jaar, en het verkeerde milieu....

Jan Blokker

Iemand van zijn lichting (1923) bereikte de jaren des onderscheids ten tijde van oorlog en bezetting, dat wil zeggen: in een periode waarin je als jongeman voor nogal principiële keuzes kon komen te staan. Tegen dat risico was hij als kind uit een bevindelijk Alblasserwaards gezin gewapend met maar één zekerheid: het orthodoxe calvinisme dat een totalitair soort gehoorzaamheid predikte aan Gods woord, alsmede aan elke overheid die het de Heere Heere had behaagd 'over ons te stellen', al was het de Duitse van Hitler.

Vanwege die twee ongemakken lijkt hij redelijkerwijs geëxcuseerd voor het feit dat hij zich in 1943 als twintigjarige vrijwillig voor de Arbeidsinzet meldde en postbesteller werd in het Derde Rijk (Güstrow, Mecklenburg). Natuurlijk waren er leeftijdgenoten die er alles aan deden om zich aan werk in Duitsland juist te onttrekken, er waren ook veel gereformeerde-bondsbroeders die ondubbelzinnig het verzet omhelsden - maar het ene karakter kiest in extreme omstandigheden nou eenmaal voor een andere route dan het andere.

Bangig was Aantjes misschien niet, wankelmoedig waarschijnlijk wel, en opportunistisch zeker. Vandaar mogelijk ook z'n kortstondige flirt met de NSB (met Volk en Vaderland op het schoolplein toen hij nog op het gymnasium in Rotterdam zat, of een wolfsangel in z'n knoopsgat) - men moet überhaupt de fascinatie niet onderschatten die van perfect over de Coolsingel marcherende en zingende Wehrmachtsoldaten moet zijn uitgegaan op een christelijke tiener uit het tamelijk achterlijke dorp Bleskensgraaf.

Eigenlijk zou hem alles wat hij in die jaren heeft gedaan (of gelaten) vergeven mogen worden - inclusief de nooit helemaal precies opgehelderde en nogal troebele manier waarop hij in 1944 via aanmelding bij de Germaanse SS uit Güstrow naar Nederland wist terug te vluchten, en de laatste maanden van de oorlog hetzij als gevangene, hetzij als halve bewaker in het Drentse kamp Port Natal doorbracht. God mag weten hoe het allemaal was afgelopen als de Amerikanen intussen niet al aan de Rijn en de Canadezen aan de overkant van de Alblasserwaard hadden gestaan, maar dat is achterafpraat. In mei 1945 kon Aantjes als bevrijde Nederlander terug naar het ouderlijk huis. Hij was nog maar 22.

En pas vanaf dat moment begint de schuld: eerst van het (ver)zwijgen, later ook van het draaien en liegen.

Aanvankelijk was er nog weinig aan de hand. Aantjes doorstond zonder veel moeite een paar 'zuiveringsonderzoeken', van onder andere de afdeling Sliedrecht van de Politieke Opsporings Dienst, de PTT en de Utrechtse universiteit. Erg diepgaand kan er niet zijn gerechercheerd. Er waren wel aanwijzingen, en een paar tips, dat de aankomende rechtenstudent misschien een beetje 'fout' was geweest ('In het algemeen', concludeerde een rapporteur, 'maakt Aantjes politiek gesproken geen zeer gunstige indruk'), en z'n verhaal over 'een wachtbataljon' - van zijn kant uiteraard geen woord over de Germaanse SS - wekte het nodige wantrouwen, maar feitelijk kon hem niet veel méér worden nagedragen dan enigszins verwijtbare dubbelhartigheid. En daar zette je in het naoorlogse Nederland geen mensen voor achter de tralies. Anders was het gevangenhuis te klein geweest.

Als anoniem jurist zou Aantjes er ongestoord tachtig mee hebben kunnen worden. Maar de anonimiteit lag niet in z'n natuur.

Carrièrebelust, of laten we aardiger zeggen: carrièrebewust, weerde hij zich al vroeg binnen de Anti-Revolutionaire Partij, dus in de politiek, dus in de openbaarheid. Anders dan gebruikelijk voor een jong iemand begon hij rechts, en keerde zich bijvoorbeeld met de hand op de bijbel van Kuyper en Talma tegen een verplichte ouderdomsverzekering, om zich pas in de loop van de jaren zestig te ontwikkelen in de richting van een meer progressief ideeëngoed. Maar de richting leek vooralsnog ondergeschikt aan een hoger doel: de publieke zaak.

En juist de publieke zaak zou hem de das omdoen. In 1959 werd hij Kamerlid, dus zijn naam kwam in de krant. In de AR-fractie - regeringsfractie tijdens de kabinetten van De Quay, Marijnen, Cals, De Jong én Biesheuvel - liet hij zich, ofschoon voorlopig backbencher, niet onbetuigd. Zijn naam werd bekender. Al gauw vestigde de televisie zich als het medium bij uitstek voor politici die zich nader wilden profileren. Ook Aantjes liet zich voor de camera graag tot een bekende Nederlander van het Binnenhof maken. En met de dag werd de kans groter dat het Bekende Gezicht herkend zou worden door de paar honderd landgenoten die zich hem nog herinnerden van de NSB-speldjes op het Rotterdamse schoolplein, of van Güstrow, of van het aanmeldingsbureau van de Germaanse SS in Hamburg, of Van Port Natal - en die allemaal een eigen reden konden hebben (van wrok en jaloezie tot verontwaardiging of vaderlandsliefde) om hem z'n Haagse roem te misgunnen.

Wanneer precies de verhalen over het belaste oorlogsverleden voor het eerst zijn opgedoken, is waarschijnlijk niet meer te achterhalen. In De val van een bergredenaar van Roelof Bouwman wordt als vroegste moment 1959 genoemd, toen Bruins Slot, politiek leider van de AR en hoofdredacteur van Trouw, een van z'n verslaggevers om een vertrouwelijk onderzoek had gevraagd naar vermeende 'jeugdzonden' van het pasbeëdigde Kamerlid. Die naspeuringen leidden tot niet meer dan informatie over 'kwajongensstreken op het Marnix-gymnasium en het zich melden voor de Arbeitseinsatz'. Vervelend misschien, maar geen halszaak.

De interessante vraag is natuurlijk wanneer Aantjes wist dat het verleden, en meer speciaal de zorgvuldig verzwegen details, hem op de hielen zat.

Dat moet in ieder geval uiterlijk eind 1966 zijn geweest, toen partijvoorzitter Berghuis hem vertelde opgebeld te zijn door advocaat Henk Dolk, een schoolgenoot van het Marnix-gymnasium, die door de telefoon niet veel meer had willen onthullen dan de 'kwajongensstreken' waarover Bruins Slot al was ingelicht. Zolang het om dat soort kattekwaad ging, wilde Aantjes het grif toegeven, maar hij ging nog een stap verder: hij schreef een lange, vrome brief aan Dolk waarin hij erkende in 1940 wel even nodig te hebben gehad 'voordat ik het totale karakter van de oorlog als in wezen een strijd van geestelijke aard doorzag', en zijn oude schoolkameraad uitnodigde voor een menselijk gesprek. Dat was tactisch natuurlijk briljant: hij had het initiatief hernomen. Dolk liet het er voorlopig ook bij zitten.

Het jaar daarop bereikte het balanceren op de rand van de politieke afgrond zijn voorlopig hoogtepunt: Aantjes werd door kabinetsformateur Piet de Jong gepolst voor de post Volkshuisvesting.

Het verbazingwekkende is dat hij niet meteen nee zei, al moet hij beseft hebben dat er op z'n minst een summier antecedentenonderzoek zou volgen.

Dolk hoorde het nieuws op de radio, en stuurde zijn oude schoolmakker een 'dreigtelegram'. Maar achter z'n rug werd De Jong via Biesheuvel gewaarschuwd door Berghuis, en ook achter z'n rug onthulden twee ex-gevangenen van Port Natal per brief aan de AR-top de ware toedracht van het zo zorgvuldig verzwegen vluchtverhaal. Vooralsnog hielden de prominente mannenbroeders, nadat ze Aantjes ermee geconfronteerd hadden, het geheim van de Germaanse SS voor zichzelf. Aantjes ontkende trouwens. Maar na zich een week lang bijna minister te hebben kunnen voelen, liet hij in een persbericht weten dat hij 'om gezondheidsredenen' voor de eer had moeten bedanken.

Hoeveel sterker was zijn ambitie dan de angst om door de mand te vallen?

Het ministerschap kon hij uit z'n hoofd zetten (de komedie zou zich in 1977 bij de mislukte formatie van Den Uyl-II overigens nog een keer herhalen; toen werd hij zelfs voor Justitie genoemd), maar de carrière haperde nauwelijks. Als fractievoorzitter van de ARP en later nog even het CDA speelde hij met verve de rol van waakhond tegenover het 'gedoogde' kabinet-Den Uyl, en van een soort herdershond die ten tijde van Van Agt-Wiegel de loyalistische anti-revolutionairen bij de christen-democratische kudde moest houden. En intussen had hij bij de totstandkoming van het CDA geglorieerd als de enige en ware kampioen van het evangelisch richtsnoer in de politiek.

Allemaal in het volle licht van de publiciteit. Allemaal knarsetandend aangehoord en aangezien door de getuigen van het Marnix-gymnasium en Port Natal. En allemaal vriendelijk gedoogd binnen de Haagse 'kaasstolp' waar langzamerhand vrijwel iedereen, van politicus tot journalist, wist dat er in ieder geval iets in Aantjes' verleden niet helemaal in orde was geweest.

Hoe heeft die man met een geheim dat allang 'op straat' lag, om nog maar te zwijgen van de mogelijke knagingen aan z'n geweten, in godsnaam kunnen functioneren?

Het antwoord zou van de biograaf moeten komen, maar met alle respect voor de wijze waarop Roelof Bouwman - met medewerking van Aantjes zelf trouwens - de dramatische geschiedenis van de gevallen bergredenaar heeft opgetekend: dat mysterie heeft hij niet onthuld gekregen. De in 1978 zo rauwelijks (en deels op basis van onvolledige of ronduit onjuiste feiten) door Lou de Jong en zijn trouwe bijrijder Van der Leeuw ontmaskerde Aantjes blijft het hele boek door iets onbegrijpelijks en sfinxachtigs houden - tot en met z'n jarenlange, half vernederende, half beschamende pogingen om toch nog weer een eervoller baantje uit de wacht te slepen dan het voorzitterschap van de Kampeerraad, dat hem als een broodkruimel werd toegeworpen. Z'n ware geheim zal hij vermoedelijk in het graf meenemen.

De val van een bergredenaar is een méér dan smakelijk journalistiek relaas, maar als 'opgekrikt' proefschrift een beetje onder de maat van een wetenschappelijke biografie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden