Het gedraai van de vernieuwingspolitie

Nu onderwijsvernieuwing en autonomie hun frisse bijklank hebben verloren, zie je de onderwijsbobo’s snel bijdraaien. Ineens blijkt het niveau wél te zijn gedaald....

Aleid Truijens

Decennialang werden critici afgeserveerd. Opeenvolgende ministers, hoofdinspecteurs van onderwijs en bobo’s uit de vernieuwingsindustrie zeiden het elkaar na: met het niveau van ons onderwijs was he-le-maal niks mis. Kijk maar naar vergelijkende internationale onderzoeken!

Wie daaraan twijfelde, was een verzuurde doemdenker. Bèta-hoogleraren, bijvoorbeeld, die het wiskundeniveau van hun eerstejaars zagen afnemen en moesten bijspijkeren. Leraren die slimme 12-jarigen in de brugklas aantroffen die niet konden spellen en geen staartdeling konden maken. Dat waren allemaal conservatieven met een nostalgische hang naar de jaren vijftig die niet beseften dat kinderen nu ‘anders’ leren.

Intussen stapelden de bewijzen van het tegendeel zich op. De tussentijdse toetsen van het Cito (‘de PPON-peilingen’) lieten een daling zien. De uitslagen van een taal- en rekentoets onder eerstejaars pabo-studenten brachten vorig jaar een schok teweeg: meer dan de helft van de studenten haalde niet het niveau van goede basisschoolleerlingen in groep 8. Natuurlijk tuimelden we in de internationale vergelijkingen, zoals de ‘PISA-ranking’: de 10-jarigen daalden bij leesvaardigheid in zes jaar tijd van de tweede naar de twaalfde plaats. Deze week bleek uit een onderzoek van de HBO Raad dat niet alleen pabo-studenten, maar ook andere hbo’ers bedroevend scoren op reken- en taaltoetsen.

Eindelijk moeten de Onderwijsraad en de minister het toegeven: het niveau daalt. Nederlandse kinderen worden steeds slechter in taal en rekenen. Een commissie, onder voorzitterschap van Heim Meijerink, vindt dat moet worden vastgelegd wat kinderen minimaal moeten kunnen en weten. Was dat dan niet zo? Nee. Dat waarover je iets moest leren stond in wollig omschreven ‘kerndoelen’, die zwegen over wát je dan moest leren. Dat werd overgelaten aan ‘de professional’.

Nu woorden als onderwijsvernieuwing en autonomie hun frisse bijklank hebben verloren en ouders in de gaten krijgen dat zij niet blind op de voortreffelijkheid van de professional kunnen varen, zie je de onderwijsbobo’s snel bijdraaien.

Kete Kervezee, tot 2007 hoofd van de Onderwijsinspectie en nu voorzitter van de Primair Onderwijs Raad, beweert nu dat er eerder signalen waren dat het niveau daalde, maar met haar vorige pet op hield ze haar mond. Haar inspectie fungeerde als een vernieuwingspolitie. Wie wel eens inspectierapporten van basisscholen leest, komt daarin stelselmatig, vooral bij scholen die het uitstekend doen, de berisping tegen dat zij ‘frontaal’ lesgeven en dat de 4- tot 12-jarigen er – oh schande – ‘geen verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen leerproces’.

Kervezee geeft nu ‘de jeugdcultuur’ de schuld. Al dat ge-sms en ge-msn, daar leert een kind toch niet van schrijven? En ze lezen niet meer! Dat het aan de kwaliteit van het basisonderwijs ligt, mag niet hardop worden gezegd.

En wie is Heim Meijerink? Behalve oud-hoofdinspecteur was Meijerink, na het mislukken van de basisvorming, voorzitter van de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming, die moest redden wat er te redden viel. In zijn rapport, in 2004 aangeboden aan de vorige minister, ging het niet over basiskennis en niveauverhoging. Zijn commissie pleitte voor ‘vakoverstijgend onderwijs’, in de vorm van projecten. Schoolvakken als geschiedenis en natuurkunde moesten plaatsmaken voor leerdomeinen als ‘mens en maatschappij’ en ‘natuur’. Samenhang was belangrijker dan vakkennis, het aantal kerndoelen werd verlaagd en de scholen moesten deze vooral zelf invullen.

Een wendbaar mens, Meijerink. Zijn jasje wappert vrolijk met de tijdgeest mee. Nu vindt hij dat ‘de grens’ aan de autonomie van de scholen is bereikt en pleit hij heel hip voor een ‘canon’ van basisvaardigheden. Zijn commissie wil dat er, ook in het voortgezet onderwijs, doorlopend getoetst gaat worden op rekenen en taal. Maar met testen verander je niets. Het gevaar is groot dat scholen bijspijkerinstituten worden voor basiskennis die, het woord zegt het al, op de basisschool verworven had moeten zijn. Zo komen vakken als Frans, geschiedenis en literatuur in de verdrukking.

Op de basisschool zit het grootste probleem. Het moet toch mogelijk zijn kinderen in acht jaar te leren lezen, schrijven en sommen maken? Kennelijk niet: 10 procent van de achtstegroepers zit nu onder hun veronderstelde niveau – een idioot percentage.

Zolang kennisoverdracht op de pabo’s van minder belang wordt geacht dan reflecteren op je attitude, zakt het niveau van de juffen en meesters, en daarmee het rendement van de basisschool. Dat geldt niet alleen voor de ‘basics’. Pabo-studenten die de route vmbo-mbo hebben gevolgd, bijvoorbeeld, hebben zelden literatuuronderwijs gehad. Als die student op de pabo jeugdliteratuur niet opneemt in zijn ‘persoonlijk ontwikkelingsplan’, blijft dat zo. Eenmaal voor de klas zal zo’n leerkracht niet enthousiast kinderboeken lezen met de klas. En dan lezen ‘ze’ niet meer.

Verhoog in godsnaam het niveau van de pabo’s. Dat is een betere investering dan een doorlopende testmachine te maken van middelbare scholen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden