Het dampt nog in de Borinage

De zwarte puinbergen bij de voormalige Waalse kolenmijnen blijken aantrekkingskracht te bezitten. Rob Gollin en Marcel van den Bergh liepen in de Borinage naar boven....

Dit was de helling waar kinderen uit de Borinage vanaf raasden, gezeten op bakblikken en deksels van vuilnisemmers, omgeven door stofwolken en meerollende brokken steen. Later zouden trouwens motorkappen van de Volkswagen Kever als sleetje op de bergen van gruis populair worden.

Het is een beklijvende scène uit Déjà s’envole la fleur maigre (1960), gemaakt door de Waalse cineast Paul Meyer in opdracht van de overheid. Maar wat een opgewekt verslag had moeten worden over de belofte van een beter leven voor de immigranten die naar België kwamen, werd een bitter relaas over armoede en heimwee – de film was in Vlaanderen en Wallonië lang niet te zien.

In een scène op de top van de terril verzucht de Italiaanse koolputter die op het punt staat terug te keren naar Sicilië tegen een nieuwkomer: ‘Borinage, chômage.’ Hier, in het land van schoorsteen en schachtbok, viel geen droog brood meer te verdienen.

Wie nu op de top staat van de ruim honderd meter hoge no. 14-17, de grootste van de vijf Titans du Levant bij Flenu, ziet vooral zacht golvend akkerland, lange linten arbeidershuisjes, het silhouet van Bergen met het belfort en de Sint Waltrudis-kerk,, en hoge windmolens – de energie komt de anderhalve eeuw ondergronds wroetende Walen eindelijk eens aangewaaid. De hellingen staan vol struiken en bomen, er fladderen koninginnepages voorbij.

Geen misverstand: dit is industrieel verleden. Dit is nutteloos gesteente waar de steenkool is uitgewassen, de bovengrondse nalatenschap van honderdduizenden kompels, een ketting van west naar oost – de Borinage, le Centre, le Pays Noir, het plateau van Herve – van twaalfhonderd molshopen. Ze waren eerst het resultaat van beulswerk in de 18de en 19de eeuw, toen vooral hiercheuses, jonge vrouwen, nog voordat ze moeder zouden worden, karretjes vol brokken en gruis laadden en die met behulp van paarden omhoog sleurden. Later kwamen er sporen en kabels; de bergen werden hoger, de hellingen steiler.

De associatie dringt zich snel op: de vulkanen van Wallonië. . Er zijn terrils die dampen na een regenbui. Soms volstaat het wegschrapen van een decimeter gruis om een onverwachte warmte te voelen. Restanten steenkool zijn beneden ontbrand, de temperatuur kan er oplopen tot honderden graden.

Er komen weer paarden bovenop de 14-17. Beneden, te midden van gebouwen met ingevallen daken en kapotte ruiten, is een manege, van waaruit ruiters naar de top vertrekken. Er is een cafetaria annex feestzaal, waar foto’s van de vroegere mijn aan de muur hangen.

Ondernemer Willy Dréau probeert de Site du Levant een begin van een tweede leven te geven. Hij is naar eigen zeggen een van de kinderen die in Paul Meyers film naar beneden stuift.

Zijn initiatief staat niet op zichzelf. Nu het gros van de terrils door groen is overwoekerd, lijken de nieuwe generaties Walen niet de langer de bulten die hun corons, de rijen mijnwerkershuisjes, overschaduwen, de rug toe te keren. De terril – dat volgens sommigen voor zieke aarde staat – was lang louter afvalberg. Het is geen toeval dat nog altijd aan de voet ervan geregeld vuilnis ligt. Op zo’n berg had je niks te zoeken, en de jaren dertig komen toch niet terug – toen legden de filmmakers Joris Ivens en Henri Storck in hun antikapitalistische pamflet Borinage (1933) vast hoe werkloze mineurs in de crisisjaren de walmende steenbergen afschraapten op zoek naar resten steenkool, terwijl in de nabijgelegen loodsen het onbetaalbare zwarte goud voor het grijpen lag.

Maar tegenwoordig loopt er een Grande Randonnée langs, de Fédération de la Chaîne des Terrils levert gidsen met wie je naar boven kunt, parapenters springen eraf, mountainbikers klimmen erop, in de achtertuin van het mijnmuseum Bois du Cazier in Marcinelle is op een terriltop een uitzichtplateau gemaakt, er zijn voortaan protesten tegen verdere afgravingen op te tekenen en op de zuidhelling van steenhoop no. 7 bij Trazegnies groeien wijnranken.

Onderweg naar de top van de Titan bij Flenu is er wat fantasie nodig om hierin het voorheen binnenste van de aarde te ontwaren. Er groeien wilde aardbeien, rozen, braamstruiken, berk en eik. Het patroon van begroeiing komt op de terrils vaak overeen. Eerst wortelt hoefblad en zuring tussen schist en leisteen, gevolgd door kruiden en klaver, waarna de bomen volgen – vooral berken. De zuidhelling is doorgaans kaler, het is er warmer en droger. Er zijn terrils die in het voorjaar de bloesem van fruitbomen torsen; volgens de overlevering de voortzetting van de pitten van appels, peren, kersen en pruimen die de Borains op de karren spuwden.

Tussen het groen op de No 14-17 zijn al snel de getuigenissen van het mijnverleden waar te nemen. Een verzakt gebouwtje moet de hijsinstallatie onderdak hebben geboden, verderop staat een enkele betonnen pyloon op een steile helling tussen de bomen. Een immense sluitsteen op een open plek langs het pad is dan al gepasseerd. Drie cijfers: 15, het nummer van de schacht; 1350, de diepte van de put; 1973, het jaar van mijnsluiting. De doodstrijd heeft kennelijk nog ruim een decennium geduurd.

Op de top is ook zicht op een volgende terril. In oosten ligt de uit de kluiten gewassen Héribus, de flanken vol berken, de top kaal, met rood verkleurd gesteente als gevolg van verbranding. Wordt dat het volgende doel?

Het is niet alleen de terrilketen die de geschiedenis vertelt. Tussen de linten van donker baksteen – je treft er huizen met blootliggende dakspanten en verweerde kozijnen waar toch nog de vitrage voor het raam hangt – zijn meer sporen te vinden.

Betreed het plein in Cuesmes en let op de tamelijk recent gebouwde huizen; hier is het plaveisel 7,5 meter gezakt als gevolg van ingestorte mijngangen. Ga naar Monsville, waar in de jaren twintig de stakers de politiemacht de baas bleven door de nauwe doorgangen tussen de huizenblokken te blokkeren. Het leverde het dorp de titel klein Moskou op; de werkloosheid is er vandaag nog meer dan 20 procent. In het gemeentehuis van Quaregnon hangt een schilderij: een reusachtige kompel zit op een terril, een houweel rust op de gespierde en glanzende schouder. Aan zijn voeten, als kabouters afgebeeld, de monarchie, de kerk en het leger.

Het is een boodschap die in deze streken niet vergeten is: hier heeft België vorm gekregen. In de slagschaduw van de terrils heeft zich de klassenstrijd afgespeeld, hier stonden Italianen, Grieken, Spanjaarden, Polen en Vlamingen zij aan zij in het gevecht tegen wettelijk gezag en kolenbaron.

Aan het eind van de Rue de Marcasse in het dorpje Wasmes, staan de schamele resten van een mijn. Aan een muur een gedenksteen, met de namen van 24 mijnwerkers die hier op 13 januari in 1953 na een mijngasontploffing de dood vonden: Giovanni, Antonio, Abdelkader, Ahmed, Constant. De begroeide terril in de nabijheid heeft ineens weinig van zijn grimmigheid verloren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden