'Het Duitse model is niet alleenzaligmakend'

Liep onze economie maar zo goed als de Duitse, verzucht menigeen in het kwakkelende Europa. Maar het Duitse systeem heeft ook schaduwzijden, betoogt Kathleen Thelen. Misschien is het Deense model zo gek nog niet.

Als je de tijd als een catwalk ziet waarop economische modes defileren, dan zijn vanaf de jaren zeventig onder meer het Zweedse model, in de jaren tachtig en negentig gevolgd door het Japanse, Duitse, Deense, Ierse en Nederlandse model aan onze ogen voorbijgetrokken.


Nu is andermaal het Duitse model in zwang. Duitsland, begin deze eeuw nog weggezet als de zieke oude man van Europa, geldt met zijn arbeidsmarkthervormingen, verfijnde industrie en veelgeprezen beroepsonderwijs weer als toonbeeld van een geslaagde maatschappelijke ordening.


Maar is dat terecht? Nee, althans: niet helemaal, zegt Kathleen Thelen, hoogleraar politicologie aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Hoeveel succes Duitsland momenteel ook heeft - stabiele economische groei gepaard aan de na Oostenrijk laagste werkloosheid van de EU - zaligmakend is het Duitse model niet.


De Duitsers hebben een prijs betaald voor het economische succes, zegt Thelen: een groeiende maatschappelijke tweedeling. Dat terwijl economieën als Denemarken en Zweden ondanks de liberalisering in beide landen in Thelens ogen juist sterk egalitair zijn gebleven, zonder economisch onder te doen voor Duitsland.


Thelen kreeg maandag een eredoctoraat uitgereikt bij de 133ste dies natalis (verjaardag) van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Een van Thelens grote verdiensten, zegt Anton Hemerijck, decaan van de faculteit sociale wetenschappen, is dat ze de studie van het kapitalisme heeft weggemanoeuvreerd uit de 'doodlopende steeg van het bipolaire denken'. In dat denken bestaat het kapitalisme uit twee varianten: een Angelsaksisch en een Rijnlands model, door econoom Daron Acemo¿lu ook wel getypeerd als het verschil tussen het genadeloze 'cut throat-kapitalisme' in de VS en het Verenigd Koninkrijk, versus het 'knuffelige' kapitalisme van het Europese vasteland en Japan. Thelen stelt daar een veel fijnmazigere analyse tegenover, zegt Hemerijck, waarin de verschillende Europese maatschappijmodellen niet op één Rijnlandse hoop worden gegooid.


'De modellen die ik bewonder combineren economische efficiëntie - onontbeerlijk voor groei - met een hoge graad van sociale solidariteit', zegt Thelen. Juist op dat laatste vlak presteert Duitsland de afgelopen jaren slechter. Dat komt mede door de Hartz-hervormingen vanaf 2003, die de Duitse arbeidsmarkt hebben gemoderniseerd, maar ook de ongelijkheid hebben doen toenemen.


Schaduwzijden

Als voorbeeld noemt ze het veel geroemde duale onderwijs in Duitsland, waarbij jongeren volgens het meester-leerlingprincipe een vak leren. 'Het beroepsonderwijs geldt als het Duitse kroonjuweel, als de sleutel tot het Duitse exportsucces. En ik bewonder het systeem ook, begrijp me niet verkeerd, maar het heeft wel een aantal schaduwzijden.'


De kwaliteit van het Duitse beroepsonderwijs is zo hoog dat veel jongeren buiten de boot vallen. De beroepsopleidingen - in Duitsland vooral gegeven door bedrijven - worden steeds specialistischer om mee te kunnen met de veranderende internationale markten, zegt Thelen.


Vroeger waren de opleidingen voor bijna iedereen toegankelijk, maar nu niet meer. Bedrijven moeten zichzelf voortdurend bijscholen om niet achterop te raken. Met als resultaat dat vooral kleine bedrijven in de dienstensector er de brui aan geven omdat ze niet aan de hoge eisen kunnen voldoen.


'En wat gebeurt er in tijden van economische tegenslag? Dan snijden ook de andere bedrijven in de opleidingen. In Duitsland is daardoor een groot tekort aan stageplekken ontstaan, waarvan vooral jongeren uit immigrantenfamilies of uit lagere economische klassen de dupe zijn.'


Ondanks het lage Duitse geboortecijfer en de klachten van Duitse werkgevers over een gebrek aan personeelsaanbod onder jongeren, is er nog steeds een groot contingent Duitse jongeren dat niet aan de bak komt. 'Deze jongeren krijgen een stigma opgeplakt en komen terecht in tweederangsbaantjes met dito salarissen, bijvoorbeeld de minijobs.'


Meer dan 7 miljoen Duitsers - schoonmakers, kappers, magazijnwerkers, caissières - hebben inmiddels zo'n minibaan, oftewel deeltijdwerk waarbij ze voor maximaal 450 euro per maand werken zonder pensioen op te bouwen of verzekerd te zijn tegen ziekte of werkloosheid.


'De minijobs worden door velen als een succes gezien, maar alleen als je je blindstaart op economische efficiëntie en export. In sociaal opzicht bieden ze geen perspectief. In de jaren zeventig resulteerde het succes van de Duitse industrie in een verbetering van ieders levensstandaard. Nu profiteert alleen een beperkt deel van de bevolking, terwijl de onderkant van de arbeidsmarkt een val heeft gemaakt.'


De Deense samenleving is de laatste jaren juist alleen maar egalitairder geworden, ondanks forse liberalisering en 'flexicurity': weinig ontslagbescherming, relatief hoge uitkeringen en veel hulp bij het vinden van een nieuwe baan. Het toont volgens Thelen de onhoudbaarheid aan van denken in termen van 'liberalisering betekent meer ongelijkheid' vice versa.


'Denemarken presteert bijvoorbeeld uitstekend op het gebied van beroepsonderwijs, vooral omdat Denen gedurende hun gehele carrière - dus op latere leeftijd, nog veel kansen krijgen van de staat om zich te laten bijscholen. Wie het als jongere niet redt, hoeft in Denemarken dus niet per se de rest van zijn leven een achterstand te hebben.'


Hekkensluiter

Modellen staan voortdurend onder druk, zegt Thelen. Bijvoorbeeld van de politiek, zoals in Denemarken, waar de ene regering de uitkeringen wil versoberen, en de volgende regering dit weer terugdraait. Maar vooral ook van maatschappelijke veranderingen, die de succesformules van vandaag tot de faalrecepten van morgen kunnen maken.


De wereld verandert onophoudelijk. Instituties - waartoe Thelen niet alleen de politiek, maar ook bijvoorbeeld vakbonden, onderwijs en gezondheidszorg rekent - moeten meeveranderen. Maar tussen die twee gaapt vaak een kloof. Hobbelen instituties niet altijd achter de feiten aan?


Daarmee is Thelen het niet eens. De Nederlandse werkende vrouw is een toonbeeld van wat politiek vermag, zegt Thelen. 'Toen ik nog een jonge professor was en in de jaren tachtig met een klein kind naar Duitsland verhuisde, was ik als Amerikaan stomverbaasd over hoe moeilijk het was om in Duitsland genoeg kinderopvang bij elkaar te ritselen om mijn baan te kunnen aanhouden. De christen-democratische economieën - waartoe ik ook Nederland reken - gingen nog uit van het mannelijke broodwinnersmodel; qua arbeidsdeelname van vrouwen liepen ze sterk achter op Scandinavië en de Verenigde Staten.'


Binnen de achterhoede van christen-democratische economieën, zegt Thelen, was Nederland zo ongeveer hekkensluiter. In 1980 had slechts 30 procent van de Nederlandse vrouwen tussen de 15 en 65 jaar een baan, of was daarnaar op zoek. Drie decennia later was de arbeidsparticipatie van vrouwen ruimschoots verdubbeld - een indrukwekkende vooruitgang, vindt Thelen, voor een belangrijk deel te danken aan gericht politiek beleid.


'Ik ben vooral onder de indruk van de groei van het aantal parttime werkende vrouwen in de jaren negentig, en van de vooruitgang die toen politiek is geboekt om deeltijdbanen meer aanzien te geven. Het zijn expliciete politieke interventies geweest die de positie van de vrouw hebben veranderd, en daarmee ook het gezicht van het Nederlandse kapitalisme.'


Tegelijkertijd is de explosie van deeltijdbanen - Nederland is wereldkampioen parttimewerken - ook een gevolg geweest van het tekortschietende aanbod van kinderopvang in Nederland, vindt Thelen. 'Het is voor Nederlandse vrouwen nog steeds niet zo gemakkelijk om dezelfde keuzen te maken als Amerikaanse vrouwen. Daarom stoelt de Nederlandse economie op een 'anderhalfverdienersmodel': voor Nederlandse vrouwen is fulltimewerken niet altijd een gemakkelijke optie.'


Hoe onbestendig politieke vooruitgang is laten ook de bezuinigingen zien, zegt Thelen. Als christen-democratische economieën in moeilijkheden komen, is kinderopvang vaak een van de eerste bezuinigingsoffers. 'Het maakt Nederland voor mij tot een voorbeeld van de potentie voor vooruitgang, maar ook van de fragiliteit ervan. Wat dat betreft heb ik een gemengd gevoel bij Nederland, het is zeker geen ondubbelzinnig succesverhaal.'


CV

Kathleen Thelen behaalde in 1981 haar master politicologie aan de Universiteit van Californië in Berkeley, waar ze in 1987 ook promoveerde. De afgelopen decennia was ze onder meer verbonden aan Princeton, de Copenhagen Business School en het Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung. Sinds 2009 doceert ze politicologie aan MIT. In 2011 won ze samen met Bruno Palier de Stanley Hoffman-prijs voor het beste Engelstalige artikel over de Franse politiek. In februari verschijnt haar nieuwe boek Varieties of Liberalization and the New Politics of Social Solidarity.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden