Het enige Russische venster op Europa

DE HOLLANDSE handelsgeest woei in de zeventiende eeuw waarheen hij wilde. Nederlandse zeevaarders en kooplieden voeren vooral oostwaarts, naar Japan en Indië, en de geschiedenis van die handel is grotendeels bekend....

Wie de geschiedenis van die handel nader wil leren kennen, kan nu een interessant boek raadplegen: Archangel - Nederlandse ondernemers in Rusland 1550-1785, geschreven door de Groningse historicus Jan Willem Veluwenkamp, die in de jaren negentig verschillende malen Archangel bezocht om daar documenten in het Staatsarchief van de Oblast Archangel te bestuderen. Zijn eerste reis maakte hij in 1991.

Veluwenkamp gaat allereerst in op de vraag waarom uitgerekend Archangel in het barre Russische noorden in de zeventiende eeuw het belangrijkste centrum voor handel met Rusland werd. Dat had te maken met het feit dat Rusland in die tijd geen haven aan de Oostzee bezat. Tsaar Iwan IV, die ook wel de Verschrikkelijke wordt genoemd, veroverde weliswaar in 1558 de havenplaats Narva aan de Oostzee, maar twaalf jaar later blokkeerden de Zweden deze haven om hem vervolgens te heroveren.

Toen was al bekend dat er ook een andere, maar veel langere zeeweg naar Rusland was, via de Noordkaap en de Witte Zee, waarin, via een brede delta, de Noordelijke Dvina uitmondt. De Engelsman Richard Chancelor ontdekte in 1553 die weg, zodat de Britten door hun Muscovy Company als eersten van tsaar Iwan toestemming kregen via de Noordelijke Dvina handel met Rusland te drijven. Die handel verliep via de markt van het landinwaarts gelegen Cholmogory.

De eerste Nederlander die de Witte Zee probeerde te bereiken, was Philips Winterkoning uit Zeeland. Hij werd onderweg door Russen vermoord. Een andere pionier was Olivier Brunel, die rond 1575 kooplui in Antwerpen voor een handelsroute over de Witte Zee wist te interesseren. Zij stichtten de Compagnie van Moscovia, die in 1578 vier schepen naar de monding van de Noordelijke Dvina stuurde.

De Nederlandse zeevaart naar de Witte Zee werd aanvankelijk gedwarsboomd door Denemarken. Toen een Nederlandse schipper, Claes Jansz van Hoorn, moest vluchten voor een Deens oorlogsschip, voer hij dieper de delta van de Noordelijke Dvina op en ontdekte hij een geschikte ankerplaats bij het klooster van de aartsengel Michael, ongeveer 35 kilometer van zee verwijderd. Het bleek een goede plaats om een haven en een marktplaats aan te leggen. Tsaar Iwan liet er een fort bouwen en 'koopliedenhoven', waar kooplieden konden overnachten en hun waren opslaan. Tsaar Fedor bepaalde dat deze nieuwe plaats, die Archangel werd genoemd, de enige haven zou zijn voor het Russische noorden.

Archangel, schrijft Veluwenkamp, werd, tot de stichting van St.-Petersburg, het 'enige Russische venster op Europa' of, zo men wil, 'Ruslands achterdeur'. En het waren vooral Hollandse kooplieden die deze 'achterdeur' gingen gebruiken. Spoedig overvleugelden ze de Britten. Nederlanders beheersten in de zeventiende eeuw de West-Europese handel met Rusland. In mei voeren ze met schepen vol handelswaar naar Archangel. De reis duurde vier weken. In augustus was het markt in Archangel en werden er zaken gedaan. In september voeren de schepen terug, want de winter begon vroeg en duurde zeven maanden. In die wintermaanden werden de goederen met sleeën naar Moskou getransporteerd, een tocht van vijftienhonderd kilometer.

Het begin van de Hollandse zeevaart op Archangel moet hoogst avontuurlijk en gevaarlijk zijn geweest, maar het spannende verhaal van die avonturen verdwijnt bij Veluwenkamp achter de historische feiten, achter namen en cijfers. Zijn boek is in de eerste plaats een Who is Who van de Nederlandse handel met Rusland in de zeventiende en achttiende eeuw. Wie waren de kooplieden in Antwerpen en later in Amsterdam die schepen naar Archangel stuurden? Wie waren hun compagnons en hun vertegenwoordigers in Moskou? Veluwenkamp noemt ze, zo lijkt het, allemaal.

Op het eerste gezicht zijn al die namen verwarrend, maar al lezende blijkt dat er verbanden bestaan. Zonen zetten de onderneming van hun vader voort, vertegenwoordigers werden compagnons, dochters en zonen van die compagnons trouwden met elkaar. Veluwenkamp spreekt aan het eind van het boek dan ook van 'bedrijfstaksgewijze familienetwerken', waarbinnen 'niet veel morele ruimte was voor wederzijds bedrog'.

Tot degenen die worden besproken, behoren de families Klenck, De Vogelaer en Ruts, en het is verbazingwekkend hoeveel bijzonderheden Veluwenkamp over hun handel en wandel weet te melden. Zo kreeg Georg Everhard Klenck in 1613 van de nieuwe tsaar Michail Romanov een nieuwe handelsvergunning, waarin onder meer stond dat Klenck maar de halve tol hoefde te betalen. Maar Klenck was daarmee niet tevreden en vroeg een jaar later algehele tolvrijstelling. Dit verzoek ging gepaard met geschenken voor de tsaar. In het boek worden niet alleen deze geschenken opgesomd, maar ook die welke Klenck gaf bij het huwelijk van de tsaar.

Het was van groot belang de tsaar gunstig te stemmen, schrijft Veluwenkamp, want die verpachtte de handel in bepaalde 'beschermde' producten. Klenck en De Vogelaer verwierven in 1624 voor zes jaar het kaviaarmonopolie. Deze lucratieve handel wekte de jaloezie van anderen. Veluwenkamp citeert uit een brief van een koopman die aan de tsaar schreef: Klenck 'heeft sijn meesters sulcke schandelijcke rekeninge gebrocht en is soo rijck vande caviaerschade geworden dat hij nu t'Amsterdam rijcker is als sijn meesters'. Klenck werd inderdaad zo rijk dat hij een huis aan de Herengracht kon kopen.

Zijn zoon Coenraet dreef ook handel met Rusland, maar hij maakte ook nog op een andere manier carrière. Hij werd lid van de vroedschap van Amsterdam en in 1675 stuurde de Staten-Generaal in Den Haag hem als buitengewoon gezant met een groot gevolg naar Moskou om de tsaar ertoe te bewegen de benarde republiek te helpen bij de oorlog tegen Frankrijk. Die lange reis via Archangel naar Moskou werd beschreven door Balthasar Coyet, zodat we nu bij Veluwenkamp kunnen nalezen hoe onderweg de verjaardag van stadhouder Willem III werd gevierd: met 'pasteyen, die kunstiglijk gemaakt waren, uit een van de welken levendige Musjes vlogen'.

Een andere reiziger, Cornelis de Bruin, heeft onder meer beschreven hoe de nieuwe, grote koopliedenhoven in Archangel eruitzagen na de verwoestende brand van 1667. Ze werden opgetrokken van witte natuursteen en baksteen en gebouwd rond drie binnenplaatsen. De Bruin heeft ook geschreven over de huizen van de Hollanders en andere buitenlanders in Archangel, waar in elk vertrek een grote kachel stond. 'De meeste ovens zyn zeer groot, en zoo gemaekt, dat het geenen misstant aen de kamers geeft, maer veel eer tot sieraet strekt, alsze fraei gemaekt zyn. Onder die van de overzeesche natie (. . .) telt men alle de genen, die uit Christenryk gereist zich hier onthouden; en zo rein en zinlyk huishouden, als de beste in ons vaderlant doen, sierende hunne vertrekken met schilderyen, en anderen keurlyken huisraedt.'

Deze christenen gingen ook naar de kerk. Eerst voer er een Hollandse predikant mee met de schepen naar Archangel, om aan het eind van de zomer weer te vertrekken. Maar in 1689 kreeg de protestantse gemeente een vaste dominee. Eerder was er al een kerk gebouwd.

De eerste tsaar die Archangel bezocht, was Peter de Grote. Deze tsaar, met zijn grote belangstelling voor West-Europa, onderhield direct contact met Hollandse kooplieden in Moskou, onder anderen met Jan Lups en Christoffel Brants. 'Toen Brants op 4 januari 1702 na de twee weken lange sledereis van Archangel naar Moskou thuis in de Buitenlandse Buurt was aangekomen, kwamen tsaar Peter en zijn gevolg al de volgende dag in acht sleden aangegleden om hem te bezoeken', schrijft Veluwenkamp, zich baserend op het reisverslag van De Bruin.

Het was ook tsaar Peter die Archangel zijn unieke positie ontnam. In de Grote Noordse Oorlog veroverde hij voor Rusland een doorgang naar de Oostzee. Aan de monding van de Neva stichtte hij St.-Petersburg. Voortaan moest het grootste deel van de Russische buitenlandse handel via deze stad geschieden.

Maar Veluwenkamp, die zo zorgvuldig mogelijk de goederenstromen van en naar Rusland heeft geanalyseerd, noemt ook nog andere redenen voor de neergang van de Nederlandse handel via Archangel in de achttiende eeuw. De Hollandse exportnijverheid stortte in, de kooplieden specialiseerden zich in de handel met specerijen en richtte zich vooral op het achterland.

De Nederlandse gemeenschap in Archangel werd steeds kleiner. De Duitse daarentegen groeide. Dit had onder andere gevolgen voor de protestantse kerken. Veluwenkamp: 'Uiteindelijk fuseerden de gereformeerde en de lutherse gemeenten in 1818 tot de verenigde evangelische gemeente - de enige van Rusland. En de Nederlandse gemeenschap van Archangel loste op in de Duitse.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden