Het einde van het eurocentrisme

Non-fictie In een zoektocht naar de bronnen van de democratie belandt Francis Fukuyama in India en China. Door Dirk-Jan van Baar

In de zomer van 1989, nog voor de val van de Berlijnse Muur, verscheen in het blad The National Interest een geruchtmakend essay: 'The End of History?' Francis Fukuyama, toen een onbekende beleidsmedewerker op het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, werd er wereldberoemd door. De auteur plaatste de veranderingsgolven die zich in Oost-Europa aftekenden in historisch perspectief en vroeg zich af of de geschiedenis met de opmars van de liberale democratie een eindpunt had bereikt.


In 1992 werkte hij zijn stellingen uit in een kloek boek, Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. Waar in 1989 nog een vraagteken stond, was dat drie jaar later weggelaten. Het leverde Fukuyama het verwijt op de ideoloog van een 'westers triomfalisme' te zijn, en eindeloze sneren van critici die beweerden dat de geschiedenis helemaal niet ten einde was, maar na de ingevroren verhoudingen van de Koude Oorlog uit zijn winterslaap was ontwaakt. Dat het in Sarajevo, waar in juni 1914 de oerknal van de twintigste eeuw had plaatsgevonden, opnieuw aan het misgaan was, bewees Fukuyama's ongelijk.


Die babylonische spraakverwarring duurt tot op heden voort. Natuurlijk bedoelde Fukuyama dat 'einde van de geschiedenis' niet letterlijk. Hij doelde op de ideeëngeschiedenis, die volgens hem met de liberale democratie zijn hoogtepunt had bereikt. De uitdagingen van fascisme en communisme waren in de twintigste eeuw afgeslagen en daarmee had de democratie zich bevestigd als politieke ordeningsvorm die het meest recht deed aan de aspiraties van moderne mensen.


Fukuyama trad met die gedachte in het voetspoor van de Frans-Russische denker Alexander Kojeve, een interpretator van de Duitse geschiedfilosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel, die met de Franse revolutie al een triomferende democratische Weltgeist ontwaarde. Hegel had die in 1806 in zijn woonplaats Jena in de persoon van Napoleon te paard voorbij zien komen.


Ontdaan van zijn geschiedfilosofische bluf trapte Fukuyama niet meer dan een open deur in, al hebben veel (linkse) intellectuelen het er nog steeds moeilijk mee en is lang niet iedereen ervan overtuigd dat de democratie overal ter wereld levensvatbaar is.


Maar de opstanden in de Arabische wereld hebben laten zien dat het verlangen naar democratie universeel is en het is onzin om in Fukuyama een verkondiger van een kortzichtig Amerikaans triomfalisme te zien. Zijn denken zit vol speelse verwijzingen naar Europese klassieken, inclusief (in kritische zin) Karl Marx, en het grappige is dat Fukuyama's inspirator Kojeve als ambtenaar bij de Europese Commissie in Brussel ging werken nadat hij had geconcludeerd dat er voor hem in de politieke filosofie geen eer meer viel te behalen. Dat technocratische Europa is nu niet bepaald het ideaal van de Amerikaanse neoconservatieven, een intellectuele stroming waartoe Fukuyama werd gerekend, maar waarvan hij sinds de inval in Irak afstand heeft genomen.


Deze voorgeschiedenis is van belang en laat zien dat Fukuyama eerder als 'pundit' dan als onafhankelijk denker tot de verbeelding spreekt. Dat is jammer, want als commentator van de actuele politiek heeft hij niet zoveel opzienbarends te zeggen, terwijl hij als geschiedtheoreticus aan een origineel oeuvre bouwt. Verwacht van Fukuyama geen beleidsadviezen, die kan de wetenschap niet geven. Maar hij kan wel laten zien hoe de wereld in elkaar steekt en zich ontwikkeld heeft tot wat zij is, een onderneming die overigens ambitieus genoeg is.


In zijn nieuwe boek, De oorsprong van onze politiek - Van de prehistorie tot de Verlichting, lijkt Fukuyama enigszins tegemoet te zijn gekomen aan zijn critici. De auteur keert terug naar de geschiedenis, om bij het begin te beginnen. Het wordt de lezer niet makkelijk gemaakt, want een slotakte ontbreekt en komt pas in een tweede deel dat nog geschreven moet worden. Dat vraagt geduld. Met de Franse Revolutie breekt dan het beloofde 'einde van de geschiedenis' aan, waarmee de oudere Fukuyama van nu de jonge Fukuyama van 1989 trouw is gebleven. Gelukkig maar, want de jonge Fukuyama die de geschiedenis op zijn kop zette is mij liever dan de oude, die braaf en conventioneel de geschiedenis weer in de juiste volgorde zet. Met indrukwekkende geleerdheid, dat wel.


Op zoek naar de oorsprong van de democratie steunt Fukuyama op inzichten uit de biologie en de antropologie en ziet hij in de overgang van kleine groepjes jagers naar stamverbanden de eerste menselijke organisatievormen ontstaan. De auteur onderscheidt in de menselijke ontwikkeling drie niveaus voor een politieke orde die een voorwaarde voor effectief bestuur zijn. Een sterke staat, de toepassing van regels en wetten, en een overheid die zich wil verantwoorden.


Fukuyama ziet de eerste sterke staat al in 221 voor Christus, in de Qin-dynastie in het oude China, waar familiebanden werden doorbroken en iets van een onpersoonlijke bureaucratie werd opgericht. Maar een rechtstaat en een overheid die zich wil verantwoorden zijn in China nooit tot ontwikkeling gekomen, waardoor China is blijven worstelen met het probleem van de 'slechte keizer'. Het centrale bestuur kan soms bergen verzetten, maar blijft kwetsbaar voor slechte leiders, tot in onze tijd (Mao) aan toe.


India daarentegen heeft nooit een sterk centraal bestuur gekend, maar wel een 'rule of law' waaraan soms tot in het absurde is vastgehouden. Voor Fukuyama is de Indiase democratie niet geworteld in het Britse kolonialisme (een oppervlakkige zienswijze), maar in de verdeeldheid en diversiteit van het subcontinent.


Door zijn zoektocht in China en India te beginnen, breekt Fukuyama met het eurocentrisme dat in moderniseringstheorieën gangbaar is. Hij doet ook de moslimwereld aan. Het Ottomaanse Rijk, in de negentiende eeuw 'de zieke man van Europa', had aanvankelijk moderne trekken door het creëren van een elitekorps, de Janitsaren, slaven van christelijke afkomst die het verboden werd te trouwen en daardoor alleen loyaliteit aan de sultan kenden. En Fukuyama ziet in de katholieke kerk die in de elfde eeuw het celibaat instelt al een reden waarom Europa een voorsprong op andere werelddelen neemt bij de ontwikkeling naar een rechtsstaat. Allemaal denkstof voor hedendaagse progressieven.


Met de opkomst van Azië is het nuttig om je niet op de westerse wereld blind te staren. Anderzijds vraag ik me af welke nieuwe inzichten dat oplevert. Ook Fukuyama komt uiteindelijk bij de Franse Revolutie uit, heel klassiek en eurocentrisch, en in zijn behandeling van het oude China en India slaat hij geregeld een paar eeuwen over omdat die voor zijn betoog niet van belang zouden zijn.


In die zin redeneert hij nog steeds finalistisch en winkelt hij selectief in de geschiedenis, een manco waarvan hij zich overigens zeer bewust is. En zijn betoog is weer te essayistisch om van een echte (strenge) theorie te spreken. Fukuyama spreekt zelf ook het vermoeden uit dat zijn generalisaties mogelijk geen genade vinden in de ogen van de experts. Ik kan me er alles bij voorstellen, al zijn het oude China en India voor mij terra incognita.


Pas wanneer Fukuyama het middeleeuwse Europa behandelt, komt hij op bekend terrein en weet hij knap allerlei losse draden te verbinden, maar dan verlang je als lezer ook naar 'het einde van de geschiedenis' dat pas in deel twee komen gaat. Ik vraag me af of die hele reis van de prehistorie naar de Verlichting, die ook veel stappen overslaat, wel nodig was.


Vandaar dat ik mijn eindoordeel nog even opschort en uitzie naar de laatste twee eeuwen, waarin de democratie afgezien van een paar voorlopers pas echt een voet aan de grond krijgt. In die context stelde het teleur dat Fukuyama vrijbuiters als Zwitserland en Nederland wel noemt, maar ze niet behandelt, hoewel ze voor de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat al voor 1789 van belang zijn geweest. Voor de liberale conservatief Fukuyama is het sociaaldemocratische Denemarken het ideaaltype, een opvatting waarmee wij in Nederland - dat het nu ook op z'n Deens doet - overigens goed kunnen leven, van PvdA tot PVV.


Het laat tevens zien dat Fukuyama een te breed en elastisch denker is om in partijpolitieke hokjes te worden ingedeeld.


Francis Fukuyama: De oorsprong van onze politiek - Van de prehistorie tot de Verlichting. ***


Uit het Engels vertaald door Robert Vernooy.


Contact; 572 pagina's; € 69,95.


ISBN 978 90 2543 221 8.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden