Het geëngageerde theater de rug toegekeerd

Frithjof Foelkel is theoretisch fysicus en zweefvlieginstructeur en zo staat het ook op de kaft van zijn eerste roman: 'Frithjof Foelkel (Beekbergen, 1945) is theoretisch fysicus en zweefvlieginstructeur.' Dat is een combinatie van betrekkelijk uitzonderlijke vaardigheden die je vandaag de dag niet al te vaak bij beginnende schrijvers aantreft....

Je verwàcht er wat van. Een analytische geest, een vaste hand, en een blik, die zo'n schrijver als een arend feilloos de zwakste prooi in de kudde der mensen doet vinden. Maar de vraag is natuurlijk wat Foelkel (spreek uit als foelkel) met deze kwaliteiten dòet in Onder de pannen, zoals hij zijn eerste boek heeft genoemd.

Heel wat, kan ik al wel verklappen.

Als in een ouderwetse, negentiende-eeuwse roman begint Onder de pannen met het vinden van een manuscript door een 'bezorgster', die het onder het ontzielde lichaam van een fysicus ziet liggen. In wat volgt vertelt hìj zijn verhaal over de jaren zestig in Amsterdam, een stad die hij de rug heeft toegekeerd, om zich in de afzondering van het platteland aan zijn gedachten (en zijn moestuin) te wijden.

Van meet af aan laat deze fysicus, die Iwan Winston Kollektief heet, er geen misverstand over bestaan - zijn verhaal begint met een bezoek aan de psychiater - dat ten tijde van Beatrix' huwelijk, het geëngageerde theater en de vaak ondernomen vlucht naar het platteland, een vleugje waanzin door Nederland woei, een linkse bries, die in menig hoofd vooral verwarring heeft gesticht.

Dat doet je een relativerende, spottende en satirische toon verwachten, en die hóór je ook, maar nergens in Onder de pannen geeft Foelkel daaraan de schrille klank van het al te humoristische of kolderieke. In zijn observaties en reflecties blijft zijn Iwan, die het voor een theoretisch fysicus opvallende uiterlijk van een commando heeft, luchtig serieus en laat hij het aan die bevlogen jaren-zestig-lieden zelf over zich al of niet belachelijk te maken.

Door zich volledig in Kollektief te verplaatsen, verschaft Foelkel inzicht in het geplaagde leven dat deze man leidt te midden van de vertegenwoordigers van de Amsterdamse intelligentsia en benadrukt hij diens isolement, dat in Kollektiefs huisje in de bossen ('onder de pannen') een definitief karakter krijgt. Binnen en buiten, afstand en nabijheid worden in een nooit simpele, maar wel heldere stijl, die zich moeiteloos naar de compositie voegt, zo goed weergegeven dat de lezer het obsessieve karakter van deze eenling met zijn rare naam steeds beter gaat begrijpen (Meulenhoff, ¿ 34,90).

Van de schrijver Simon Bottema, ook een debutant, weten we alleen dat zijn naam een pseudoniem is. Zo staat het op de achterkant van zijn roman De rectrix, een prikkelend boek, omdat het over de veel besproken 'Barlaeus-affaire' gaat. Menigeen zal zich herinneren dat op die school, tegen de wens van het personeel en de leerlingen in, door de dienstdoende linkse wethouder een vrouw als schoolleider werd geparachuteerd, wat tot flinke ruzies leidde.

Zo althans vertelt Bottema het en uit zijn gedetailleerde kennis van zaken, moet je haast wel afleiden dat hij langdurig mee achter de schermen van het Barlaeus heeft gekeken (en zich nu misschien wel schuilhoudt omdat hijzelf de ontslagen lerares Nederlands aan het 'Anna Bijns Gymnasium' is).

De rectrix is een keurig, traditioneel-realistisch verhaal, waarin Bottema voldoende venijn weet te stoppen - vooral gericht aan het adres van politici en quasi-gestudeerde bemoeials die het allemaal zoveel beter weten dan de man of vrouw voor de klas - om voor iedereen die iets met het middelbaar onderwijs te maken heeft, genietbaar te zijn. Ondanks zijn satirische schetsen van leerlingen en leraren maakt Bottema geen karikatuur van de school, omdat, vermoed ik, hij het onderwijs, de leerlingen en de docenten (op de droogstoppelige 'lesboeren' na) te zeer een warm hart toedraagt. Maar een nette wraakoefening - zonder al te schokkende 'onthullingen' - is De rectrix zeker (Meulenhoff, ¿ 32,90).

Er is nòg een geruchtmakend debuut, deze week: Twee hoofden, één kussen van Hans Aarsman, de fotograaf Hans Aarsman, die van zich deed spreken met zijn prachtige fotoboeken Hollandse taferelen (1989) en Aarsmans Amsterdam (1993). Aarsman schreef altijd al - omdat hij zijn gedachten en zijn persoonlijke mijmeringen niet altijd helemaal in zijn foto's kon leggen -, maar nu heeft hij zijn camera aan de wilgen gehangen en wil hij alleen nog maar schrijver zijn. In Twee hoofden, één kussen levert hij met zijn beschouwelijke manier van schrijven over zichzelf, de dood van zijn vader en de vele vrouwen in zijn (Amsterdamse) leven het bewijs dat zijn nieuwe Muze hem al meteen aan haar boezem geprangd heeft (Van Gennep, ¿ 29,90).

Er wordt niet alleen gedebuteerd. Graa Boomsma bijvoorbeeld, bijna beroemd door zijn proces, doet al wat langer mee. Hij publiceerde een nieuwe verhalenbundel De geest van lavendel. Met wisselend succes, maar met groeiend vakmanschap laat hij daarin zien hoe onder invloed van de Amerikaanse literatuur - die hij veel leest en waarover hij regelmatig schrijft - zijn stijl losser wordt, zodat hij makkelijker een mengeling van 'innerlijk' en 'uiterlijk', 'heden' en 'verleden', 'schrijven' en 'vergeten' - zijn thema - tot stand weet te brengen (Prometheus, ¿ 24,90). Wim Zaal, een routinier, beschrijft in Onnozele kinderen de hartverscheurende lotgevallen van drie kinderen die als een mythe of sprookje de geschiedenis zijn ingegaan: Lodewijk XVII, Victor van Aveyron en Kaspar Hauser (De Arbeiderspers, ¿ 29,90). En de boekverkoper Ad ten Bosch - een tijdlang bezitter van het Athenaeum-fonds van Johan Polak - vervolgt met zijn vertelling over een Nederlandse jongen die het hier als graficus niet kan vinden en naar Canada emigreert, zijn autobiografische trilogie (Nachtwind, Meulenhoff, ¿ 29,90).

Autobiografisch is ook het relaas van Milo Anstadt, die in 1920 in de Poolse en nu Oekraïense stad Lwów geboren werd, over zijn jeugd in Polen, en in Amsterdam (Jonge jaren, Contact, ¿ 39,90). En H. C. ten Berge begint zijn verzameling 'dagboekbladen' en 'veldnotities' met de bekentenis, dat al zijn reizen verzonnen zijn. 'Groenland, Polen, Mexico - ik ben er nooit geweest. Avonturen aan den lijve? Vergeet het maar. . . ik lijd aan een onmetelijke reisangst, die me belet de landsgrenzen te overschrijden.' Ooit schreef hij, zegt Ten Berge: 'Alles wat hier staat is fictie, met inbegrip van de feiten.' En, voegt hij daaraan toe: 'Zo is het. Hoe men het ook wendt of keert, elk feit wordt vroeg of laat fictie. Alleen de verbeelding is echt, merkte William Carlos Williams op.' De lezer is dus gewaarschuwd (De honkvaste reiziger, Meulenhoff, ¿ 39,90).

Deze en andere boeken, ik zal er straks nog een paar noemen, mogen er wezen. Maar eerst aandacht voor iets dat met de aanduiding 'monument' zwak is gekarakteriseerd: De bloemen van het kwaad van Charles Baudelaire in de vertaling van Peter Verstegen.

Het is voor het eerst dat van alle Fleurs du mal, ook de wegens vermeende obsceniteit verboden gedichten, Nederlandse verzen zijn gemaakt, en wie in deze prachtige uitgave van bijna zeshonderd bladzijden begint te lezen, zal merken dat Verstegen een ongelooflijke prestatie heeft geleverd.

De lezer kan dat gemakkelijk constateren, omdat naast de vertaling het Franse origineel, op basis van de Pléiade-editie, is afgedrukt. Je zou dus kunnen zeggen, dat je met deze editie niet alleen de Nederlandse vertaling in huis haalt, maar ook een volledige Franse weergave van Les fleurs du mal, waarin Verstegen ook de in bepaalde edities weggelaten Les épaves ('Wrakstukken') heeft opgenomen.

Het is hier niet de plaats om uitgebreid op de aard, het niveau en de invloed van Baudelaire's poëzie in te gaan. Wel zou ik nog even de twee jaar geleden bij Ambo uitgekomen biografie Baudelaire in herinnering willen roepen, waarin Claude Pichois en Jean Ziegler onze poète maudit zoveel achtergrond verschaffen dat zijn werk, en vooral De bloemen van het kwaad, er des te meer door kan gaan leven. De kunstkritieken die Baudelaire schreef zijn eveneens, in zes delen, verschenen bij uitgeverij Voetnoot, volledig vertaald beschikbaar. Zoals bekend wordt ook door de Historische Uitgeverij in Groningen een editie van Les fleurs du mal voorbereid, maar ik vrees dat daarvoor na het werk van Peter Verstegen nauwelijks nog belangstelling zal bestaan, omdat elke geïnteresseerde nu vanzelfsprekend de gebonden Van Oorschot-editie koopt (¿ 79,-; er is ook een paperback-editie).

Na zo'n boek als De bloemen van het kwaad kan het wat mij betreft rustig even stil zijn in boekenland, want op deze bladzijden valt zoveel te lezen, te speuren, te vergelijken (tussen de Franse en de Nederlandse tekst) en dient zich zozeer de mogelijkheid aan om je nu eindelijk eens, of eindelijk weer, in deze poëzie te verdiepen, dat er nauwelijks tijd voor iets anders overschiet. Voor mij waren dat dan ook maar een paar boeken.

In de eerste plaats de vertaling van Einstein lived here (Einstein woonde hier) van de Einstein-biograaf Abraham Pais. Het aardige van dit boek, dat niet zo sprankelend vertaald is - wat misschien ten dele op rekening van Pais geschreven kan worden, die niet zo'n briljant stilist is - zit 'm voor mij in de kritiek die Pais levert op de veld winnende gedachte dat Einstein voor zijn grote ideeën wellicht iets te veel aan zijn eerste vrouw, de Servische Mileva Marië, te danken heeft gehad. Pais weerlegt dat, op goede gronden. Wel blijft hij, zoveel jaar na het voltooien van zijn biografie, met een ànder vraagstuk zitten. Wat is er van het eerste, buitenechtelijke, kind van Einstein en Mileva Marià terechtgekomen?

Met verbazing heb ik het hoofdstuk gelezen over de vooraanstaande plaats die Einstein al heel snel in de wereldpers kreeg toebedeeld. Waarom? Niemand begreep immers wat zijn werk behelsde. Misschien was het wel zo, laat Pais weten, dat hij zo populair werd, òmdat niemand iets van zijn werk begreep. Dat raadsel maakte hem bekend, en die (on)bekendheid werd zijn roem. Onvoorstelbaar vaak werd Einstein geïnterviewd. Over van alles en nog wat, maar natuurlijk nooit over de relativiteitstheorie (Bert Bakker, ¿ 49,90).

Déze theoretische fysicus voert ons terug naar het begin, maar daarmee is de mij toebemeten ruimte, al of niet krom, nog niet rond. Dit is geen natuurkunde. Het gaat hier om een hooguit tijdelijk te stuiten woordenvloed, om Gedachten van Giacomo Leopardi (1798-1837), heel mooi uitgegeven in de reeks Privé-Domein (AP, ¿ 29,90); om 1919, het tweede deel van de trilogie USA van John Dos Passos (De Boekerij, ¿ 49,90); om een nieuwe bundel, Nuweling, en een herdruk van de Versamelde gedigte van Elisbeth Eybers (respectievelijk Querido, ¿ 25,- en Van Oorschot, ¿ 49,90); om Ulverton, een dikke historische roman van de Britse schrijver Adam Thorpe (Nijgh & Van Ditmar, ¿ 49,90); om. . . te veel om op te noemen. Want de boekenweek is op komst en dus zwelt de vloed weer aan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden