Het Detleveffect

Detlev Glanert schrijft geen muziek die revolutionair nieuw klinkt, maar wel werk dat je bij de lurven grijpt. Zijn naam zingt inmiddels de wereld rond. Het Concertgebouworkest had hem al eerder ontdekt.

De muziek van de Duitse componist Detlev Glanert (53) is niet voor mensen met gevoelige oren. Groots, meeslepend, vaak intens luid. Een ontregelende tamtam zit er altijd in, het onheilspellende orgel om de decibellen nog wat op te voeren, woeste trombones. Schrik ook niet van de buisklokken die in veel composities terugkomen, alsof de dag des oordeels nabij is.

Glanert maakt zulke spannende muziek, dat je je soms afvraagt of het niet té is: te lekker, te bombastisch. Lijkt het niet te veel op de grootheden van de vorige eeuw - op Mahler, Ravel, Strauss? Net op dat moment, alsof Glanert je gedachten leest, is het stil. Dan klinkt er slechts één melodische cel; kaler kan niet.

Glanert is niet de man voor muziek die revolutionair nieuw klinkt. Voor academische discussies. Hij schrijft geen afstandelijke woordenboeknoten, maar muziek die je bij de lurven grijpt.

Daarmee begint hij wereldwijd de aandacht te trekken. Glanert - in Nederland nog geen klinkende naam - stond in Nederland opeens twee keer op de agenda. Eind 2013, bij de Zaterdagmatinee, waar het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Markus Stenz de Nederlandse première van zijn opera Caligula in concertante uitvoering bracht. Volgende week dirigeert de Chinese Xian Zhang in Amsterdam de wereldpremière van zijn orkeststuk Frenesia, dat hij voor het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) heeft geschreven.

Sinds 2011 is hij bij het KCO 'huiscomponist', evenals Michel van der Aa en Richard Rijnvos, maar Frenesia is pas de eerste wereldpremière die uit de voor tien jaar vastgelegde verbintenis voortkomt. De keuze voor Glanert als huiscomponist werd gemaakt nadat het orkest Theatrum Bestiarum had gespeeld, in 2007. De musici vielen meteen voor de kleurrijke muziek, die het maximale uit een orkest haalt. Glanert kan effectief orkestreren, hij is een technisch vakman - er zijn genoeg kunstzinnige componisten die muziek schrijven die onuitvoerbaar blijkt.

Dat orkestreren doet Glanert niet zozeer om de musici een dienst te bewijzen, maar omdat hij heel precies, heel bewust bezig is met het effect van de muziek op de luisteraar. De noten komen niet voort uit een opwelling of een ongetemde kunstenaarsziel, maar worden strategisch gepland. Bombastische passages worden afgewisseld met povere muziek, waarop hij, als zijn publiek de adem inhoudt, met iets humoristisch komt. Hij regisseert de muziek alsof het moleculair koken is: niets laat hij aan het toeval over. Een fysieke totaalbeleving is het resultaat.

'Ik zie muziek als een spier', zegt hij in een interview. 'Die spier bestaat uit emotie, constructie en materiaal. Soms domineert de een, soms de ander. Dan ontstaat beweging. Voor mij is muziek organisch.'

Met die zinnelijke opvatting van muziek, die weinig componisten zo expliciet verkondigen als Glanert, is het niet vreemd dat hij vooral operacomponist is. Opera is misschien wel de meest fysieke muziekvorm, in zijn compleetheid, hoe het de toeschouwer in beeld, tekst en muziek opslokt. Hij componeerde er een ontzagwekkende veertien. Veel van zijn symfonische werken zijn in feite klankstudies voor zijn latere opera's, zoals het twintig minuten durende Theatrum Bestiarum voor de opera Caligula - uit het nieuwe Frenesia volgt waarschijnlijk ook een opera. Glanert zoekt in die orkestwerken naar een specifieke klank of emotie die hij met een opera in het groot wil overbrengen, als een pilot voor een televisieserie.

In dezelfde anatomische termen omschrijft de componist Frenesia, dat onderdeel uitmaakt van een themaconcert van het KCO over het menselijk lichaam. Frenesia (Italiaans voor razernij) is een hedendaagse reactie op Ein Heldenleben uit 1898 van Richard Strauss, wiens 150ste verjaardag dit jaar wordt gevierd. In het twintig minuten durende stuk klinkt het orkest als een pulserende spier, verhit, energiek en afwisselend in rust, schrijft Glanert in de toelichting. Een spier die de mens van nu voortbeweegt en daarom klinkt het anders dan de mens uit de tijd van Strauss, van voor de gruwelijke wereldoorlogen. Frenesia is zelfs een anti-Heldenleben, omdat we na 1933-1945 de heroïek niet meer kunnen bezingen, vindt de componist. Helden bestaan niet meer, dat zijn dwaallichten gebleken.

Ook bij Caligula, over de Romeinse keizer die steeds gekker en moorddadiger werd, dacht Glanert aan een spier, aan hoe die zich samentrekt en oprekt. Het orkest belichaamt Caligula, zijn zenuwbanen, zijn aders, zijn hersenen. De componist wil in diens maniakale geest kruipen; de muziek komt uit diens hoofd. Om de gespletenheid in zijn karakter aan te geven, heeft Glanert bijvoorbeeld de middenstemmen weggelaten; de altviolen bleven thuis. Een mooi voorbeeld van Glanerts strategische planning.

Glanert vertelt met beide werken een donker verhaal over onze tijd. Caligula is bij hem geen psychisch gestoorde gek - en daarmee te excuseren - maar een wreedaard, bewust slecht. Hiermee wil de componist vragen stellen over onze tijd, over dictators, de menselijke monsters die de geschiedenis heeft voortgebracht. Wat creëert een Stalin, een Hitler? Zit die beestachtigheid soms in ons allemaal?

In de opera Scherz, Satire, Ironie und tiefere Bedeutung laat hij de duivel op aarde komen. Die constateert teleurgesteld: 'De samenleving heeft geen duivel nodig om zichzelf te vernietigen. Het kwaad is al onder jullie. Je kunt er alleen nog maar om lachen.'

Haat, dood, liefde: die thematiek komt altijd terug. De menselijke beschaving is kwetsbaar, de scheidslijn tussen goed en kwaad is dun. Zwarte onderwerpen, maar humor en lichtheid ontbreken nooit bij Glanert.

Muziek heeft altijd een sociale verantwoordelijkheid volgens de componist - dit leerde hij van zijn leraar Hans Werner Henze, die vorig jaar overleed. Betrokkenheid is de zuurstof van de muziek. 'Muziek moet je iets vertellen over wie je bent', vindt Glanert. 'Als dat er niet is, gaat het dood.'

Dat hij daarmee succes heeft, zegt óók weer wat over onze tijd. Henze was niet erg populair met zijn ideeën, zijn muziek vond men niet innovatief genoeg. Glanert doet in feite hetzelfde, maar wel met succes. Ergens in de laatste tien jaar is er iets veranderd. De nieuwe muziek zat in een crisis: het publiek bleef weg - te moeilijk -, waardoor de overheid niet meer overtuigd was van de noodzaak die te subsidiëren. De enige oplossing is het publiek er weer bij te betrekken, met muziek die aanspreekt. Dat is Glanert: geen messias van de hedendaagse muziek, maar een verhalenverteller.

Duitse operawereld

In Nederland leren we Detlev Glanert nu pas beter kennen, maar in Duitsland is hij al lange tijd arrivé. In 1995 kreeg hij veel lof voor de opera Der Spiegel des großen Kaisers en won daarmee de Rolf-Liebermann-Preis. Daarmee vestigde hij zijn naam voor zijn daaropvolgende opera, Joseph Süss (zie foto rechts), in 1999. Die Welt schreef na de première in Halle: 'De belangstelling was werkelijk overweldigend. De halve Duitse operawereld zat in de zaal.'

AAA: The Human Body. Bartók, Hillborg, Glanert. Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Xian Zhang, 23/1 Het Concertgebouw Amsterdam

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden