‘Het gaat niet meer om mij’

Alweer jaren geleden sloeg hij met zijn snoeiharde service tegenstanders van de baan. Inmiddels is oud-tennisser Richard Krajicek ‘vermaatschappelijkt’, zoals hij het zelf noemt....

Nadal, Davydenko en Ferrer. De top van de tenniswereld staat deze week in Rotterdam op de baan. Richard Krajicek regelde de nummers twee tot en met vijf van de wereld voor het ABN Amro-tennistoernooi. De nummer drie, Djokovic, beloofde ook te komen, maar haakte af vanwege een buikvirus.

De nummer één van de wereld is er niet. ‘Federer is te duur. Dan kunnen we die anderen niet meer betalen.’ Maar volgend jaar staat hij misschien wel in Rotterdam. Want Krajicek sleepte als directeur de prestigieuze ‘500-status’ in de wacht voor zijn toernooi: vanaf volgend jaar krijgt de winnaar in Rotterdam meer punten voor de wereldranglijst. Dankzij deze nieuwe status zitten andere toernooien hem niet meer in de weg én stijgt het prijzengeld.

‘De week is alles’, legt hij uit. Is er een belangrijker toernooi elders in de wereld, dan komt de tennistop niet. Die status met weekgarantie is de hoofdprijs voor een toernooidirecteur. Het is het resultaat van een jaar intensief lobbyen met tennisbobo’s die elkaar regelmatig opzoeken tijdens toernooien over de hele wereld. ‘Dan ging ik gewoon in een hotellobby rondlopen om iemand van de bond tegen het lijf te lopen. Hé wat een toeval, jij hier?’

De rest van het jaar vult hij met zijn Richard Krajicek Foundation. Hij tennist nog in het veteranencircuit, begeleidt als sportersmakelaar de carrière van jonge tennissers, werkt voor de sportdesk van ABN Amro (een service van de bank speciaal voor topsporters) en schrijft columns en boeken. Zoals het autobiografische Harde Ballen, waarin hij bijzonder open vertelt over bijvoorbeeld zijn vader, die hem als jonge tennisser klaar drilde voor een profcarrière. Ze spraken elkaar jarenlang niet.

Het is een document geworden, voor zijn kinderen. ‘Wil je weten hoe papa was, nou, ga dit maar lezen.’ De spanning van het tennissen op het hoogste niveau vindt hij in het geven van lezingen, waarin hij ook al erg persoonlijk is.

Vanwaar toch die openheid?

‘Ik zou niet over de relatie met mijn vader praten als die nu niet goed was. Ik vind het niet erg om over iets te praten als het is opgelost. Maar als ik echt ergens mee zit, dan wil ik daar niet over praten. Je hoeft niet alles te delen. Het is wel een heel mooi, openhartig boek. Over een paar maanden ga ik er nog eens in teruglezen. Haha, wat dat betreft ben ik wel blij met mezelf, blijkbaar.’

Je bent gestopt in 2003. Hoe lang heeft het je gekost om een nieuwe levensinvulling te vinden?

‘Een half jaar. Dat klinkt kort, maar ik moest vooral emotioneel de omschakeling maken. Ik moest even wennen aan het feit dat ik niet meer tenniste.’

Werk was er wel?

‘Ja. Invulling was er. Door mijn bekendheid en Wimbledon kreeg ik veel aanbiedingen. Het toernooi, de sportdesk van ABN. En m’n Foundation had ik al. Gelukkig hoefde ik niet ook nog te bedenken wat ik kon gaan doen.’

Je noemt het ‘even wennen’? Was het niet wat heftiger, een zwart gat, zoals ze dat noemen?

‘Nou, ja. Drie, vier maanden had ik het echt zwaar, emotioneel. Het was heel moeilijk, want ik moest doorfunctioneren en zelfs interviews doen. Dan laadde ik me enorm op om vrolijk te zijn, terwijl ik thuis eigenlijk zat te piekeren over de toekomst. Alsof ik een soort dubbelrol speelde. Ik moest me realiseren dat ik werk kon doen dat dicht bij tennis lag, dat maatschappelijk relevant was. Ik moest ‘vermaatschappelijken’.’

Je moest tijd nemen om afscheid te nemen van je tenniscarrière, maar je bent niet heel veel blijven tennissen. Waarvan moest je dan afscheid nemen?

‘Van het competitieve, jezelf overwinnen, de hoogte- en dieptepunten. Je geeft je ziel en zaligheid in zo’n wedstrijd. Dat kan soms helemaal verkeerd uitpakken, dat je toch verliest. Maar die strijd, de wedstrijdstress die je dacht niet te missen, die mis je juist.’

Is er een andere sport waar je goed in had kunnen zijn?

‘Dat weet ik niet, maar de competitie trok mij meer dan de sport zelf.’

Want anders zou je nu ook nog vijf dagen per week een balletje slaan?

Ja, maar tennis is natuurlijk een lastige sport. Met elkaar afspreken en iemand van je niveau vinden.’

Iedereen wil toch met jou tennissen?

‘Ja, zij wel met mij, maar ik niet met hen. Ze moeten wel goed genoeg zijn, iemand waar ik lekker mee kan tennissen.’

Als McEnroe naast je zou wonen, zou je vaker op de baan staan?

‘Ja, haha. Ik heb m’n eigen fitness hier of ik stap op de racefiets en ga een paar uur fietsen, dat zijn leuke, makkelijkere dingen en vooral fysiek minder moeilijke sporten voor mij. Wel zwaar op de spieren, maar niet op m’n gewrichten.’

Kun je de stress die je zo mist ook nu weer vinden in de dingen die je doet?

‘Nee, nu is het anders, ik moet aan veel meer dingen tegelijk denken, die nog even bellen, dat nog even regelen. Vroeger had ik niet eens een agenda. Het was heel simpel, trainen, goed eten en daarna op tijd naar bed. Maximaal tien mensen hadden mijn nummer. Ik was onbereikbaar en hoefde aan niemand te denken. Ik was alleen met mezelf bezig.’

En nu ben je ineens onderdeel van een groep?

‘Vroeger draaide alles om mij. Ik had mensen om mij heen verzameld die mij goed moesten maken. Als het met mij goed ging, was dat ook goed voor hen. Nu werk ik in een team, ben ik onderdeel van een groep die ervoor zorgt dat het toernooi een succes wordt. Ik ben een schakel die kan bijdragen aan succes, maar het gaat niet meer om mij.’

Is dat moeilijk, die nieuwe rol?

‘Ja en nee. Ja, omdat ik me in het begin met alles wilde bemoeien. Communicatie, operationeel, ik bemoeide me overal mee. Ik was helemaal kapot na het eerste jaar. Oververmoeid. Je moet je sterke punten en je beperkingen kennen en dat heb ik het eerste jaar geleerd.’

En die sterke punten zijn?

‘Alles rond de spelers en het netwerk binnen het tennis: wat goede spelers zijn, hoe je die benadert en hoe je het budget daarvoor moet uitgeven.’

Je bent goed in netwerken?

‘Dat weet ik niet. Ik ben er goed in omdat ik ben wie ik ben binnen het tennis. Iedereen kent mij, het is voor mij heel makkelijk om contacten te leggen. Ik weet niet of ik dat ook zou hebben bij een vreemde sport. Ik ga wel goed om met mensen, maar ik weet dus niet of het komt door mijn persoonlijkheid of door mijn prestaties.’

Je bent vanaf je derde jaar ongeveer erg intensief gecoacht. Hoe is het dan als je stopt? Dan is er ineens geen coach meer.

‘Ja, inderdaad. Toen ik in die zware periode zat heb ik wel eens gedacht: ik ga met iemand praten, een coach op gebied van wat je met je loopbaan wilt. In een andere fase van mijn tenniscarrière heb ik wel met een psycholoog gesproken. Dat vinden mensen vaak een teken van zwakte. Onzin. Hulp vragen is juist sterk. Het is goed om te durven toegeven: ik kan dit niet oplossen.’

Je was een van de eerste spelers die een heel team bouwde om zichzelf.

‘Nou, de eerste* Ik zag het bij andere spelers, zoals Agassi, Sampras, de toppers. Die doen het zo, dus wilde ik ook een goede coach en conditietrainer. Ik wilde niet op mijn 35ste terugkijken op m’n carrière en dan denken: dat en dat heb ik niet optimaal gedaan. Dus ik nam een goed team en probeerde voor mijn gevoel alle aspecten van mijn spel te verbeteren. Ik wilde geen spijt hebben. Spijt is het ergste dat er is.’

Is dat iets wat je ook in topsport leert? Zo eerlijk kijken naar je prestaties?

‘Je wordt constant geconfronteerd met jezelf. De enige manier om te verbeteren is als iemand je een spiegel voorhoudt. Dat vind ik een groot verschil met het bedrijfsleven. Als je goed tennist, kun je bij wijze van spreken binnen een half jaar bij de eerste tien van de wereld staan, maar een half jaar later kun je weer rond de honderd staan. Het is een snel systeem van belonen en straf. Nee, dat is niet het goede woord. Verliezen of zo. Het is heel hard.

‘Op de werkvloer zie ik dat mensen met zachte hand reageren. Zo van: het is redelijk goed, maar het kan beter. Daar heb je als tennisser niks aan. Een partij is een momentopname van twee uur. Dan kun je keihard hebben getraind en alles van tevoren goed hebben gedaan, maar als je gedurende die twee uur niet presteert* Dan krijg je meteen te horen: je was niet scherp, je werkte niet hard genoeg.

‘De verloren wedstrijd is die spiegel. Als jij naar je werk gaat, en je hebt geen goede dag, dan doe je gewoon de wat minder belangrijke dingen. Dan kan zo’n dag redelijk ongemerkt voorbijgaan. Bij tennis kan dat niet. Slechte dag? Wedstrijd verloren. Einde verhaal.’

Kun je nog wel ergens zo’n kick uithalen?

‘Nee, maar ik zie te veel leuke dingen in wat ik nu doe, ik ben er ook klaar mee. Als ik seniorentennis doe, ben ik meteen weer stijf en voel ik pijn. Maar dit jaar had ik het tijdens de Australian Open (het eerste Grand Slam-toernooi van het tennisseizoen, elk jaar gehouden in januari, red.) voor het eerst in lange tijd wel even moeilijk. Misschien is dat een zwaar woord, maar het was de eerste keer sinds ik gestopt ben dat ik echt dacht: goh, ik mis het, het was toch wel mooi.’

Stel dat je Wimbledon niet had gewonnen, zou je dan net zo voldaan terugkijken op je carrière als je nu doet?

‘Als ik geen titel had gehaald, had ik daar wel over nagedacht, denk ik. Gefrustreerd is niet het goede woord, maar ik heb nu wel peace of mind. Wim-bledon maakt gewoon alles goed.’

Je hebt het weleens over de ‘Samprasfase’ gehad. Alles goed doen zonder erover na te hoeven denken. Hoe vaak speelde jij zo?

‘Je probeert zoveel mogelijk zo te spelen. Mijn service was een slag waar ik niet over nadacht, maar ik had weleens wedstrijden waar het niet ging. Dan zat ik tijdens de wissel te denken: wat doe ik fout vandaag?’

Word je dan slechter, van dat nadenken?

‘Als je denkt: ik moet niet te dicht bij de lijn serveren, dan word je automatisch slechter. Zodra je gaat nadenken gaat het eigenlijk niet goed. Je moet niet boven je kunnen proberen te spelen. Dat is heel belangrijk. Ken je sterke punten, en vooral: ken je beperkingen. Dat heb ik wel geleerd. En weet wanneer een sterk punt nog een sterk punt is. Mijn forehand was mijn sterke punt. Vooral als iemand op m’n backhand sloeg en ik eromheen moest lopen, inside-out heet dat, daar kon ik veel punten mee maken. Maar als ik vanuit alle hoeken opeens probeerde voor de winst te gaan, dan ging ik fouten maken, dan kende ik mijn beperkingen niet.’

Je geeft ook lezingen voor het bedrijfsleven. Gaan die daar over?

‘Ik vertel vooral over mezelf. Eigenlijk praat ik al vijf jaar over mezelf. Die speech ga ik binnenkort maar eens aanpassen.’

Je geeft al vijf jaar dezelfde speech?

‘Als het goed is, zijn het niet dezelfde opdrachtgevers. (lacht) Het gaat over mijn leven, hoe ik opgegroeid ben, hoe mijn vader tegen presteren aankeek, hoe je met tegenslagen en succes omgaat. Hoe je met spanning omgaat, of hoe ik ermee om ben gegaan, daar komt het eigenlijk op neer. Ik vertel dat het belangrijkste is dat je beslissingen moet durven nemen. Dat je als je er later op terugkijkt denkt: ik heb het maximale gedaan, ik heb gedurfd. Ik heb namelijk het gevoel dat je meer spijt hebt van de dingen die je niet doet, dan van de dingen die je wel doet. Het andere dat ik belangrijk vind: wat je ook kiest in het leven, kies in ieder geval voor je passie.’

Doe jij dat nu ook, voor je passie kiezen?

‘Ja. Ik heb in mijn ogen de mooiste baan die ik kan bedenken om toch bij tennis betrokken te zijn. De enige andere manier die ook mooi zou zijn, naast toernooidirecteur en manager, is coach. Maar dan moet je 40 weken per jaar reizen, dat wil ik niet met mijn familie.’

Je werkt veel thuis. Ben je een soort huisman?

‘Ik maak ’s ochtends boterhammen, we eten samen. Soms slaapt Daphne nog, of niet. Ik doe dan alles, breng de kinderen naar school. En dan ga ik aan de slag.’

En je vrouw, werkt zij veel thuis?

Alleen maar eigenlijk. Ik reis iets meer, ik ben iets meer van de afspraken. Zij schrijft alleen maar. Tot een half jaar geleden was Daphne alleen maar thuis (Richard Krajicek is getrouwd met Daphne Deckers, ex-fotomodel en schrijfster van kinder- en pedagogiekboeken, red.). Nu presenteert ze het tv-programma Holland’s Next Top Model. Dat was voor het eerst in augustus en de opnamen beginnen weer.’

En je politieke ambities? Je wilt minister van Sport worden. Is dat een serieuze wens?

‘Jazeker, ik vind dat er een ministerie van Sport moet komen. Ik hoef niet per se zelf de minister daarvan te zijn, hoor. Ik praat al met de VVD.’

Waarom een ministerie?

Sport is belangrijk. Het is een bindende factor, kijk maar naar het EK of de Olympische Spelen. En in de strijd tegen overgewicht kan sport een belangrijke rol spelen, vooral bij kinderen. Verder heeft sport een sociale functie, juist ook op lokaal niveau. Dat is eigenlijk wat mijn Foundation doet met het bouwen van sportveldjes in aandachtswijken. Het verhoogt de leefbaarheid van de wijk.

‘In Zuidoost ken ik bijvoorbeeld een vrouw, Tinie Slager, die twee kinderen zag tennissen op straat. Ze is naar ze toegegaan en heeft gezegd: ik weet wat van tennis, willen jullie tennisles? Ze is met ze gaan tennissen, die jongens hebben het aan hun vriendjes verteld, de week daarna kwamen zes kinderen, de week daarna twaalf en opeens waren het er veertig, vijftig. Zuidoost zag dat en ze betalen haar nu ook. Wij hebben een playground voor haar aangelegd. Het werkt.’

Je wilt die kinderen leren dat je door sporten kunt presteren?

‘Ze leren met elkaar om te gaan. Discipline, samenwerken in een groep, luisteren naar een trainer en leren dat als je je goed gedraagt, je een beurs, stage of baan kunt krijgen bij onze Foundation. Rolmodellen zijn het belangrijkste dat er is. Als iemand uit een wijk succes heeft, dan is dat een gigantische stimulans voor de rest.’

Hoe reageren ze bij de VVD?

‘Die begrijpen het.’

En waarom de VVD?

‘Dat is mijn partij.’

Aandachtswijken, leefbaarheid? Dat doet denken aan de prachtwijken van PvdA-minister Vogelaar.

‘Ja, maar ik ben opgegroeid met de VVD, mijn ouders zijn het communisme ontvlucht. Ik zal niet zo snel naar een partij aan de linkerzijde neigen.

‘Kijk, ik heb geen verstand van politiek, ik zou ook nooit minister van iets anders kunnen zijn. Integratie, daar komt zoveel meer bij kijken, dat is echt politiek. Sport, daar durf ik met iedereen een discussie over aan, daar weet ik gewoon heel veel van af.’

Als het ministerschap niet doorgaat, kun je nog wel een tijdje door bij het ABN Amro-toernooi. Je voorganger was 20 jaar directeur. Of ga je met vervroegd pensioen? Financieel is werken geen noodzaak.

‘Ik ben pas 36, weet je. Nu heb ik in mijn hoofd dat ik tot mijn 50ste moet doorgaan. Tegen die tijd kijk ik wel wat er gebeurt. Misschien wil ik dan nog wel langer door. Tegelijkertijd hou ik mijn familieleven in het oog. De weekenden, ochtenden en avonden ben ik gewoon altijd thuis, op donderdagmiddag ben ik ook altijd vrij, dan tennis ik met mijn zoon. Ik probeer dat echt zo goed mogelijk te doen, tijd voor mijn familie te maken.

‘En ja, thuiszitten, dat vond ik juist zo moeilijk toen ik net gestopt was. Je kunt maar zo vaak je cd’s op orde maken. Je wilt gewoon bezig zijn, onder de mensen zijn en ergens winst uithalen. Een overwinning halen, dat vind ik het leuke aan die voordrachten en lezingen. Een voordracht geven is het slechtste dat ik kan. Dat heb ik echt moeten leren. Nog steeds ben ik elke keer gespannen. Dat is misschien wel wat het dichtst bij tennis komt. Dan zit ik me voor te bereiden, alsof je je eigen levensverhaal niet kent.’

Is het spannender dan een Wimbledonfinale?

‘Dat niet. Maar je hebt wel met publiek te maken, en je krijgt meteen die feedback, wat je ook bij tennis hebt, meteen die feedback. Dat je van tevoren denkt: dit wordt niks en het loopt als een trein. Dan overwin je iets, je twijfel. Ik vind dat leuk om te doen.’ *

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden