Het eeuwige dilemma van de conservatief

Men kan nog beter van brandstichting worden beschuldigd dan dat men zichzelf openlijk als conservatief te kijk zet, aldus, vrij vertaald, een uitspraak uit 1918 van mgr....

Deels is dat te wijten aan de periode voor de Tweede Wereldoorlog, toen sommige tersluiks met het conservatisme sympathiserenden wat laat inzagen dat de fascisten toch niet hun natuurlijke bondgenoten waren. En het culmineerde in de revolutionaire jaren zestig en zeventig in een publieke verkettering van wat zich toen nog conservatief dorst te noemen.

Illustratief hoogtepunt daarvan was het felle protest van PPR-Kamerlid Pier van Gorkum tegen de keuze van 'Lof van het conservatisme' als samen te vatten tekst bij het schriftelijk eindexamen Nederlands voor gymnasiasten in 1974. Niet alleen de inhoud ervan dreef de politicus tot het stellen van schriftelijke vragen, maar ook zijn auteur J.L. Heldring. Deze columnist van NRC Handelsblad was in die jaren de conservatieve Kop van Jut voor iedere onbevlekt ontvangen progressief.

Dat is allemaal nog geen dertig jaar geleden. Maar inmiddels lijkt het tij te keren en heeft de conservatieve eenzaat Jerôme Heldring gezelschap gekregen van jonge behoudzuchtigen die als door Bordewijk bedachte namen dragen: Andreas Kinneging, Joshua Livestro, Bas Hengstmengel en de bekende Leidse rechtsfiloof Paul Cliteur. Zij zijn de gangmakers van de Edmund Burke Stichting, genoemd naar de Britse peetvader van het behoudende denken en eind 2000 opgericht om te fungeren als denktank ter bevordering van het conservatieve gedachtegoed.

Directeur van de stichting is Bart Jan Spruyt, historicus en voormalig parlementair redacteur van het Reformatorisch Dagblad. Van hem verscheen onlangs Lof van het conservatisme, een serie schetsen van kopstukken uit en mijlpalen in de geschiedenis van een stroming die moet worden gezien als een reactie op de zelfoverschattende pretenties van de Verlichting en de Franse Revolutie. Daarmee is meteen ook de tweedeling in Spruyts informatieve, vlot leesbare bundel gegeven: de conservatieve verhouding tot de cultuur en die tot de politiek, die weliswaar samenhangen maar toch elk hun eigen richting gaan.

De titel is uiteraard bedoeld als een hommage aan Heldring. De bundel opent dan ook met een innemende, rehabiliterend bedoelde mini-biografie van de inmiddels 85-jarige nakomeling uit het Amsterdamse geslacht van aristocratische notabelen. Eenzaam maar desondanks niet alleen moet Heldring zich door de jaren heen hebben gevoeld, gesteund als hij zich wist door de geestelijke verwantschap met denkers en politici als Burke, Alexis de Tocqueville en Winston Churchill, die in Spruyts bundel de revue passeren, samen met grootheden als de historicus Johan Huizinga en de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer, van wie niet bij de eerste oogopslag evident is dat zij tot het conservatieve kamp mogen worden gerekend.

De hervormd opgevoede Heldring, die zich rond zijn 25ste bekeerde tot een mild agnosticisme, blijkt exemplarisch voor de kern van het dilemma waarmee het conservatisme tot op de dag van vandaag kampt. En dat is de vraag of deze cultuur- en politiek-filosofische stroming zonder een degelijke religieuze basis wel levenskansen heeft.

Voor de niet-gelovige is het uiterst problematisch een vast fundament te vinden voor zijn mens- en wereldbeschouwing, stelde Heldring ooit zelf. Het pessimistische uitgangspunt van het menselijk tekort, dat de diepste wortel vormt van het conservatisme, heeft echter zo'n absolute norm nodig om dat tekort aan af te meten. Een christen heeft het op dat punt een stuk gemakkelijker, aldus Heldring. Want de gelovige heeft immers Gods geboden als norm en meet zijn eigen zondige staat en onvolmaaktheid daaraan af, terwijl de ongelovige het zonder zo'n tijdloos en universeel ijkpunt lijkt te moeten stellen.

Dat probleem is er in de loop der jaren alleen maar groter op geworden. Sinds de ontzuiling van de Nederlandse samenleving lijkt het individu losgeslagen van zijn ankers. Het door de Franse filosoof Lyotard afgekondigde einde der Grote Verhalen gaf het postmodernisme vrij baan. Sindsdien is alles waar en dus niets, misschien zelfs dát niet. Het filosofische deconstructivisme van Derrida en zijn volgelingen, dat alle zin en betekenis van woorden en waarden als machtsmiddel onderuithaalt, deed daar nog een schepje bovenop. Het alomtegenwoordige cultuurrelativisme - in hedendaags Nederlands kernachtig verwoord als: wat jíj wilt, het is jóuw feestje! - is er de wrange vrucht van.

Terecht fulmineren de neoconservatieven tegen al deze ontwikkelingen en mengen zij zich, wijzend op de destructieve en desintegrerende krachten ervan, in het debat over waarden en normen. Met redelijk succes. Want in een tijd waarin Luceberts poëtische stelling dat alles van waarde weerloos is, keer op keer bewaarheid wordt, slaat hun wat elitair getint moreel appèl zeker aan bij het weldenkende deel der natie.

Maar het probleem blijft: waar vindt de conservatief, nu alles fluctueert, een fundament dat niet aan de tand des tijds en der omstandigheden onderhevig is? In het natuurrecht ('de universele morele grammatica', die volgens C.S. Lewis in elk mensenhart aanwezig is), in de hogere cultuur (door Roger Scruton verdedigd als moreel maatgevend), of toch in de religie?

Het conservatisme verdient zeker een plaats als tegenhanger van het socialisme, met zijn inmiddels zwaar aangetaste utopie van een maakbare samenleving, en het liberalisme met zijn nadruk op ongelimiteerde vrijheid, die als kinderen van dezelfde Verlichting allebei stoelen op de gedachte dat de mens in wezen goed is. Daartegenover stelt het conservatisme de pessimistische, door conservatieven zelf graag 'realistisch' genoemde visie van de mens als een niet zozeer slecht maar, zeker in groepsverband tamelijk gevaarlijk wezen, dat je maar beter niet ongeremd z'n eigen gang kunt laten gaan.

Van een krachtdadige en dus omvangrijke overheid wordt qua rem echter weinig heil verwacht. Wel van een sterk maatschappelijk middenveld van kerk, school, gezin en vereniging, dat mét de verbrokkelde zuilen op de schroothoop belandde.

De politiek is voor de ware conservatief dus niet de aangewezen weg om een verandering ten goede te bewerkstelligen. En dat is een van de redenen waarom het in Nederland, anders dan in andere westerse landen, nooit tot een conservatieve partijvorming is gekomen. Een andere is - alweer - het feit dat in de Nederlandse politiek door partijen als de ARP en de CHU het conservatieve gedachtegoed van meet af aan geannexeerd is als exclusief christelijk.

Datzelfde dreigt nu weer te gebeuren. Bart Jan Spruyt, zelf een orthodox reformatorisch gelovige, beweert in zijn boek dat het de Edmund Burke Stichting primair te doen is om een stimulering van de conservatieve gedachtevorming, die zich op den duur dan wel vanzelf in praktische politiek zal vertalen. Maar de flirt van deze denktank met bijvoorbeeld de ChristenUnie doet het ergste vrezen. Zo helpt, wat God verhoede, een seculiere conservatieve stroming zichzelf andermaal om zeep.

Men zou een voorbeeld kunnen nemen aan Roger Scruton, de Britse filosoof en schrijver, die in Nederland pas enige bekendheid geniet sinds zijn medewerking aan het tv-programma Van de schoonheid en de troost. Ondanks het grote culturele belang dat Scruton hecht aan religie als cultureel verschijnsel, laat hij in zijn, onder de enigszins misleidende titel verschenen Moderne cultuur - een gids voor kritische mensen zien dat het mogelijk is tegelijkertijd ongelovig en conservatief tot op het bot te zijn.

De remedie die Scruton bepleit tegen de teloorgang van de westerse cultuur (met politiek houdt hij zich wat minder bezig) is cultuuroverdracht, en zijn tijdloos fundament voor een postchristelijke, publieke moraal is de traditie. Hoewel er op zijn argumentatie wel het een en ander valt af te dingen - er is ook na Wagner, Manet en Beaudelaire warempel nog cultuur van betekenis geproduceerd, en Scrutons generaliserende schotschrift tegen de popmuziek werkt vooral op de lachspieren - is zijn analyse van een stuurloze samenleving uitermate scherpzinnig, transparant en genadeloos. Vooruitstrevendheid en een aangeboren afkeer van al wat naar behoudzucht riekt, gelden zeker niet als excuus om dit boek ongelezen te laten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden