Het echte koraal uit de literatuur

Een erg forse dame, jong, intelligent voorkomen, wel enigszins afwezig. Een zekere traagheid in het geven van antwoorden. Behaarde oksels, lange benen....

Een jong meisje. Gedwee. Pikzwart. Laat zich van voren zien. Mooie strakke gekleurde borsten. Verbazend smalle en platte buik. Een stevige en lange opstaande toef.

Jong meisje. Kantoorbediende. Tamelijk levendig. Gedwee. Ronde borsten, klein, enigszins zwaar. Doorzichtige roze tepels. Het echte koraal uit de literatuur.

Een taart van over de vijftig. Zeer verzorgd. Rode huid; psoriasis die zij laat zien, zodat je tegen haar kan zeggen dat het niet uitmaakt. Aantrekkelijk. Ondanks de hangende borsten niet lelijk. Zeer gevleid als je haar zegt dat zij niet te dik is.

Twee heerlijke witte borsten, spierwit, smalle tepelkringen, sterke tepels, bijna zwart, naar de hemel gericht. Dit alles sprong uit een bleekblauw hemd te voorschijn.

Een woord zou genoeg geweest zijn, één enkel onuitgesproken woord. En nooit, nooit zal ik weten wat voor borsten het nog niet losgemaakte bustehoudertje verhulde; wat voor buik, wat voor heupen, wat voor haardos de korte ondoorzichtige onderbroek verborg. Alle nagels, die van de handen, die van de erg fijngebouwde voeten, waren bloedrood gelakt. Zij baadde helemaal in parfum, erg mager, stijlvol.

Ik zal mezelf deze seconde van zwakte nooit vergeven.

Wat gebeurt hier, vraagt u zich misschien af. Beschrijft hier een arts - bladzijden lang, ik heb maar een paar stukjes geciteerd - zijn patiënten? Dan toch niet in zijn hoedanigheid van dokter. En waarom alleen vrouwen, op dat ene jongetje na, dat vergezeld van zijn (begeerlijke) moeder ook zo notitiegewijs wordt geportretteerd?

Een seksmaniak?

Dat lijkt me onwaarschijnlijk. Daarvoor is de kijker die hier spreekt - is het wel een man? - te afstandelijk. Misschien wordt in dit verhaal - is het wel een verhaal? - een vorm van fascinatie, of wellicht van obsessie, getoond, die voor de lezer spannend wordt door dat voortdurende, geconcentreerde kijken.

Is dit literatuur?

Wat literatuur is, nou ja. . . Je kunt de vraag stellen en dat heeft mooie beschouwingen opgeleverd, maar in het dagelijkse discours kom je altijd weer de onbenullige versimpelingen tegen die het uitzonderlijke bij voorbaat onmogelijk maken.

Is het 'fictie' of 'non-fictie'? Ja, daar heeft het weinig mee te maken. Wat je hooguit kunt zeggen is dat literatuur, zoals alle kunst, vorm is. Maar wat is vòrm?

Vooral de avantgarde heeft in de twintigste eeuw van zoiets als een vertrouwde vorm - die voortleeft als 'gezonken cultuurgoed', als kitsch - weinig heel gelaten. Ze heeft de literatuur ontkleedt, er een striptease van gemaakt, schaamteloze pogingen gedaan om buiten de platgetreden paden om iets te zeggen en dat schoonde, soms, de blik.

Op veel van die dingen heeft zich inmiddels het stof van een hele eeuw verzameld en misschien zijn we er wel wat op uitgekeken. Maar nu en dan is het een verademing weer even te zien hoe anders de literatuur kan zijn dan de goegemeente haar altijd weer wil hebben. In een keurslijf, vertrouwd.

Daarom citeerde ik hierboven met wellust uit 'De spiegelkamer' van Paul Nougé. Het is een van de stukken van zijn hand, die verzameld werden in De verboden beelden (¿ 32,50). Nougé, een Fransman, was een biochemicus, die in Brussel in aanraking kwam met het surrealisme. Samen met René Magritte proclameerde hij Het surrealisme in het volle zonlicht.

De verboden beelden is een publikatie van IJzer in Utrecht, een kleine, tamelijk onbekende uitgeverij, die doende is een opvallend, eigenzinnig, sterk Frans georiënteerd fonds gestalte te geven, zoals de regelmatige bezoeker van een èchte boekwinkel dezer dagen weer kan constateren. Want tegelijk met De verboden beelden verschenen voor de wat avontuurlijker ingestelde lezer: Op het veld van eer van Benjamin Péret, óók een surrealist (¿ 32,50); Iemand (quelqu'un), de célineske roman van Robert Pinget (¿ 34,50) en Het stuurse gezicht van het surrealisme van Raoul Vaneigem (¿ 34,90).

Zijn er meer van zulke verrassende boeken? Ik denk het wel, al moet ik in een paar gevallen mijn oordeel opschorten, omdat er weer zoveel is, dat ik lang niet alles heb kunnen lezen. Het kolossale boek van de jonge Duitser Helmut Krausser bijvoorbeeld. Het heet Melodieën en wat ik ervan weet is dat àlle Duitse kranten, op Die Zeit na, er lovend over schreven.

In het kort komt het er op neer dat Krausser in 768 bladzijden het verhaal vertelt van de alchimist Castiglio, die ten tijde van de Renaissance er niet in slaagde goud te maken, maar wel melodieën vond, melodieën, zoals de uitgever bericht, 'die de mensen betoveren, de wereld hadden moeten veranderen en ten slotte aan kwaadaardige machten ten prooi vielen.'

Dat klinkt aantrekkelijk, en ik denk dat ik dit boek zeker ga lezen (net als De troostelozen van Kazuo Ishiguro, dat nog ongeopend op mijn tafel ligt). Melodieën wordt vanavond in het Goethe Instituut in Amsterdam gepresenteerd. Ik ben benieuwd naar de Nederlandse recensies (vertaald door Ria van Hengel, De Geus, ¿ 79,90).

Ook Gracchanten van Pim Wiersinga, een boek dat door zijn omvang (616 bladzijden) en door zijn historiserende sfeer (het speelt in het oude Rome) met Melodieën vergelijkbaar is, heb ik nog niet gelezen, maar het verhaal van Skamander, zoon van een Macedonische rebel, gunsteling, schandknaap en tragediespeler, die bevriend is geraakt met Gaius Gracchus, de broer van de vermoorde Tiberius, lijkt me aantrekkelijk genoeg om een paar avonden voor vrij te maken (Meulenhoff, ¿ 59,50).

Soms kom je nauwelijks aan lezen toe, of blijkt, als je er wel aan toe komt, dat het ene na het andere boek heel vervelend is, of slecht geschreven, of slecht vertaald of anderszins een ramp. Maar inmiddels ben je wel vele uren verder. Daarom, om zulke tegenslag te vermijden, lees: Als ik toch eens rijk en dood was.

Dat zijn verhalen van een jonge Duitse schrijver, Maxim Biller (hij werd als kind van Russisch-joodse ouders in 1960 in Praag geboren), die geen boodschap heeft aan gevoeligheden. Ik bedoel de gevoeligheden van de joodse gemeenschap in Duitsland. Met het nodige sarcasme legt Biller wonde plekken bloot die men liever met de mantel der liefde bedekt.

Net als Irene Dische, over wie ik vorige week schreef (en net als Fassbinder, die zij niet noemde, maar Biller wel) heeft deze lastpak het vooral gemunt op de joodse nouveaux riches in Frankfurt, de extreem rijkgeworden grondspeculanten. Maar Billers kritiek is geen requisitoir; hij schrijft verhálen, waardoor zijn bijtende visie zich kan transformeren in emoties, die humor, begrip en zelfs sympathie niet uitsluiten (vertaald door Paul van Westing, Meulenhoff, ¿ 34,90).

Ook De lijnen van het lot of Het kistje van Milasjevitsj schonk me het gevoel met een intelligent mens een tijdlang door een abjecte wereld te hebben rondgewandeld (die van de Sovjet-Unie tussen 1920 en 1980). De schrijver, Mark Charitonov (Moskou, 1936), is een man met een scherp oog voor de bespottelijke kanten van het menselijke reilen en zeilen. Vermoedelijk heeft die karaktertrek ertoe bijgedragen dat hij niet erg geliefd was bij de Russische gevestigde orde. Pas in 1972, toen hij een soort Russische Booker Prize kreeg, werd hij bekend.

In deze roman laat Charitonov een beoefenaar van de literatuurwetenschap, Anton Lizavin, een onbekend gebleven genie in de Russische provincie ontdekken. Dat was een man die poëzie schreef op snoeppapiertjes. Door een merkwaardig toeval vindt Lizavin het verzamelde werk van deze Milasjevitsj. In een kistje. Het is werk dat Lizavin in al zijn raadselachtigheid fascineert en zo geraakt hij onontkoombaar in de ban van Milasjevitsj en zijn wonderlijke leven, dat veel zegt over het leven op het Russische platteland (vertaald door Arthur Langeveld, Van Gennep, ¿ 59,50).

Zo is er meer. Een schitterend boek van Franco Ferrucci bijvoorbeeld: Vuren. Ferrucci (Pisa, 1936) kennen we van De schepping. Een autobiografie van God en Brief aan de gelukkige jongen die ik was. In Vuren laat hij een jongeman de liefde ontdekken, dat wil zeggen de geslachtsgemeenschap. Maar op de laatste bladzijden na staat zijn hele vertelling in het teken van het voorspel, waardoor Ferrucci ruim de gelegenheid te baat neemt om uit te weiden over alle mogelijke erotische prikkelingen waaraan een kind van de mannelijke kunne al vroeg wordt blootgesteld.

Het moment suprême is subliem èn morbide, omdat daarin eros en thanatos - altijd sterk aanwezig in Ferrucci's werk - samenvallen (vertaald door Wilfred Oranje, Wereldbibliotheek, ¿ 29,50).

Wie heeft moeten lachen om Mijn vriend Matt en Hena de Hoer of Cyrus Cyrus van de in Pakistan geboren Adam Zameenzad zal ook schik hebben in Een schitterende blanke vrouw, waarin Zameenzad een jongen opvoert, Lahya geheten, die zo gruwt van het idee dat hij net zo lelijk (en zwart) zal worden als zijn vader, dat hij begint te dromen van de mogelijkheid om een mooie blanke vrouw te worden (zoals zijn moeder). Zijn grootmoeder brengt hem in de waan dat haar huisgodin Kali hem kan helpen, maar dan moet hij voor haar in New York een mooie jongeman vinden, want grootmoeder wil ook nog wel graag iemand anders worden (Van Gennep, ¿ 39,90).

Boudewijn Büch vervolgde zijn verhaal over Winkler Brockhaus uit De kleine blonde dood met Geestgrond, een zoektocht naar de vader, met veel gereis en aardrijkskunde (AP, ¿ 29,90, ¿ 39,90 gebonden). Lévi Weemoedt bundelde verhalen uit ondere andere Avenue en Het Algemeen Dagblad in Overal wat (¿ 24,90). Nijgh & Van Ditmar maakte een dik boek van alle verhalen van Frans Pointl: Ongeluk is ook een soort geluk (¿ 39,90). Wim de Bie vertelt verder over meneer Foppe in Meneer Foppe over de rooie (De Harmonie, ¿ 24,50) en Kreek Daey Ouwens (Lindenheuvel, 1942) ontvouwt in Tegen de kippen en de haan heel poëtisch haar jeugdherinneringen (Querido, ¿ 25,-).

Maarten Doorman publiceerde een nieuwe bundel gedichten, Afstandsbediening van katoen (Bert Bakker ¿ 24,90), net als Elly de Waard, Het Zij, haar Eenzang drie (De Harmonie, ¿ 32,50). En Herman de Coninck maakte een boek van zijn vaak aanstekelijke stukken over poëzie, die hij voor de Belgische krant De Morgen schreef: De vliegende keeper (AP, ¿ 29,90). In de inleiding stelt hij vast dat er veel te veel boeken zijn. Dat hij niettemin 'toch maar weer eens een kaftje laat maken rond een verzameling poëziestukken' verklaart hij uit het feit dat hij graag citeert, dat hij de lezer graag laat zien wat hij mooi vindt. 'Met verdriet', laat hij daar op volgen, 'kan ik goed alleen zijn, met enthousiasme en bewondering niet, die moet meegedeeld.' En zo is het maar net.

Misschien heeft André Klukhuhn zich door dezelfde emoties laten leiden als De Coninck, toen hij besloot om twintig jaar arbeid voor het Studium generale van de Rijksuniversiteit Utrecht af te ronden met een boek. Het gaat over wetenschap en cultuur en Klukhuhn citeert veel, maar in Sterf oude wereld, een inleiding tot de 21ste eeuw (AP, ¿ 59,90), hoor je ook de echo van het protest uit de jaren zeventig, toen Klukhuhn zich walgend afkeerde van de NAVO, de enige instantie die hem als biochemicus, gepromoveerd op een infraroodspectrofotometrisch onderzoek aan ferro-elektrische kristallen, aan een baan kon helpen. Hij koos voor de universiteit, waar hij twintig jaar later, samen met Piet Vroon, uit protest tegen de bezuinigingen, vergeefs zou proberen zijn doctorsbul terug te geven.

Het gaat nooit over.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden