Het braafste neefje van oom Amerika

HET ZIT Thomas von der Dunk niet mee. Een vaste aanstelling aan een universiteit zat er voor de inmiddels 40-jarige cultuurhistoricus niet in; alle banen vergeven aan omhooggevallen babyboomers die vooralsnog van geen wijken weten....

Met een bliksemcarrière in de media leek het tij voor Thomas te keren. Hijzelf verbaast zich nog het meest over het gemak waarmee men met een meninkje of twee over wat dan ook in no time uitgroeit tot een dr. Clavan die te pas en te onpas door krant, radio en tv wordt geraadpleegd. Met zijn felheid, zijn pregnante standpunten en zijn elke interruptie bij voorbaat blokkerende spreeksnelheid is deze angry middle-aged man intussen een geduchte gast geworden in het debatcircuit. Hoog tijd dus, vond uitgeverij Van Gennip, om Von der Dunks opinies over van alles en nog wat, die hij eerder op schrift stelde voor uiteenlopende periodieken als NRC Handelsblad, Vrij Nederland en Socialisme & Democratie, bundelsgewijs aan de vergetelheid te ontrukken.

Maar het geluk was Von der Dunk ook ditmaal niet welgezind. Op het moment dat zijn bundel ter perse ging, veranderde de elfde september het westerse wereldbeeld dermate ingrijpend dat althans een deel van Von der Dunks opstellen op slag achterhaald dan wel overbodig werden. De essays over het cultuureigene van het Westen in het algemeen en Europa in het bijzonder - en die vormen de hoofdmoot in de bundel Alleen op de wereld - geven de lezer het idee oude koek te consumeren; koek die in elk geval anders gebakken zou zijn als de catastrofe in de Verenigde Staten en de erop volgende krijgshandelingen jegens Al Qa'ida en Taliban zich vóór de bereiding ervan hadden afgespeeld.

Alleen op de wereld belooft blijkens de ondertitel De Nederlandse worsteling met zichzelf, God en Europa als hoofdthema te hebben. Nederland voelt zich onbegrepen door het buitenland, maar begrijpt, ondanks het herhaald schudden van een moralistisch vingertje, tegelijkertijd niets van wat zich buiten de eigen grenzen afspeelt. Dat is de hoofdgedachte. Anders dan de kleine Remy in Hector Malots gelijknamige tranentrekker blijkt in Von der Dunks beschouwingen Nederland echter allerminst sans famille - het is in de meeste gevallen een buitengewoon loyaal lid van de westerse familie, ja zelfs het braafste neefje van oom Amerika.

Het thema van Neerlands worsteling met zichzelf en de boze buitenwereld blijkt dan ook niet veel meer dan een flinterdun rood draadje dat de als organisch geheel gepresenteerde opstellen van Thomas von der Dunk bijeen moet houden. Want behalve over typisch Hollandse kwesties als het alom geprezen maar tot politieke machteloosheid leidende poldermodel en de onhoudbaarheid van de mythes rond God, Nederland en Oranje, gaat het in de bundel toch vooral over grensoverschrijdende vraagstukken, waarbij de rol van Nederland uitzonderlijk noch doorslaggevend is.

Zo staat Von der Dunk uitvoerig stil bij het lemmingengedrag van Israël in de strijd tegen de Palestijen, de uitbreiding van de NAVO met voormalige Oostbloklanden en een dreigende toetreding van Turkije tot Europa. Van met name dat laatste betoont Von der Dunk zich in meer dan één hoofdstuk van de bundel een fervent tegenstander, net als van een al te enthousiaste toenadering van de Europese Unie tot bijvoorbeeld Rusland. Hij hanteert daarbij de godsdienstige verschillen als doorslaggevend argument, iets wat Frits Bolkestein en anderen voor hem ook al deden.

Europa's grenzen dienen volgens Von der Dunk blijvend bepaald te worden door de op het christendom gefundeerde cultuur daarbinnen. Dat is zijns inziens het bindend element dat het Avondland bijeenhoudt. Met het welkom heten van bijvoorbeeld islamitische Turken binnen het Europese bastion haalt men zich grote problemen op de hals. En die zouden wel eens onoverkomelijker kunnen zijn dan het maatschappelijk ongemak waarmee de ogenschijnlijk gastvrije, van overheidswege gepropageerde utopie van de multiculturele samenleving ons land heeft opgezadeld.

Uit vrees van postkoloniale superioriteitsgevoelens te worden beschuldigd vegen de voorstanders van zo'n uitbreiding essentiële cultuurverschillen onder de deurmat. Een gevaarlijke vorm van cultuurrelativisme, omdat de nieuwkomers daardoor straks, onder verwijzing naar de eigen cultuur, elke aanranding van fundamentele mensenrechten zullen kunnen goedpraten. Niet alle culturen zijn gelijkwaardig, aldus Von der Dunk, die ten slotte met een onweerlegbare oneliner zijn gelijk haalt: 'Mensen zijn gelijkwaardig, en daarmee zijn culturen die deze fundamentele gelijkwaardigheid ontkennen, dat per definitie niet.'

Niks mis met zo'n standpunt. Het kan geen kwaad er nog eens op te wijzen dat juist dit soort fundamentele waarden de westerse samenleving leefbaarder en humaner maken dan de meeste niet-westerse. Maar het getuigt niet van consistentie om, zoals Von der Dunk bij herhaling doet, in het ene opstel de kennelijke schaamte voor het eigen christelijk verleden - oerbron van die centrale waarden - aan de kaak te stellen, en in een volgende beschouwing de nog aanwezige bestaansvormen van datzelfde christendom als vormen van overleefd obscurantisme en nationale folklore belachelijk te maken.

Geloof en religie worden door Von der Dunk kernachtig samengevat in het trefwoord 'Urk'. Daarmee heeft hij de lachers bijvoorbaat op zijn hand. En dit maakt het hem een stuk gemakkelijker het verschijnsel vervolgens als volstrekt achterhaald in de hoek te zetten. De Verlichting heeft immers definitief afgerekend met de godsdienst, die de mens tot een slaafs en onmondig slachtoffer van kwade monarchen en kerkvorsten degradeerde. Pas na de Verlichting kregen vooruitgang en welvaart vrij baan, aldus Von der Dunk.

Een tamelijk kortzichtige visie, zeker voor een historicus, die voorbij gaat aan de continuïteit in de ontwikkeling van de Europese cultuur. De Verlichting kwam per slot van rekening niet uit de lucht vallen. Misschien moet Von der Dunk zich nog eens verdiepen in de christelijke grondslagen van Erasmus' humanisme, of in de geschriften van de socioloog Max Weber, waarin deze de eigenaardigheden van de protestantse ethiek als de wortels van het westerse kapitalisme blootlegt.

Als er al een rode draad in Alleen op de wereld te vinden is dan is het de verbinding tussen een tweetal taboes die Von der Dunk tracht te doorbreken. Nummer één is het negeren in de politiek van de religieuze factor, zoals bijvoorbeeld in de discussie over de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Goede tweede is de eveneens religieus georiënteerde mythe rond God, Nederland en Oranje, die volgens Von der Dunk tegen beter weten in in stand wordt gehouden. Of op die mythe werkelijk zo'n taboe rust mag, gezien de actuele discussies rond het koningshuis, worden bewtijfeld. Maar Von der Dunk bestrijdt de monarchistische draak met verve, daarbij uit het oog verliezend dat het beestje van papier-maché is.

Als iets de Nederlander kenmerkt, dan is het zijn onbedwingbare neiging tot polemiseren in combinatie met een door de Duitsers als Selbsthass omschreven kijk-ons-eens-belachelijk-wezen-mentaliteit. Typische Nederlander dus, die Von der Dunk. Maar alleen op de wereld? Allesbehalve.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden