Het gat van de Stadsschouwburg Amsterdam moet weer een theater van belang krijgen

Er is geen sfeer, de loop is er uit en er gebeurt niets belangwekkends. Het is al jaren mis met de Amsterdamse Stadsschouwburg....

door Hein Janssen

'BIJNA 100 procent zaalbezetting voor Wilhelmina: Je Maintiendrai.'

Het persbericht dat onlangs werd verstuurd was van een zeldzame opgetogenheid. 'De serie van elf voorstellingen die eind december in de Stadsschouwburg van Amsterdam is gespeeld, trok een ongekend hoge score van 99,8 procent zaalbezetting.'

Ongekend hoog is dat percentage zeker. Het publiek trok weer massaal naar het Leidseplein en nog wel voor een toneelstuk. Dat zal binnenkort weer gebeuren als Hamlet van het Nationale Toneel langskomt (vijf keer uitverkocht) en afgelopen zaterdag tekende De Bruiloft door De Paardenkathedraal ook voor een zaalbezetting van 100

procent.

Een volle schouwburg, het is een feest. Maar vaker is hij halfvol, of

nog minder. Het lopende toneelseizoen is tamelijk grijs, maar de malaise in de Amsterdamse schouwburg is wel erg groot. De Komedie van

de liefde (Nationale Toneel), Rouw past Elektra (Noord Nederlands Toneel), Bérénice (Zuidelijk Toneel) en Franciska (Het Toneelhuis) stonden avond na avond voor slecht gevulde zalen.

Er is veel mis in de schouwburg. Er is geen sfeer, de loop is eruit, niemand heeft het gevoel dat er iets belangwekkends gebeurt. Sinds het vertrek van directeur Cox Habbema, nu al weer bijna drie jaar geleden, is het gebouw in handen van anonieme ambtenaren die ongetwijfeld hard werken, maar het eerste toneelhuis van het land hebben ze er niet van gemaakt.

Er wordt keurig geprogrammeerd, elk toneelgezelschap komt langs, maar

er is geen visie, geen flexibiliteit. Waarom staat de mislukte Komedie van de liefde er een hele week te verpieteren, terwijl Dirk Tanghes De Bruiloft minstens drie keer zou uitverkopen, maar slechts één keer te zien is? En waarom blijven na afloop van zo'n feestelijk volle avond de foyers gesloten, zodat het publiek niet even kan napraten maar door glimlachende suppoosten richting uitgang wordt gedwongen? Waarom wordt sinds kort de koffie uit automaten getapt en is ze derhalve niet te zuipen? Waarom staat er geen grote vaas bloemen in de hal?

Vragen, vragen, vragen.

De antwoorden komen hopelijk binnenkort. Binnen enkele weken verschijnt het rapport-Lawson, dat van groot belang is voor de toekomst van de Amsterdamse Stadsschouwburg. George Lawson, topambtenaar bij het ministerie van OCW, onderzoekt in opdracht van de gemeente Amsterdam hoe het verder moet met de schouwburg en ook met Toneelgroep Amsterdam (TGA). Het onderzoek spitst zich toe op de bouw van een nieuw vlakke-vloertheater op het terrein tussen de schouwburg en de Melkweg.

Dat dit nieuwe theater er komt, staat zo goed als vast, omdat zowel TGA als de gemeente er voorstander van is. Lawson onderzoekt echter ook een nieuwe organisatiestructuur. Gaan gezelschap en gebouw een fusie aan? Komt er een directeur die baas is over zowel groep als gebouw, de eerste Nederlandse intendant dus? Of houdt TGA zijn eigen artistieke leiding en krijgt de schouwburg een directeur die ervoor moet zorgen dat er cultureel weer iets te beleven valt op het Leidseplein?

Cultuurwethouder Jikkie van der Giessen heeft al laten weten dat het rapport-Lawson het laatste rapport over de schouwburg moet zijn. Al twintig jaar is er gedoe rond het gebouw en het huisgezelschap, het wordt tijd knopen door te hakken. De aversie van TGA tegen de beperkingen van het negentiende-eeuwse lijsttoneel is genoegzaam bekend, evenals het toenmalige gebakkelei met Cox Habbema. Toen Habbema na tien jaar directeurschap opstapte, brak het moment aan om gezelschap en gebouw nader tot elkaar te brengen.

Maar weer weifelde de gemeente en ontstond een status-quo die tot op de dag van vandaag duurt. Al die tijd heeft de schouwburg geen gezichtsbepalende directeur, maar een hoofd administratie die de taken waarneemt. En daarom bivakkeert TGA op het Westergasfabriekterrein, waar het zo begeerde vlakke-vloertheater gevestigd werd. Aan deze beschamende politiek van uitstel en afstel moet nu maar eens een eind komen, zo vindt iedereen. Alle hoop is dan

ook gevestigd op George Lawson.

'ER KOMT een plan aan dat prachtige mogelijkheden biedt voor zowel het gebouw als voor het gezelschap.' Dat zegt Gerrit Korthals Altes, de invloedrijke zakelijk leider van TGA. Hangende het onderzoek wil hij verder niets kwijt, maar zijn nauw verholen optimisme zegt genoeg. Bijvoorbeeld dat het vlakke vloertheater tussen schouwburg en

De Melkweg er zal komen, en dat TGA daarvan de vaste bespeler wordt. Het betekent ook dat het gezelschap als zelfstandige organisatie zal blijven bestaan, en dat er geen fusie zal komen. De grote vraag is of

TGA dan ook de baas wordt over de hele schouwburg en dus ook de grote

zaal met die vermaledijde toneellijst zal moeten bespelen.

Voor zo'n model pleitte onlangs het 'Pamflet over de Toekomst van het

Toneelbestel' waarin theatermakers als Theu Boermans, Ger Thijs en Johan Simons onder leiding van Felix Rottenberg voorzetten gaven voor

een geheel nieuw toneelbestel. Daarin moet plaats zijn voor een groot

nationaal toneelgezelschap met Amsterdam als standplaats, waarbij theater en gezelschap in één hand zijn. Klassiek en modern repertoire

moeten worden afgewisseld met 'experimentele concepten, statements en

producties van buitenlandse gastregisseurs'.

Rottenberg vindt de Amsterdamse schouwburg uniek in Nederland. 'Je kunt dit theater niet vergelijken met dat in Hengelo of Tiel. Daar moeten ook Frank Boeijen en Tineke Schouten een plek krijgen. Aan het

Leidseplein moet een echt toneelhuis komen, daar heeft de stad recht op.

'Het is toch belachelijk dat Ten Oorlog! van de Blauwe Maandag Cie. niet in Amsterdam te zien is geweest. Onder auspiciën van voorheen Toneelgroep Amsterdam moeten straks die twee zalen bespeeld worden. En succesvolle producties moeten terug kunnen komen, dat gebeurt in Nederland bijna niet. Hier wordt een stuk drie maanden gespeeld en dan verdwijnt het voorgoed. Zo'n schouwburg zou ook een belangrijke functie kunnen hebben in het totale culturele klimaat op en rond het Leidseplein.'

Dat laatste is Theu Boermans, artistiek leider van De Trust, volledig

met hem eens. 'Het Leidseplein moet worden terugveroverd op de patatcultuur. In de wandelgangen hoor ik dat Lawson zal aandringen op

een verregaande samenwerking met De Melkweg, maar ook De Balie en Paradiso moeten erbij worden betrokken. Het Plein moet weer een artistieke invulling krijgen.

'Maar de schouwburg moet op de eerste plaats weer een band met het publiek krijgen. De ''voor elk wat wils''-programmering van nu is verwarrend. Het huisgezelschap zal duidelijke keuzen moeten maken en daarnaast moet er een flink budget komen voor het naar Amsterdam halen van belangwekkende nationale en internationale theaterproducties.'

MEER AANDACHT voor wat er elders in de wereld gebeurt, is voor velen een vereiste. In die zin geldt de Rotterdamse Schouwburg zoals die de

afgelopen tien jaar is geleid door Carol Alons als voorbeeld. Daar ontstond een podium voor toneel, dans en opera, met veel aandacht voor het buitenlands aanbod - van Jan Fabre tot de Royal Shakespeare Company.

In DeSingel in Antwerpen gaat men nog een stapje verder, daar zijn zeer regelmatig producties van belangrijke Europese, vooral Duitse regisseurs te zien.

Carel Alons werkt inmiddels bij de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, maar geldt in theaterkringen nog steeds als een autoriteit. 'Wat wij probeerden in Rotterdam had eigenlijk in Amsterdam gemoeten:

een podium in de hoofdstad waar alles wat in dit land en daarbuiten op toneelgebied gemaakt wordt en interessant is te zien moet zijn. Een theater met een helder profiel dat ook aanjager is voor kleine groepen, een nieuw publiek kan bereiken en dat het debat over het belang van het theater stuurt.

'Ik denk overigens niet dat gebouw en groep één organisatie zou moeten worden. Je moet TGA niet dat hele gebouw geven, want dan is er

onvoldoende waarborg voor die belangwekkende programmering. Geef die nieuwe zaal aan TGA, en laat de schouwburgdirecteur de grote zaal programmeren.'

Merkwaardig genoeg is het niet zo lang geleden dat de schouwburg dat eerste toneelhuis was. Tussen 1973 en 1984 vierde het Publiekstheater

er triomfen onder leiding van Hans Croiset en Gerrit Korthals Altes. Maar ook het Nationale Ballet en de Nederlandse Opera waren toen nog huisgezelschappen en trokken een breed publiek. Bij hun vertrek naar het Muziektheater viel er een groot gat.

Croiset: 'Met Het Publiekstheater hebben we toen zeven, acht uitverkochte jaren gehad. De crisis begon toen het publiek van 800 naar 500 per avond zakte, een aantal waar veel groepen nu een moord voor zouden doen. Maar ik wil geen nostalgische terugkijker zijn - dat was toen, de tijd van de oude gezelschappen is voorbij, er is nu een andere aanpak nodig.

'Als dat vlakke-vloertheater er komt, is de discussie over het lijsttoneel eindelijk afgelopen en kan het klassieke en moderne repertoire weer een kans krijgen. Er is meer publiek dan een altijd uitverkochte schouwburg kan herbergen, daarvan ben ik overtuigd. In het laatste Holland Festival zag ik De Kersentuin van Peter Zadek, vijf keer per jaar moet zoiets groots hier toch te zien zijn. We hebben zoveel gemist in al die jaren.'

Suggesties genoeg, maar wie moet dat straks allemaal gaan waarmaken? Wie maakt van de Stadsschouwburg weer dat podium waar het gebeurt, waar je absoluut gezien moet worden, zowel op het toneel als in de zaal?

Rottenberg pleit voor een tweemanschap, een combinatie zoals ooit bestond tussen Carel Alons en Jetta Ernst en die in Rotterdam prima heeft gewerkt. 'Wat Amsterdam nodig heeft, is een intendant met een grote artistieke inbreng, en naast hem de gedroomde zakelijk leider. Artistieke grilligheid is daarbij een vereiste - grillig, gedurfd en eigenzinnig moet het worden. En er moet een soort Ajax-gevoel ontstaan - dat we weer trots zijn op dat gebouw, omdat er goed theater wordt gemaakt.'

Theu Boermans vindt een intendant minder voor de hand liggend. Hij ziet eerder een artistiek leider die niet per se zelf regisseur hoeft

te zijn. 'Of het huidige TGA ook automatisch het huisgezelschap moet worden, weet ik niet. Het zou goed zijn als er nieuwe gezichten komen. Ikzelf? Dat is niet aan de orde. Het gaat goed bij De Trust en

ik zie geen reden weg te gaan.'

Croiset: 'In Amsterdam heb je iemand nodig met de kwaliteiten van Gerard Mortier of Claus Peymann. Ja hoor, die zijn ook in dit land te

vinden.'

NATUURLIJK circuleert er een lijstje met namen. Frans Lommerse (Toneelschuur Haarlem), Theu Boermans, Carel Alons, George Lawson zelf, het duo Ivo van Hove-Jacques van Veen (Holland Festival), ze worden allemaal genoemd maar niemand geeft toe kandidaat te zijn of te willen zijn. Behalve Ronald Klamer, zakelijk leider van Het Toneel

Speelt, en uit dien hoofde nu al kantoor houdend in de schouwburg. Als ze hem vandaag bellen, dan komt hij morgen voor een gesprek.

Klamer: 'Maar zoiets hoor je natuurlijk niet te zeggen, daarover moet

je volgens de code altijd een beetje nuffig doen. Het is, denk ik in alle bescheidenheid, ook niet aan de orde. Dat soort benoemingen is meestal politiek. Maar ik vind er wel wat van. Er moet een artistiek leider komen met de ruimhartigheid om én Rijnders én Boermans én Van Hove én Guy Cassiers voorstellingen te laten maken. Iemand met artistiek inzicht, een intellectuele visie op de functie van het theater en die ook nog iets van management weet en met centjes om kan

gaan.'

Vele vingers wijzen richting Ivo van Hove en Jacques van Veen. Deze combinatie heeft vorig jaar met hun eerste Holland Festival immers bewezen dat ze in elk geval weten hoe een gebouw bestaansrecht krijgt, met spraakmakende producties en met op het eerste gezicht misschien triviale maar o zo belangrijke elementen als een restaurant, een goed theatercafé en bloemen in de hal.

Van Hove wil traditiegetrouw niets zeggen over zijn toekomstplannen. Hij is directeur van het Zuidelijk Toneel en artistiek leider van het

Holland Festival, 'dus u begrijpt dat ik op dit moment achter mijn bureau zit met allerlei paperassen en dat ik genoeg om handen heb'.

Maar hij heeft wel een opvatting over hoe het met de schouwburg zou moeten. 'Amsterdam is een wereldstad en voor het Nederlandse theater bestaat internationaal grote belangstelling. Een duidelijk herkenbare

toneelschouwburg is dus een noodzaak. Bovendien komt de stad een theater te kort. Als die middenzaal met vlakke vloer er straks staat,

kan het toneel weer een herkenbare plek krijgen. Degene die dat theater gaat leiden moet met een open oog naar Nederland en naar de wereld kijken, en een goed contact met het huisgezelschap hebben.'

Voor Jacques van Veen, die voordat hij bij het Holland Festival kwam jarenlang gerespecteerd schouwburgdirecteur in Groningen was, is het nu of nooit. 'Er wordt al twintig jaar over de toekomst van de schouwburg gepraat. Ik hoop dat het rapport Lawson ertoe leidt dat de

politiek eindelijk eens knopen doorhakt. Amsterdam is dermate rijk dat het moment om grote daden te verrichten is aangebroken.'

Wordt vervolgd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden