Het eeuwig temmen der natuur

De Nederlandse natuur is pas in de 19de eeuw ontdekt. Erudiete stedelingen juichten als ze na enkele kilometers wandelen door ongerept gebied weer een akkertje tegenkwamen....

OM de idylle van het Nederlandse oerlandschap te beschrijven, wil de schoolmeester zich nog weleens van de eekhoorn-parabel bedienen: op weg van Maastricht naar Den Haag, hoefde hij de grond niet aan te raken – zoveel bomen stonden er. De vraag is of dat ooit waar was. In de oudste reisverslagen is zelden sprake van weelderig struweel. Wel van regen, grijze luchten, tamme vergezichten en drassige bodems.

In de Atlas van Blaeu strekt zich tussen Coevorden en de Dollard 'een groote moerassige heyde' uit. Op dit terrein leverde het voetvolk van Floris V kansloos slag tegen de Friezen. 'Alkmaar konden ze nog wel bereiken', zei de neerlandicus Willem Kuiper hierover. 'Maar daar moesten ze naar rechts, en liepen ze zo de prut in. Hetzelfde gebeurde de bisschop van Utrecht die opstandelingen in de Achterhoek wel even zou gaan bestraffen; ook hij eindigde met zijn mannen midden in het moeras.'

En waar geen moeras was, heerste het water. En water wekte tot voor kort nog geen lieflijke associaties. Het meanderende stroompje kon zich in een mum van tijd transformeren tot een verwoestende moloch. Wie te water raakte verdronk, zo heette het. En de dorstenden laafden zich bij voorkeur aan het dunnebier of de witte wijn. Maar niet aan water. Water was voor paupers, gevangenen en levensvermoeiden. Want wie het dronk, liep een gerede kans spoedig te sterven.

En van de zee hield men zich tot de vooravond van het massatoerisme helemaal verre. 'Het zeewater is drinkbaar voor de vissen, maar dodelijk voor mensen', wist Heraclitus. Alleen tuberculoselijders hielden zich op aan de kust. Lang voordat zij zichzelf een mondaine reputatie verwierven, kenden badplaatsen als Nice en Menton een uitzonderlijk hoog sterftecijfer. 'Het fleurige kerkhof van de aristocratie.' Zo kenschetste Guy de Maupassant de Côte d'Azur.

'In het Paradijs bestond geen zee', schreef de historicus Alain Corbin. De onafzienbare en peilloos diepe zeeën voedden basale oerangsten. Ze vormden, aldus Corbin, 'de Grote Afgrond, een vloeibare massa zonder bakens.' Of: een residu van de zondvloed. Een 'spiegel van de dood'. Een bron van godsvrucht en menselijke deemoed. Zelfs in meer verlichte tijden wil een boeteprediker de zee nog wel eens opwaarderen tot instrument van de straffende God. 'Er dreigt een totale ruïne', sprak de Zeeuwse ouderling Leendert Potappel tot de gemeente. 'God zal ook onze dijken doen doorbreken. Zo gij u niet bekeert, gij zult allen desgelijks vergaan. Een gehele ondergang dreigt ons, want de zonden wassen steeds aan.'

Daar konden de gelovigen het op 25 januari 1953 mee doen. Een week later was de watersnoodramp een feit. Potappel behoorde tot de duizenden slachtoffers. En, als we de journalist Kees Slager (auteur van het boek De Ramp) mogen geloven, zag een derde van de overlevenden de springvloed als een goddelijke wilsbeschikking.

De natuur gold als de voornaamste derterminant van de condition humaine. Als een gegeven waartegen de mens zich niet kon verheffen. Maar zeker niet als een bron van vertier of zinnenprikkeling. Daarvoor was ze te dominant en onkwetsbaar. Niet Gods eigen natuur diende als inspiratiebron voor dichters, maar het cultuurlandschap rondom de buitenhuizen van het patriciaat. Constantijn Huygens droeg zelfs een lofzang van 2824 alexandrijnen op aan de tuin van Hofwijck.

De 'soeticheydt des buyten-levens' lag besloten in de beheersing van de natuur die aan gene zijde van de tuinmuur zijn grimmigheid etaleerde. In de schilderkunst werd de natuur evenzeer getemd. Als zelfstandig thema werd ze lange tijd volstrekt oninteressant bevonden. Bomen, rivieren en bergen dienden hooguit als omlijsting van mythische of bijbelse taferelen. En daarbij wilde de schilder niet eens de indruk wekken dat hij 'naar de natuur schilderde'. Het landschap diende als bladvulling of geïdealiseerde versie van de werkelijkheid.

De schilders manipuleerden de natuur, brachten reliëf aan in het landschap, voegden er arcadische elementen aan toe, en dramatiseerden de invloed van het licht. Wat hen echter van hun buitenlandse vakgenoten onderscheidde, is dat de werkelijkheid in elk geval als uitgangspunt diende, en dat voor de natuur vaak een hoofdrol was weggelegd. En dat was een kunsthistorisch novum.

Nu was dat lang niet altijd het gevolg van een vrije artistieke keuze. De markt dwong veel schilders in het landschapsgenre omdat de meeste afnemers – leden van de omvangrijke middenstand – nu eenmaal prijs stelden op taferelen die hen aan de eigen omgeving deden denken. Ook tijdens de Hollandse Gouden Eeuw stond in de pikorde van genres het landschap in de onderste regionen. Schilders die het zich konden veroorloven, legden zich bij voorkeur toe op portretten, bijbelse thema's en schutterstukken.

Pas in de 19de eeuw, toen de natuur aan grimmigheid had ingeboet, werd het landschap – zij het gezuiverd van modernistische elementen – salonfähig verklaard door schilders. Om te beginnen in Frankrijk, bakermat van het impressionisme. Op voorspraak van deze Franse schilders werden de bossen bij Fontainebleau voor grootschalige houtkap behoed, en werd het gebied tot Réserve artistique et biologique verklaard. En eindelijk werd de zee, waar de mens zich tot dan toe letterlijk en figuurlijk van had afgewend, als bron van artistieke vreugde erkend.

In Nederland werd de natuur door erudiete stedelingen – waaronder veel dominees en schoolmeesters – ontdekt. Zij maakten wandeltochten, en deden daarvan in juichend proza verslag. Het cultuurlandschap genoot overigens de voorkeur boven de ongerepte natuur, zegt Harm Piek, sinds 1972 beleidsmedewerker van de Stichting 'Natuurmonumenten. 'De wandelende dominee Craandijk was dolblij als hij in Drenthe na een paar kilometer hei eindelijk weer eens een akkertje tegenkwam. Hij kon alleen positief tegen het landschap aankijken als het bijdroeg aan de nationale welvaart.'

In die opvatting stand hij overigens niet alleen, zegt Piek. 'Tot de jaren zeventig van de vorige eeuw gold het gemengde landschap, dat een afwisseling van bosjes, houtwallen, beekdalen, heide en akkers te zien gaf, als ideaal. Daarop was ook het landschappelijk ideaaltype van Jac P. Thijsse geënt. Wat je in 1900 op het platteland zag, was het resultaat van een landbouwconcept van eeuwen daarvoor. Dat concept, een intensief gebruik van kleine lapjes grond, was op dat moment op z'n retour, maar de geografie die erbij hoorde, was nog intact. De versnippering van het landgebruik resulteerde in een rijk ecosysteem – wellicht uitbundiger dan ooit tevoren. De gangbare opvatting dat de Nederlandse natuur weelderiger was naarmate je verder teruggaat in de tijd berust op een misvatting. De soortenvariëteit aan het begin van de 20ste eeuw was veel groter dan aan het begin van de jaartelling.'

Des te zichtbaarder was het verval dat hierop – door toedoen van sturende overheden – volgde. De herverkaveling vernietigde in grote delen van het land een structuur die in de loop van eeuwen was ontstaan. De natuur werd, aldus Piek, niet alleen het slachtoffer van de achteloosheid van landbouwhervormers, ze werd zelfs doelbewust onderworpen aan de planologische waan van de dag. 'Er waren mensen die zeiden: dat historische landschap zegt ons niets meer. Het verwees naar gisteren terwijl zij met de toekomst bezig waren. En die toekomst hoorde aan de massaproductie en de rechte lijnen – meenden zij.'

De gevolgen van deze benadering waren in de jaren zeventig voor iedereen zichtbaar. 'De dotterbloem was natuurlijk al veel eerder uit het landschap verdwenen, maar dat liep de modale stedeling niet meteen in het oog. Toen de weilanden opeens vol stonden met grote machines, toen de dode vissen in de binnenwateren dreven, en de lucht in een hadesdamp was veranderd, werd de kwetsbaarheid van de natuur opeens zichtbaar, en kwamen de mensen massaal in het geweer. Bij die ontwikkeling heeft Natuurmonumenten als ledenorganisatie overigens alle baat gehad.'

En ook het verval van de natuur zelf lijkt door het ontloken ecologisch bewustzijn tot staan gebracht. Langzaam herneemt ze haar rechten. Zij het op beperkte schaal en binnen de marges van gangbare ethische en esthetische normen. 'Het idee dat we dode bomen laten liggen, heeft bij de natuurliefhebber inmiddels wel ingang gevonden', zegt Piek. 'Maar aan dode dieren heeft men nog steeds een uitgesproken hekel. Zeker als ze groter zijn dan een muis. We houden van de natuur, zeker. Maar er mag niets dreigends meer van uitgaan. In die zin is er sinds vroegere eeuwen niet zoveel veranderd.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden