Het erfgoed van Thijsse

Natuur is er niet veel in Nederland, maar ideeën over hoe zij moet worden beheerd des te meer. De afgelopen eeuw heeft de natuurbescherming echter meerdere malen hetzelfde wiel uitgevonden, zo blijkt uit de geschiedenis van het Nederlands natuurbeleid....

IS ER EIGENLIJK iets nieuws onder de zon in het natuurbeleid? In de jaren tachtig werd het uitzetten van grote grazers en bevers met veel tamtam gepresenteerd als een doorbraak. Maar al in 1935 zette de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten raven uit in wat nu het Nationaal Park Veluwezoom is.

En in 1946 pleitte de bioloog V. Westhoff ervoor om elanden te introduceren op Voorne. Het verschil is dat terreinbeheerders nu enthousiast wilde paarden en runderen toelaten, terwijl Natuurmonumenten in 1946 het voorstel van Westhoff afdeed als 'onschuldige fantasie'.

Dat er in menig opzicht inderdaad weinig nieuws onder de zon is, blijkt uit het boek En dan: wat is natuur nog in dit land?, waarop de Groningse bioloog H. van der Windt vrijdag is gepromoveerd. Het boek behandelt de ontwikkeling van het natuurbeleid sinds het einde van de vorige eeuw. De ondertitel luidt dan ook: Natuurbescherming in Nederland 1880-1990.

Veel vragen waarover nu gesproken wordt, zijn zo oud als de natuurbescherming zelf. Wat is natuur? Hoe heeft de Nederlandse oernatuur eruit gezien? Mag je de natuur een handje helpen of moet die zich ongestoord kunnen ontwikkelen? Mag je in natuurgebieden jacht en veeteelt en rietsnijden toelaten? Is natuur met landbouw en bosbouw te combineren? Welke strategie moet je volgen om zoveel mogelijk natuur te beschermen? Al die vragen zijn de afgelopen eeuw in steeds wisselende vorm aan de orde geweest.

Het jaartal 1880 uit de ondertitel slaat op de Wet Nuttige Dieren, de eerste wet in Nederland die met bescherming van soorten te maken had, al waren het dieren die van nut werden geacht voor de landbouw. De enige organisatie die toen iets aan natuurbescherming deed, was de in 1864 opgerichte Dierenbescherming. In de landbouworganisaties vond zij toen nog een partner om voor invoering van de wet te pleiten.

De echte geschiedenis van de natuurbescherming begint later. In 1896 verschijnt het eerste nummer van De Levende Natuur, het blad van E. Heimans en Jac. P. Thijsse. In 1899 wordt de Vereniging tot bescherming van Vogels opgericht, in 1901 de Nederlandse Natuurhistorische Vereniging en in 1905 Natuurmonumenten, de organisatie die decennia lang het gezicht is geweest van de Nederlandse natuurbescherming.

Van der Windt vat de geschiedenis van de natuurbescherming nogal beperkt op. Na enkele hoofdstukken over de voorlopers en het ontstaan van de natuurbescherming deelt hij het onderwerp in vijf thematische hoofdstukken in: de discussie binnen Natuurmonumenten over het beheer van reservaten, de relatie tussen natuurgebieden en de rest van het landelijk gebied (met name de landbouw), de bosbouw en het nieuwe fenomeen natuurontwikkeling, en ten slotte het Amoebe-model, een grafisch model voor de bescherming van de natte natuur, waarmee Rijkswaterstaat sinds 1989 furore maakt.

Hij laat diverse belangrijke ontwikkelingen onbesproken. De ondertitel is dan ook te pretentieus. De bevolkingsgroei en de daaruit voortvloeiende verstedelijking komen nergens ter sprake, net als de industrialisatie en de ontwikkeling van de infrastructuur.

In een geschiedenis van de Nederlandse natuurbescherming mag bijvoorbeeld de verloren strijd om het vogeleiland De Beer (in de jaren vijftig, het begin van de expansie van de Rotterdamse haven) niet ontbreken, evenmin als het gevecht om de snelweg door landgoed Amelisweerd bij Utrecht.

Maar wat er wel in staat, is de moeite waard. In het hoofdstuk over de voorlopers geeft Van der Windt terecht aandacht aan Frederik Willem van Eeden, de vader van de schrijver Frederik van Eeden, die zich in de vorige eeuw ongeveer als enige in Nederland druk maakte om het kappen van het laatste oerbos, het Beekbergerwoud. Al sinds 1852 beschreef hij in zijn blad Album der Natuur, hoe het 'liefelijke, zwijgende rijk der planten moet plaats maken voor dat van den woelenden en tierenden mensch'.

Aardig is ook de anekdote over de voorzitter van de Nederlandse Ornithologische Vereniging, een baron, die in 1901 tegen verdere bescherming van vogels is. 'Deze is zo'n overtuigd jager dat hij, zo schreef hij eens, niet zou aarzelen een vogel neer te schieten als het gezang ervan hem hinderde.'

Planologische blunders zijn er volop. Zo is er in 1932 een plan geweest om van het Geuldal een stuwmeer te maken voor een waterkrachtcentrale. Nog in 1965 presenteerde de provincie Friesland een plan om dammen te leggen tussen Ameland en de vaste wal, waardoor een belangrijk deel van de Waddenzee kon worden ingepolderd. Daarin stond het Friese provinciebestuur overigens niet alleen. Zelfs bestuursleden van de overkoepelende Contact Commissie voor Natuur- en Landschapsbescherming (CC) pleitten binnenskamers voor inpoldering van de Waddenzee.

Tegenover de blunders staan vooruitziende geesten. Een van hen is de latere commissaris van de koningin in Noord-Holland, R. de Wit, die van 1955 tot 1965 secretaris van de CC is geweest. Al in 1958 valt hij de landbouw frontaal aan met argumenten die nu nog gelden: de landbouw is niet meer rendabel en omdat er geen voedselschaarste meer is, kan ze toe met minder grond. Dan moet de landbouw intensiever worden en concurrerender.

In die jaren was de verhouding tussen landbouw en natuurbeschermers even slecht als nu. Voor de oorlog waren al grote oppervlakten aan woeste gronden ten behoeve van de landbouw ontgonnen: in de jaren twintig 7.500 hectare per jaar en in de jaren dertig 13.000 hectare per jaar. In 1938 wordt een plan gepubliceerd om nog eens 96.000 hectare te ontginnen. Na de oorlog waren het de ruilverkavelingen waardoor waardevolle natuur verdween

Uit die periode stamt een uitspraak van boerenvoorman Engelbertink: 'Ik wou dat jullie al die zeldzame planten op één terrein bij elkaar konden zetten, dan waren we ervan af. Je kunt van mij wel vijf hectare krijgen.' Het dieptepunt in de verhouding werd bereikt met het kapschandaal in Twente. Omdat boeren geen vergoeding kregen voor bomen die ze bij een ruilverkaveling moesten afstaan, kapten ze ze allemaal, waaronder honderden oude eiken.

De meest opmerkelijke vooruitziende geest in het boek is een onbekende bosbouwer uit Breda, Van Schermbeek. Hij schrijft in 1898 een boek, Het Bosch, met opvattingen over bosbeheer die nu bijna letterlijk terug te vinden zijn bij Kritisch Bosbeheer.

De bosbouw moet meer natuurlijk worden, schreef Van Schermbeek. Het bos moet gezien worden als een 'natuurlijk boschverband' en niet als een verzameling bomen. Het oerwoud is het beste bos: uitgestrekt, veelsoortig, met bomen van verschillende leeftijd en een goede humuslaag.

De Bredase houtvester maakte na de eeuwwisseling wel een discussie los maar zijn ideeën haalden het niet. Pas in de jaren tachtig konden groepen als Kritisch Bosbeheer de vernieuwing van het bosbeleid doordrukken. Dit is volgens Van der Windt een van de grote veranderingen die zich in de natuurbescherming hebben voorgedaan.

Een andere is het optreden van Westhoff, die er kort na de oorlog in slaagde een verhitte discussie bij Natuurmonumenten over al of niet ingrijpen in reservaten te beslechten. Van der Windt schrijft uitvoerig en bewonderend over de manier waarop Westhoff, mede door zijn gezag als plantensocioloog, zich als bemiddelaar opwierp voor terughoudend ingrijpen en daarna jarenlang de onbetwiste nummer één van de natuurbescherming werd, al kreeg hij die elanden er niet door.

Een andere doorbraak van betekenis is volgens Van der Windt de natuurontwikkeling, die in de jaren tachtig op gang kwam onder leiding van F. Baerselman en F. Vera. Hun pleidooi om nieuwe natuur te maken door een uitgangspositie te creëren en vervolgens de natuur zichzelf te laten ontwikkelen zonder veel menselijk ingrijpen, heeft op brede schaal weerklank gevonden, vooral toen het Wereld Natuur Fonds deze visie overnam in het plan Levende Rivieren. De aantrekkelijkheid ervan is vooral het idee dat je blijkbaar oernatuur kunt maken.

Maar Van der Windt wijst er tevens op dat de twee doorbraken uit het vorig decennium (het nieuwe bosbeheer en de natuurontwikkeling) voor een deel op toeval berusten. De omvorming naar meer natuurlijke bossen kwam pas goed op gang na de zware stormen van 1972 en 1973, waardoor duizenden hectare naaldhout plat gingen. En de natuurontwikkeling kon haar eerste succes boeken bij de Oostvaardersplassen, een bij toeval ontstaan natuurgebied.

Piet van Seeters

Henny van der Windt: En dan: wat is natuur nog in dit land?

Boom; ¿ 43,50

ISBN 90 5352 132 1

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.