Het gaat om de vrieslucht die anders ademt

Alles vertraagt in de winter. Lopen gaat langzaam - het is ploegen door sneeuw - water stroomt niet, bloed nog wel, maar sloom....

Toine Heijmans

Het plankier hoort bij een schuilhut, mooi op een richel naast de Aiguille du Midi. Het is een armzalig onderkomen van hout en metaal. Binnen koken zes zwijgende alpinisten sneeuw. Urenlang roeren ze in pannen. Sinds het moment dat ze kwamen binnenklossen op hun zware plastic schoenen, maken ze thee en soep en nog meer thee, verwarmen onafgebroken instantmaaltijden en eten daarbij worst en kaas. Eten en drinken, drinken en eten tot de nacht valt.

Er is geen kachel in de schuilhut, elektrisch licht evenmin. Gasbranders maken blauwe schaduwen op tafel. Het vriest wat. Men knutselt aan een kapotte ski. Denkt aan morgen. Nu en dan staat een alpinist op, doet de deur open, stapt op het plankier en staart naar de vallei, die zo wit is onder de sterren dat ze licht geeft in het donker. Mooie dingen worden mooier in de winter. Zelfs diep in de nacht, wanneer je kotst van de koppijn en de hoogteziekte, is het uitzicht prachtig.

Er wordt niet veel geklommen in januari. Omdat het dan zo koud is. Toch is er veel te doen. Ter tafel komt de Franse winterklimmersbijbel Neige, glace et mixte (sneeuw, ijs en gemengd, waarmee rots wordt bedoeld). Uit deze gids valt veel te kiezen. De winter maakt onmogelijke routes mogelijk: ze legt ijs en sneeuw in steile geulen, die couloirs worden genoemd. 's Zomers zijn couloirs vaak instabiele afvoergoten waar stenen naar beneden komen, in de winter vriezen de stenen vast en worden de geulen beklimbaar voor wie daar lol in heeft.

Het is een gids van rugzakformaat, waarin per berg vrijwel alle routes zijn beschreven en volgens een ingewikkeld systeem worden gewaardeerd naar moeilijkheidsgraad. De Japanse couloir op de Grandes Jorasses bijvoorbeeld heeft de waardering VI 6, wat kortgezegd neerkomt op: extreem lang, slechte condities, gecompliceerde rotsformaties, dun ijs, moeilijk zekeren, bron van gevaren, alleen voor de besten. Laaglanders kiezen dan liever een AD (assez difficile - moeilijk genoeg) of een fraaie D (difficile - voor degenen met een zekere tred in steil ijs).

Het Mont Blancgebied barst van de couloirs. Mooie witte strepen op bruinrode rots. Ze vereisen wel een bepaalde benadering: winterklimmen is anders dan klimmen in de zomer. Een zomeralpinist klimt met een houweel, zoekt veelal de rotsen op en maakt lange toeren naar toppen van hoge bergen.

De winterklimmer gebruikt twee korte bijlen met een gebogen doorn, en staat met de punten van zijn stijgijzers in steil ijs. Een hele gereedschapskist gaat mee naar boven; aan de gordel rammelen karabiners, abseilachten, rotshaken en ijsboren. Die worden in het ijs gedraaid - of geslagen - en dienen als zekeringspunt voor het touw. Bij een val blijven ze vaak zitten. De naklimmer draait die boren er weer uit - omdat ze honderd gulden per stuk kosten - en zo gaat het tot aan de top.

Winterdagen hebben het nadeel dat ze kort zijn. Daarom moet het klimmen snel - tussen negen en vijf. In de zomer is een nachtelijk noodbivak onhandig, in de winter kan het dodelijk zijn met deze temperaturen. Daarom maken winterklimmers graag gebruik van kabelbanen, die hen aan het begin van de dag rap omhoog brengen, en na afloop snel naar het dal.

Een mooie baan is die van Argentière naar de Grands Montets. Bovenaan begint een zwarte skipiste, maar die is niet interessant. Interessant is wel de Petite Aiguille Verte, een naald van 3512 meter hoog met aan de achterzijde een aardig rijtje couloirs. Tot chagrijn van de skiërs en tot geluk van de klimmers is er weinig sneeuw, hooguit enkeldiep, zodat de tocht naar de berg eenvoudig blijft.

Onderaan ligt de Bergschrund, de plaats waar de gletsjer zich losmaakt van de berg, een diepe, soms onzichtbare scheur van tientallen meters diep die voorzichtig overwonnen moet worden. Nog iets hoger begint de couloir NE Pointe de Gigord - AD, 300 meter ijs, met aan het eind une belle escalade rocheuse, wat verstaan moet worden als een zware rotspassage. Onder de koningsblauwe hemel ziet het er allemaal geweldig uit.

IJsklimmen is leuk als er ritme in komt. Bijl-bijl-voet-voet, ijsboor indraaien, touw eraan hangen, bijl-bijl-voet-voet. Dat houdt de klimmer warm. Maar de sneeuw zit niet mee. Die ligt als een dikke laag poedersuiker over het ijs, zodat de stijgijzers zich nauwelijks vastbijten en de boren ook niet blijven zitten. Doorklimmen tot een rotspunt is het enige alternatief. Om een rotspunt kan een bandlus, en daaraan kan een klimmer hangen. Halverwege de couloir, hangend aan een rotspunt, kijk je midden in de winter op een vredige wereld. Beneden de dichtgesneeuwde Argentière-gletsjer, boven nog honderd meter ijs en een belle escalade rocheuse.

Jammer van de poedersneeuw. Jammer dat de zon al naar het westen neigt en lange schaduwen maakt. Wie de laatste kabelbaan wil halen, moet terug naar beneden.

Het is geen moeilijke beslissing. Het gaat niet om de top. Het gaat om de vrieslucht die zo anders ademt, en het hoofd weer helder maakt. Alles vertraagt in de winter - zelfs een gevoel van geluk blijft langer hangen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden