Het einde van de Unie

Wim Mateman, eigenlijk te rellerig voor de Christelijk-Historische Unie, mag het licht uitdoen. De CHU, 'tuttifrutti minus de verboden vruchten', zoals Henry Faas ooit schreef, sterft niet, maar dooft uit....

'WIE ONDER DE vijftig is, kan zich lekker jong voelen', schreef in de jaren zestig politiek Volkskrant-columnist Henry 'Wandelganger' Faas over een ledenvergadering van de Christelijk-Historische Unie (CHU). Toen al waren er weinig nieuwe leden. Want hervormden voelden zich sterk verbonden met de CHU, maar waren geen lid (wel even snel als ze minister werden), terwijl gereformeerden, hoe lauw ze ook stonden tegenover de ARP, wél lid werden.

Nu komt jaarlijks in nostalgie de CHU-Reéunistengroep bijeen, die zich alleen in de jaren tachtig blijkbaar nog jong genoeg achtte om te protesteren tegen een CHU-'tekort' op de CDA-kandidatenlijst. Tegen de huidige lijst is er wel protest van de Mr. H.K.J. Beerninkstichting, die altíjd bezwaar maakt tegen een 'te links' CDA. Voorzitter L. de Snaijer was eind jaren zestig al een van de leiders van de Centrumgespreksgroep, die de CHU behoudend rechtzinnig en buiten het CDA wilde houden. Een deel van die groep vormde mede de RPF.

Apolitieker, maar al even bejaard is de Hervormde Beraadsgroep, die af en toe bijeenkomt en vooral historische belangstelling heeft. Evenals de Stichting jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman, goeddeels opgebouwd uit ex-bestuurders, maar die mag dan ook het geld dat de CHU na de CDA-fusie overhield, aan CH-historici spenderen.

Met uitzondering van de Beerninkstichting doen deze groepen niet (meer) aan CDA-politiek. Van de Unie is weinig meer dan een reünie over. Wim Mateman is eigenlijk te luid en te rellerig voor de echte Unie, maar hij is wel een van de laatste bekende christelijk-historischen, een feit dat hij zelden vergeet te benadrukken. Hij mag nu het licht uitdoen.

Op de nieuwe CDA-lijst staan nog vijf hervormden, allen nationaal onbekend. De hoogstgeplaatste, op nummer drie, is de Goese huisarts Siem Buijs, CDA-fractieleider in de Zeeuwse Staten, en hij komt vooral in de Kamer om meer geld naar de gezondheidszorg te doen vloeien. Zo eenzijdig had het in de Unie niet eens gekund.

Vóór Mateman waren al weg: Deetman, Van Leijenhorst, 'onderkoning' Wim Scholten, Hans Gualthérie van Weezel (die premier Lubbers in dualistische afschuw 'pappie' noemde) en de overleden senaatsfractieleider Ad Kaland. In de Eerste Kamer, die halfduistere bijkeuken van de politiek, zitten nog wel CHU'ers als Eversdijk, Van Leeuwen (fractieleider) en 'houten' Cees van Dijk, ooit succesvol RSV-enquêteur, maar stroef minister (Lubbers II).

De Unie, een tikje theocratisch, behoudend en kneuterig, maar wel zeer tolerant en onverzuild, was al sinds de late jaren zestig ijler geworden. In het CDA zaten vanaf 1980 wel steeds typische CH'ers, maar zij konden het klimaat steeds minder beïnvloeden. De typisch christelijk-historische mentaliteit, apolitiek, een tikje lief-anarchistisch, maar ook dunhuidig-wereldvreemd, kon alleen opbloeien in een ons-kent-ons-sfeer.

'Het is meer een levenshouding dan een politieke keus', aldus Faas, en bepaald dus geen exportartikel. Zelfs een latere beroemdheid als 'de freule' ofwel 'tante Bob' Wttewaall van Stoetwegen - in 1945 door de oude Tilanus in de politiek gesjord - had aanvankelijk grote moeite geaccepteerd te worden: 'Die kennen we niet.'

Bij de oprichting in 1908 was de CHU al een allegaartje. Er waren theocraten, geleid door Ph. J. Hoedemaker, die Nederland als een protestantse natie onder Oranje zagen, met de dominees van de hervormde (staats)kerk als belangrijkste morele raadgevers. Daar waren allerhande politiserende protestanten, die niet met Abraham Kuypers Doleantie (het ontstaan van de gereformeerde kerken) waren meegegaan. Onder hen veel hervormde predikanten, die juist de felle anti-gereformeerde toon van Hoedemaker mooi vonden.

Ze hadden 'een fameuze hekel' aan Kuyper, aldus jhr. mr. Alexander de Savornin Lohman, de eerste, als parlementariër en 'wijze man', nimmer overtroffen CHU-leider. Lohman was zelf gereformeerd en had begin 1886 nog meegedaan aan Kuypers 'paneelzagerij' in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. Maar Lohman wilde geen straffe organisatie: 'De kerk verdeelt, het Evangelie vereenigt.'

En nog minder wenste hij straffe politieke partijen, waarvan Kuyper de eerste in Nederland had opgericht en die hij als voorzitter probeerde te dicteren vanaf het hoofdredactionele bureau van De Standaard. De 'dubbele namen' in de fractie - er zat veel AR-adel in het parlement - voelden niets voor zulke dictaten, ook omdat Kuyper te zeer begaan was met het volk achter de kiezers, de 'kleine luyden'.

Het conflict groeide. Kuyper overwoog in 1885 af te treden als partijvoorzitter. 'Wat moet ik doen? De club gaat haar eigen weg. Bij verschil valt Lohman mij hard aan, als ware ik een vreemde.' Maar Kuyper liet zich door 'zijn' deputaten met slechts één stem tegen (zijn eigen) herkiezen en de schare zong: 'Dat 's Heeren zegen op u nederdaâl.'

In 1894 was de maat vol. Lohman en andere dubbele namen vonden Kuyper te driest inzake het kiesrecht en splitsten zich af als de Vrij-Antirevolutionairen, die veertien jaar later in de CHU opgingen. Met behoud van de anti-Kuyperiaanse trekken. Geen partij, maar een Unie en nog steeds zeggen oude CHU'ers 'Uniebureau' tegen het CDA-partijbureau.

Geen machtspolitiek: 'Niet de Majoriteit, maar de Autoriteit' (van Gods Woord), werd de leus. Vooral geen fractiediscipline. En liever geen verzuiling - CHU'ers zouden soms naar de openbare school gaan, ook om gereformeerde onderwijzers te ontlopen. Zij werden vaak lid van de algemene boerenorganisaties en niet van de door gereformeerden gedomineerde CBTB. CHU'ers waren meer verzoenend dan strijdbaar en de Unie zou dan ook veel burgemeesters leveren; die voldeden beter aan het profiel.

Dát was de erfenis van Lohman die tot de fusie van 1980 bewaard zou blijven. Er was zoveel (apolitieke) tolerantie dat een kneuterige zwetser soms evenveel te zeggen had als de meest scherpzinnige denker; dat een gemoedelijk en bemind man eerder leider werd dan de scherpzinnige en talentvolle, die te strijdbaar was.

In de jaren twintig was de CHU (na Lohmans dood) vaak scherp verdeeld. De Tweede Kamerfractie maakte de rechtse coalitie vrijwel onmogelijk, onder meer door het gezantschap bij de Paus af te stemmen (Vaticaan-crisis 1926), terwijl tegelijkertijd het samengaan van rooms en rood werd gevreesd. Maar veel CHU-senatoren vonden dat de partij de anti-paapse neigingen moest beheersen terwille van de christelijke eenheid. Het ging er stevig aan toe. De CH-achterban was vooral bang dat 'Rome' door het grotere katholieke kindertal Nederland op den duur zou gaan domineren. De afkeer van de katholieken zou blijven, tot in de jaren zestig de katholieke zuil zichtbaar afbrokkelde.

De Unie leefde vooral op het platteland. De districten Ommen, Ede, Goes, Kampen, Harderwijk, Sneek en Dokkum hadden de grootste christelijk-historische dichtheid. Ook waren vissers in Katwijk en Scheveningen vaak CHU, evenals adel en richesse in de grote steden, die vaak ministers en burgemeesters leverden, maar vooral niet hautain mochten wezen. Slimme mensen begrepen al gauw dat bescheidenheid bij uitstek een CH-deugd was.

Boer Weitkamp werd in 1918 met voorkeurstemmen in de Kamer gekozen, vooral dankzij zijn Overijsselse plattelandspoëzie. Van hem komt de uitspraak dat een boer die twee grassprietjes laat groeien waar er eerst één stond, meer voor het vaderland doet dan alle politici bijeen. Toch was hij steeds vaker op het Binnenhof, het hele interbellum lang.

De journalist D. Hans: 'Als ik 'm zie, denk ik onveranderlijk aan zoo'n dikken knoestigen knotwilg, zooals ze langs onze Hollandsche sloten staan.' Op prinsjesdag verscheen Weitkamp 'in z'n vierkanten trouwjas' onder een 'hoge hoed als een oud-vaderlandsch fregat, tegen alle stormen bestand'. H.J. Tilanus, al in 1922 Kamerlid, vond Weitkamp met al zijn simpelheid een wijs man.

Oud-officier Tilanus gold zelf niet als een groot licht. 'Dat gaat me boven m'n petje', zei hij al gauw, vooral bij economische kwesties. 'Hij bezat de zelfkennis nimmer minister te wilen worden', scheef generaal en staatssecretaris Calmeijer in zijn memoires. Maar Tilanus werd niettemin CHU-leider, nadat de eenzelvige jhr. De Geer zich onmogelijk had gemaakt door als (defaitistisch) minister-president in Londen te drossen.

Tilanus kwam altijd op de fiets naar het Binnenhof en zei bij het einde van de rooms-rode coalitie in 1958: 'Moet dat nu zo?' Hij zou tot 1963 een al te tolerant leider blijven, die zelfs niet zijn best deed om genoeg eigen ministers in de kabinetten te krijgen en die verkiezingscampagnes overbodig vond. Fractiediscipline was verder dan ooit te zoeken.

PvdA-fractieleider Jaap Burger over de CHU: 'Het lijkt een koppel patrijzen: als je een schot lost, vliegen ze alle kanten op.' Tilanus: 'Mijn vogels vliegen wel eens verschillende kanten op, maar zij keren altijd weer op dezelfde stok terug.' Henry Faas noemde de CHU 'tuttifrutti minus de verboden vruchten' en 'het conservatisme in z'n zoetste vorm'.

Veel lastpakken waren inmiddels vertrokken: de intellectuelen Lieftinck en Van Walsum, naar de nieuwe PvdA, en ultra-theocraten als het Kamerlid Krijger naar de Protestantse Unie (die nimmer de kiesdeler zou halen). Een bozig-rechtse groep-Gerretson, die Tilanus en de freule voor 'landverraders' uitmaakte wegens het verlies van Indië, kreeg geen poot aan de grond. Het waren de gouden jaren van de Unie. Men won af en toe zo een zeteltje en was dan apetrots. Zonder een volgend verlies van een zeteltje ernstig te betreuren.

Dit alles veranderde midden jaren zestig. De hoogbejaarde Tilanus trad af. Beernink werd een moeizame leider die de CHU in de oppositie tegen het kabinet-Cals deed belanden. Dat was bijna even hard schrikken als bij de oplaaiende links-rechtsstrijd, de polarisatie in Nederland. Zelfs binnen de CHU, die jongeren (Coos Huijsen) en heuse radicalen telde, waartegen de Centrumgespreksgroep (De Snaijer) werd opgericht. Sommige leden daarvan adviseerden maar niet op de CHU te stemmen, want dan zou Huijsen in de Kamer komen. Kortom, vleugel- en partijstrijd in de Unie, en nog steeds wordt van de 'nare jaren' na 1966 gesproken.

De roomsen waren geen gevaar meer, integendeel, en na de voor alle confessionelen beroerde verkiezingen van 1967 begon het trage fusieproces met de Groep van Achttien. De historicus R.S. Zwart heeft in Gods Wil in Nederland beschreven hoe KVP en AR eind jaren vijftig ieder voor zich hun neo-thomistische en neo-calvinistische ideologie en hun fiere zendingsdrang kwijtraakten en zo vatbaar werden voor links-rechtsgevechten en fusiebewegingen.

Bij de CHU (zonder enige zendingsdrang) moet iets soortgelijks zijn gebeurd. Nederland polariseerde en raakte zichtbaar verder van de 'protestantse natie' af. Vermoedelijk hebben juist de behoudende hervormden het meest geleden onder de schelle veranderingen van de jaren zestig. De puf was eruit. Arcadië lag in puin. 1971 en 1972 brachten steeds groter verlies. Journalisten vonden de Unie vooral om te lachen.

De CHU maakte de minste problemen met de CDA-wording, ondanks de oppositie tegen het kabinet-Den Uyl (1973-1977), dat wel door KVP en AR werd gedoogd. Leider Roelof Kruisinga wist nog goede CHU-plaatsen op de CDA-kandidatenlijst te bedingen, voor hij zich in de formatie van 1977 onmogelijk maakte door zich opzichtig bij de PvdA in te likken. En het CHU-deel van de CDA-lijst zou elk verkiezingsjaar verschralen.

Wim Mateman, die zich na drie termijnen al bijna CDA-leider waande, kan nog nauwelijks als een man van Lohman, Weitkamp en Tilanus gelden. De Unie sterft niet, maar dooft uit.

Jan Joost Lindner

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden