Het bijzondere van het gewone

EEN PAAR JAAR geleden zond de VPRO-televisie de onvolprezen Belgische kinderserie Zakken uit. Een werkloze man raakt geïntrigeerd door zijn mooie buurvrouw....

Waarschijnlijk heeft Marion Vredeling, die debuteeert met de verhalenbundel Godin van het vuil, nooit naar Zakken gekeken; je moest er zondagochtend erg vroeg voor opstaan. Maar haar verhaal 'Zach', eerder gepubliceerd in het Nieuw Wereldtijdschrift, heeft precies dezelfde strekking. De archeologie van het afval: een onuitputtelijk terrein. Met iedere zak gaat een wereld open.

Werkloze Sylvia zet het vuilnis van haar buurjongen buiten en kan de verleiding niet weerstaan. Beetje bij beetje openbaart zich aan de werkloze Sylvia de persoon van deze Zach, die haar niet ziet zitten. Hij heeft wel iets beters aan zijn hoofd; de tobberige Sylvia niet. Zach blijkt een briefschrijver die veel briefjes niet verstuurt. Sylvia reconstrueert uit snippers zijn gedachten- en liefdesleven. Zijn moeder ligt op sterven, en er is ene 'Joyce'. Na een tijdje verbeeldt ze zich dat de briefjes zonder aanhef voor haar bestemd zijn. De ingebeelde liefde eindigt als de verhuiswagen met Zachs spullen de straat uitrijdt.

'Zach' is een mooi verhaal, dat het vooral moet hebben van een sterke emotionele geladenheid. Stijl noch structuur is bijzonder, en over de hoofdpersonen komen we niet meer te weten dan wat het beperkte thema nodig heeft.

Er staan nog twee mooie verhalen in deze bundel. Een ervan is 'De waaiboom'. Het is een bijzonder gewoon verhaal. Een oude, ietwat excentrieke vrouw ligt op sterven. Er is kind noch kraai. Kiki, de vrouw, houdt van haar dieren, en van haar principes. 'En dan raak je snel veel vrienden kwijt.' Een stervensbegeleidster en een jonge vriendin, verre familie, trotseren het nukkige gedrag, het braaksel en de stront.

De vertelster is dol op Kiki: 'Met haar kon je over antirimpelcrème en douche-sponzen praten, zonder dat ze je verweet dat het gesprek over een onderwerp van niks ging.' Ook hier wordt uit een toevallig rommeltje van voorwerpen en nutteloze praatjes een leven gereconstrueerd. Er zijn mooie observaties, op achteloze toon: 'De bak met roze, witte en paarse petunia's had ze naast een bloembak vol oranje afrikaantjes en rode salvia's gehangen. Het leek wel of Kiki zich liet inspireren door de kleuren die de farmaceutische industrie had meegegeven aan de pillen naast haar ontbijtbord.' Langzaam ontrolt zich een klein drama uit het verleden - een mislukte relatie met de slager - en als Kiki na 25 bladzijden sterft, is zij levend uit de banaliteiten opgerezen.

In de andere verhalen spelen afval, brokstukken verleden en excentrieke personages ook een rol, maar nergens, het lange slotverhaal uitgezonderd, lukt het procédé zo goed als in de genoemde verhalen. Misschien komt dat doordat er een dringend beroep op de lezer wordt gedaan de hoofdpersonen bijzonder te vinden. Zoals 'Het heet feest', veelbetekenend voorzien van een citaat van James Joyce waarin een meisje geïntrigeerd raakt door de lelijkste en onaardigste man op een feestje, een zwerverstype dat met haar naar bed wil. Vredeling heeft er alles aan gedaan deze figuur raadselachtig te maken maar hij blijft vies, vervelend en oninteressant.

Hetzelfde geldt voor de desintegrende schrijver in 'Het verlorene' - hier mag Dante in een motto opdraven. Het beschrijven van zijn op te hoge toeren draaiende, uiteenvallende gedachten lukt nog aardig, maar nergens wordt duidelijk waarom we deze brij uit het hoofd van een onbekende interessant moeten vinden. Gekte is op zichzelf niet bijster interessant. Excentriciteit evenmin.

De orakelende 'godin van het vuil', een heksachtig wezen dat een jonge toerist in het titelverhaal rondleidt door de angstaanjagende spookstad op de vuilnisberg in Mexico-Stad weet niet 35 pagina's lang te boeien met haar antifilosofieën over leven en dood; de eenzame vrouw in 'Een reis in een reis in een reis in een reis' die, op zoek naar haar broer in een gevangenis, brieven aan zichzelf schrijft, evenmin. Vredeling geeft hier te weinig details uit de levens die ze uit het gewone wil verheffen.

Want het bijzondere van het gewone is wel haar grote kracht. Dat blijkt in 'Gedenkwoordenboek', een 'verhaal' van bijna honderd bladzijden dat wat mij betreft apart uitgegeven had mogen worden. Vredeling doet hier zoiets als Nicolaas Matsier in zijn Vergeetwoordenboek, zonder hem overigens te imiteren. Matsier redde in onbruik geraakte voorwerpen en bijbehorende geuren en geluiden voor de totale vergetelheid, Vredeling bedrijft de archeologie van een taal; zij haalt de uitdrukkingen in het gezin van haar grootouders onder het stof vandaan. 'Poging tot inventarisatie van een Nederlandse familie' noemt ze haar alfabetische lijst. Een scherp onderscheidend oor voor wat 'eigen' is en wat gewoon of plat, en een fabelachtige herinnering zijn haar instrumenten.

Haar grootmoeder Daatje en haar man Piet Kwadraat - die zo heette omdat zijn vrouw altijd 'Piet, Piet' riep - zijn een rijke bron van huistaal voor beperkt gebruikt. Daatje heeft het copyright op 'gozekont' (slapjanus), 'moekerig' (viezig), 'zanter' (hamsteraar) en 'gruizig' (hongerig, gulzig). Piet, geen groot prater, vond het bruikbare 'eit' uit voor viezigheid, en grapte 'je bent nog laat open' als iemand een wind liet. Katoenen, gebruikte maandverbanden noemde hij 'biefstukken', een uitgeslagen douchegordijn was 'verspochten'. 'Schuddebeurshoedjes' zijn de hoofddeksels die Daatje kreeg als afdankertjes van overledenen in verpleeghuis Schuddebeurs. Kinderen die te kort gehouden worden 'hebben geen omslag'; een dutje doen heet 'even de ogen verschieten'.

Aan veel uitdrukkingen kleeft, zoals in iedere familie, een geschiedenis. Na langdurig stilzwijgen op een verjaardagsfeestje riep iemand: 'Zo, laat Van de Pavert nu maar binnenkomen' en pas als ze een hele lijst uit haar herinnering heeft opgediept, schiet het de schrijfster te binnen wie die Van de Pavert was. 'Buk je' is de gepaste uitdrukking als er gevaar dreigt, want dat werd vaak geroepen als de ondergedoken oudste zoon stiekem even thuis was; de NSB-buren loerden. 'Play piano' is voor altijd de naam voor een leuke jongen, omdat op bevrijdingsdag een leuke Amerikaan dat tegen een van de dochters riep.

Sommige begrippen komen in meer families voor, zoals 'taddiken'(vies doen) of 'Gekke Henkie'. Maar het zijn juist de unieke uitdrukkingen van deze, waarschijnlijk Zuid-Hollandse familie, en de droge, van zuinig commentaar voorziene weergave van Vredeling, die het tot het verhaal van álle families maken. Hier rijst het Nederland op van kort voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

In het 'Nawoord van een zanter' beschrijft Vredeling hoe ze, op een avond thuisgekomen, met haar jas nog aan in haar gedenkwoordenboek zit te bladeren. Ineens beseft ze wat tot de lezers inmiddels is doorgedrongen: 'Dit lijkt over een familie te gaan die de oorlog nooit achter zich heeft gelaten en waarin alle familieleden van een dubbeltje een kwartje probeerden te worden.' De niet uitgetrokken jas, en genotvol bladeren in de zelfgemaakte lijst - deze details zijn veelzeggend. Zij duiden op het enorme plezier en de liefdevolle aandacht waarmee deze lijst werd gemaakt. Een verhaal dat dit debuut in één klap waardevol maakt.

Aleid Truijens

Marion Vredeling: Godin van het vuil.

Thomas Rap; 257 pagina's; ¿ 34,50.

ISBN 90 6005 870 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden