Het effect van zout water op het gemoed

Zet een tenor een zuidwester op de kop, smeer hem schubben aan de broek en zie: daar heb je Peter Grimes....

Aan de zijkant staan de buren al te smoezen, en daar komt ook Ellen Orford aantrippelen, de lieve schooljuffrouw (sopraan). In de verte zingt de misthoorn en bast het orgel. Groeten uit het Katwijk van Benjamin Britten.

Maar makkelijk is het niet, het opvoeren van Peter Grimes. Het blijkt uit de nieuwe enscenering in het Muziektheater, waar de Amerikaanse Francesca Zambello haar best heeft gedaan te ensceneren wat niet te ensceneren valt: het effect van zout water op het gemoed.

Peter Grimes gaat over geweld en psychisch geweld, over kudde en zondebok, over uitsluiting en destructie, over bijbels en boten, over alles wat drama tot drama maakt, en vissersdrama tot vissersdrama. Maar daarmee zijn we er niet, want er is ook iets anders aan de hand, iets dat Peter Grimes tot Peter Grimes maakt. Het is de magie van de zee en de windvlaag, de dreiging van alles wat nat is tegen alles wat droog wil blijven, waarbij voor de mensheid weinig overblijft dan op elkaar te klitten, of anders gek te worden in het Overflakkee van de hel.

Britten, een kenner van de muzikale mogelijkheden van zoutwaterscenario's, voelde instinctief dat hij het effect van water op de mensenziel beter zichtbaar kon maken als hij het eerst hoorbaar maakte.

De magie van de zee vervatte hij in beeldloze, min of meer losstaande voor- en tussenspelen met een sterk atmosferische werking, sea interludes, die afstralen op de omringende scènes, en zich er soms letterlijk in voortzetten, in de vorm van een orkestrale onderlaag.

Schitterend is het begin van de tweede akte, waar het voorspel tot een muziek leidt die zondagse gemoedelijkheid bij de kerkgang suggereert, bij een gelijktijdig klinkende onderlaag die voortronkt als een soort continuo van de misère.

Edo de Waart is daar goed in. Hij haalt het beste en rondste uit de hoorns, trombones en lage strijkers van het Nederlands Philharmonisch, laat violen en trompetten snerpen, en bewerkstelligt een fraaie doorgaande cadans, waarbij ook nummers van tegengestelde atmosfeer bijna ongemerkt in elkaar overgaan.

Wat we intussen met de figuur Grimes aanmoeten, is sinds 1945 al een probleem.

Het is een kunstmatige figuur. Eenzame bonk, onder wiens hardhandige leiding de ene leerjongen na de andere het leven laat, tot de goegemeente hem dwingt de zee op te gaan, en zijn eigen boot tot zinken te brengen.

Grimes is een bonk van zeldzaam type, dat zich graag uitput - en daar is Britten moeilijk te volgen, want hij componeert er geen 'waarom' bij - in hommages aan de sterren, getoonzet in kwezel achtige cantilenen.

Het geeft Brittens opera een surrealistisch aspect, dat sterk contrasteert met het naturalisme van het biergebral en het kees-kom-kietel-me in de volksscènes.

De Nederlandse Opera mag blij zijn met de tenor Kim Begley. Hij trekt de beste conlusies uit Grimes' kwetsbaarheid, laat verlegenheid zien in loopjes en mimiek, maar geeft ook de meer kwezelachtige frasen een viriele kleur, zonder er de melodiek van te verpesten. Dat het lastig is in Begley een partij te zien voor juf Ellen Orford, is de zorg van de sopraan Janice Watson - die dat met frisse tonen overtuigend weet op te lossen.

De tweespalt in Grimes vormt de kiem van een ensceneringsprobleem. Waar is het leven rond Grimes echt, en waar beweegt de allengs maanzieker wordende Grimes zich naar de nevelen van het visioen?

De regisseur Willy Decker loste dat in Brussel een jaar of zes geleden op door juist de meest naturalistische scènes (altijd oppassen met oubollige kroegscènes) naar het niveau te tillen van het duistere en irreële.

Zambello probeert ook zoiets, maar is te weinig consequent. Grimes' wereldje is in haar visie antinaturalistisch, gelokaliseerd bovenop een gestolde golf.

Dorpelingen komen tot leven uit kleurige surrealistische tableaux vivants, van nettenboetende vrijsters en scheepstouwtrekkende landkrabben - maar in hun doen en laten op straat en in de kroeg vervallen ze tot ouderwetse oubolligheid (altijd oppassen met collectief bierfleszwaaien). De bevreemdende, quasi-achttiende toneelcoulissen en wolkpartijen ten spijt.

De doorslag geeft het Operakoor. Het weet, ingezeept door de Britse koorleider Simon Halsey, de esthetiek van het zuivere zingen zo briljant te combineren met de agressie van de klopjacht, dat je voelt: Grimes is overal, en schubben aan de broek hebben wij allen. De leerjongen zegt niks. Hij legt het loodje in een zwijgende rol.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden