Het doen is het denken vooruit

Tegenover het Amsterdamse 'geliteratureluur' zetten de Rotterdammers rauwe, directe poëzie. Deze 'underground' staat centraal in een kroniek van de gehavende stad.

Een verkeersbord met het getal 50 en een schuine streep erdoorheen. Het is een van de beroemdste statements uit de vaderlandse literatuurgeschiedenis. Het van oorsprong Vlaamse, sinds eind jaren vijftig vooral Rotterdamse tijdschrift Gard Sivik gaf met dit omslag aan dat het maar eens afgelopen moest zijn met het monopolie van de Vijftigers. Nederland had anno 1964 immers meer te bieden dan het 'geliteratureluur' van een stel Amsterdammers.


Des te opmerkelijker is het dat vijftig jaar later een Amsterdamse uitgeverij met een viertal uitgaven komt die samen een waar 'Rotterdam offensief' moeten vormen. Naast heruitgaven van de roman Enige defecten van Robert Loesberg en de novelle Leve Joop Massaker van C.B. Vaandrager, is er nu een omvangrijke bloemlezing van naoorlogse Rotterdamse literatuur verschenen onder de simpele noemer Rotterdam.


De vierde uitgave is Gehavende stad, een gedetailleerde cultuurgeschiedenis, geschreven door journalist Fred de Vries en redacteur Erik Brus. De ondertitel Muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu is enigszins misleidend, want het gaat hier om 'vijftig jaar underground in muziek en literatuur in Rotterdam', zoals uitgever Oscar van Gelderen in een nawoord stelt.


Een kniesoor die hierop let, maar het verklaart waarom een festival als Poetry International (sinds 1970) en Rotterdamse schrijvers als Bob den Uyl en Marcel Möring alleen zijdelings ter sprake komen. Zij gelden niet als 'underground'. De hoofdrol is weggelegd voor Cornelis Bastiaan Vaandrager, over wie journalist Menno Schenke in 2005 al een omvangrijke biografie publiceerde. 'Vaan' blijft echter tot de verbeelding spreken en daarom vormt zijn tragische levensloop ook nu de kapstok waaraan het verhaal van de 'gehavende stad' wordt opgehangen.


Geboren in 1935 in een arbeidersbuurt in Rotterdam-Zuid (of volgens de plaatselijke tongval: op Zuid) blijkt Vaandrager op de hbs een groot talent voor talen te hebben. Nog op school mag hij voor 'Het Rotterdams Parool' stukjes schrijven over lokale feestavonden. Zo ontmoet hij in 1952 dichter Hans Sleutelaar, het begin van een even langdurige als moeizame vriendschap.


Beiden zijn mateloos geïnteresseerd in de nieuwste jazz en het Franse existentialisme. Als ze een paar jaar later Armando ontmoeten, komt het Vlaamse tijdschrift Gard Sivik in beeld. Wanneer de uit Zeeland afkomstige Hans Verhagen zich bij hen voegt, is er sprake van een heuse Bende van Vier. Ze dopen Gard Sivik in 1964 om in De Nieuwe Stijl en vervolgen hun zoektocht naar een rauwe, directe poëzie. Die moet, anders dan het werk van de Vijftigers, de alledaagse werkelijkheid zo objectief mogelijk weergeven, inclusief spreektaal en lokale dialecten.


Gehavende stad laat goed zien hoe moeilijk het voor schrijvers en muzikanten moet zijn geweest om een poot aan de grond te krijgen in een stad die ook toen al weinig waarde hechtte aan kunst en cultuur, laat staan subcultuur. Vergeleken met de schrijvers deden de muzikanten het een stuk beter. Punk, house en hiphop, in de loop der jaren werd de Rotterdamse muziekscene steeds belangrijker, mede dankzij podia als Eksit, Parkzicht, Nighttown en Rotown, die elk een eigen hoofdstuk krijgen toebedeeld.


Uiteraard komt Jules Deelder aan het woord. Ook over zijn botsingen met Vaandrager, die niet kon aanzien dat Deelder hem voorbijstreefde in populariteit. Maar naast alle kinnesinne doet Deelder ook veelzeggende uitspraken over zijn liefde voor de jazz en hoe deze zijn schrijven heeft beïnvloed: 'Dat het doen het denken een fractie vooruit is.'


Opmerkelijk is ook hoezeer deze undergroundcultuur door mannen gedomineerd werd en met wat voor een vanzelfsprekendheid deze zelfverklaarde genieën zich door hun vriendinnen lieten onderhouden. Wat dat betreft lijkt er wel wat veranderd te zijn. Zeker nu de beste poëzie die Rotterdam tegenwoordig te bieden heeft voornamelijk door vrouwen wordt geschreven - denk aan Anne Vegter, Hester Knibbe, Jana Beranová (voormalige stadsdichter) en Ester Naomi Perquin (huidige stadsdichter).


Het zijn namen die in deze geschiedschrijving van de undergroundcultuur niet of nauwelijks voorkomen, en ook niet in de bloemlezing Rotterdam, waarin het hedendaagse werk grotendeels afkomstig is van niet-Rotterdammers, zoals Jan Hoek en Erik Jan Harmens. Dat is op zichzelf geen onbegrijpelijke keuze, want zowel Hoek als Harmens sluit aan bij de poëzie van De Nieuwe Stijl en met name bij de traditie van de readymades, ofwel 'gevonden poëzie'.


Zo plukte beeldend kunstenaar Jan Hoek teksten van Marktplaats die in zijn ogen als poëzie werken. Het levert komische momenten op, zoals de oproep van ene Esther die op zoek is naar een ghostwriter om haar leven te boek te stellen: 'wie wil dat doen/ maar komt maar niet op gang,/ geen ideeën... geen inspiratie?... of hoe je het ook wil noemen.'


Dertig pagina's met 'Marktplaatspoëzie' is echter te veel van het goede. Zeker als er verder niets met de teksten is gedaan. Hoek had een voorbeeld kunnen nemen aan Riekus Waskowsky. Die gebruikte regels uit antieke Chinese geschriften en combineerde deze met zijn eigen erotische fantasieën. Zijn faam heeft Waskowsky echter vooral te danken aan zijn in 1966 verschenen debuutbundel Tant pis pour le clown en niet aan zijn twee jaar later bij elkaar geharkte Slechts de namen der grote drinkers leven voort.


Vreemd genoeg is juist deze bundel integraal opgenomen. Slechts veertien regels telt de cyclus 'The Doors of Perception', maar Waskowsky heeft ze flink uitgesmeerd. Op de eerste pagina staat: 'Je kan niet 2 x hetzelfde zien,/ zegt Herakleitos' om acht kale pagina's verder te besluiten met: 'Het ligt er dus maar net aan/ hoe je het bekijkt.' Een flauwe en voor de poëzie dodelijke relativering.


De vijftien korte verhalen van de onvergelijkbare A. Moonen (die zich 'A Punt Moonen' noemde) maken veel goed. Zoals het absurde verslag van zijn bezoek aan de Utrechtse 'Erobeurs' in 1994, waar hij als een 'tandeloze Rotterdamse bloemenkoopman' zijn eigen dichtbundels vergeefs in de aanbieding deed.


Van hem tekent Erik Brus in Gehavende stad een fraai portret vol persoonlijke herinneringen. Brus beschrijft hoe hij Moonen jarenlang volgt, ook als hij soms spoorloos lijkt verdwenen. In 2001 treft hij hem aan in een seniorenflat, waar de 64-jarige Moonen zit te fantaseren over het seksuele leven van zijn overbuurvrouw: 'En hij wees naar de foto van zijn eigen strakke, gladde billen die in een lijstje in de boekenkast stond.'


A. Moonen en C.B. Vaandrager waren, net als Robert Loesberg en Riekus Waskowsky, schrijvers wier talenten het moesten afleggen tegen een overdaad aan drank en drugs. Dat Vaandrager talent had, blijkt onmiskenbaar uit de heruitgave van Leve Joop Massaker (1960), de wat naïeve, ontroerende geschiedenis van een 12-jarige jongen die gefascineerd raakt door 'de jongen met het mes'. Het is een verhaal over vriendschap en het verlangen om te bewonderen, geschreven door iemand die niet goed raad wist met zijn eigen gevoelige natuur.


Rotterdam - Vaandrager, Loesberg, Waskowsky, De Nieuwe Stijl, Strak, Moonen, Hoek, Harmens, Leynse, Vogel


C.B. Vaandrager: Leve Joop Massaker


Cultuurgeschiedenis


Erik Brus, Fred de Vries


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden