Het bedrijfsbelang woog het zwaarst

Wie de houding van de Nederlandse banken tijdens de Tweede Wereldoorlog bestudeert, heeft al snel materiaal genoeg voor een schandaalgeschiedenis....

Eerst hadden de banken zonder veel verzet toegelaten hoe de Duitse bezetter zich van de bezittingen van hun joodse klanten meester maakte, vervolgens speelden ze mee in het verhandelen van die bezittingen en na de oorlog probeerden ze de ware toedracht onder het tapijt te vegen.

De collectieve herinnering aan de uitsluiting, vervolging en vernietiging van meer dan honderdduizend joden, ruim 70 procent van de totale joodse bevolking van Nederland, en de weinig heldhaftige, passieve en in veel gevallen zelfzuchtige houding van hun 'arische' landgenoten, snijdt nog altijd zo diep dat een dergelijk scherpe aanklacht een dankbaar gehoor zal vinden. En dat is goed te begrijpen. Wie deze geschiedenis bekijkt door de ogen van de slachtoffers en hun nabestaanden, zal het gedrag van de betrokken banken immers in de eerste plaats beoordelen naar de feitelijke uitkomsten, en minder geïnteresseerd zijn in de inzichten, motieven en omstandigheden die de verantwoordelijke functionarissen tot hun gedrag brachten.

Toch valt er voor zo'n afstandelijker benadering veel te zeggen. Het verlies, de pijn over deze onvoorstelbare wandaden, wordt weliswaar niet weggenomen, maar een degelijke analyse kan wel de mechanismen blootleggen waarlangs deze verschrikkingen konden plaatsvinden - een inzicht waaruit ten slotte misschien zelfs iets te leren valt.

Banken in bezettingstijd van de Leidse historica Milja van Tielhof is zo'n studie. Het onderzoek is verricht in opdracht van ABN-Amro, naar aanleiding van de vele geruchtmakende - inmiddels afgewikkelde - affaires in binnen- en buitenland over de rol van banken en verzekeringmaatschappijen bij de nazistische roof van joodse bezittingen, eind jaren negentig. Het werk spitst zich toe op de geschiedenis van zeven grote banken waaruit ABN-Amro is voortgekomen, waaronder de Amsterdamsche Bank, de Rotterdamsche Bankvereeniging, de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Twentsche Bank. Op het eerste gezicht een heikel avontuur (het in opdracht schrijven van een studie over zo'n gevoelig onderwerp) maar het resultaat geeft geen reden de uitspraak van de auteur dat het onderzoek in vrijheid is verricht, in twijfel te trekken.

Het boek heeft een wetenschappelijk karakter, maar niettemin spatten de actualiteit en de gevoeligheid van het onderwerp van iedere bladzijde af. In dat opzicht kan de titel in zijn weidsheid zelfs misleidend worden genoemd. Banken in bezettingstijd gaat feitelijk maar over één kwestie: de rol en de houding van de banken inzake de 'uitlevering' van joodse bezittingen, hun handelswijze jegens het joodse personeel, de handel in de van joodse klanten gestolen effecten en goederen, en ten slotte de pogingen om na de oorlog de meest pijnlijke kwesties toe te dekken. Dat is de hoofdlijn, al komen er af en toe ook andere episodes, zoals de gedwongen arbeidsinzet van niet-joodse werknemers in Duitsland en de relaties tussen de banken en het verzet, vanaf 1943, aan de orde.

Het beeld dat Tielhof van de houding van de banken presenteert, is bepaald niet eenduidig.

Weliswaar bestond er binnen de bankwereld weinig sympathie voor het nationaal-socialisme en waren er niet veel overtuigde collaborateurs, het verzet tegen allerlei maatregelen was evenmin overtuigend, zeker niet vóór 1943, toen de opmars van Duitse legers in Rusland tot staan werd gebracht en de kansen begonnen te keren. De directies van de verschillende banken stelden zich in het algemeen betrekkelijk meegaand op, al werden hier en daar pogingen gedaan de pijn voor het eigen personeel te verzachten, door te zoeken naar de mazen in de wet en bepaalde Duitse maatregelen te vertragen of te ontduiken - overigens niet alleen om principiële, maar vaak ook om zakelijke redenen.

De zakelijke belangen wogen zwaar, zeer zwaar zelfs. Temidden van de vele motieven die in Tielhofs studie de revue passeren (zorg voor het eigen personeel, nationale gevoelens, angst voor sancties, ook tegen de eigen functionarissen) springt het bedrijfsbelang er onmiskenbaar uit als belangrijkste motief. Daarin zochten de banken en commissionairs dan ook de rechtvaardiging voor de omvangrijke handel in gestolen effecten op de Amsterdamse beurs, een miljoenenzaak waarover men zich toen al schuldbewust toonde.

De handel zou bedoeld zijn om te voorkomen dat de aandelen - en daarmee een deel van het Nederlandse bedrijfsleven - in Duitse handen zou raken. Daarnaast zorgde de handel voor enige compensatie voor de dalende omzetten en voor het op peil houden van de aandelenkoersen.

Na de oorlog hebben de banken en aandelenhandelaren beweerd dat zij de handel in gestolen aandelen bedreven in het belang van de oorspronkelijke joodse eigenaren, maar daarvoor bestaat niet het minste bewijs. Integendeel, als er nu iets is wat in deze geschiedenis vrijwel ontbreekt, is het wel het belang van de klant. Dat is, goed beschouwd, merkwaardig. Want terwijl andere beroepsgroepen, zoals artsen, journalisten en advocaten, na de oorlog zijn aangesproken op hun professionele verantwoordelijkheid jegens de patiënt, de lezer en de cliënt - waarbij het feitelijk gedrag en niet de zakelijke belangen of de 'nationale gezindheid' telde - blijkt de schending van het vertrouwen van de klanten door de bankdirecties bij de zuivering geen rol van betekenis te hebben gespeeld.

Er is nog een ander mechanisme dat in Banken in bezettingstijd genadeloos wordt blootgelegd, een mechanisme dat we ook al kennen uit andere literatuur: hoe allerlei personen en instellingen - bankdirecties die proberen hun eigen personeel of bedrijf te beschermen, joodse organisaties die zich aan de Duitse verordeningen hielden in de hoop een groter gevaar af te wenden, maar ook de ambtenaren en bedrijven die samenwerkten met de Duitsers om de 'Nederlandse belangen' veilig te stellen - telkens weer door de nationaal-socialisten werden gemanipuleerd en dienstbaar werden gemaakt aan de logica van hun moorddadig systeem. Er was, zo weten we nu, geen weg terug. Er bestond geen 'taktiek' om uit het moeras te geraken waarin men verzeilde vanaf het moment dat de scheiding tussen joden en niet-joden werd aanvaard. En juist dat moment, al in het eerste oorlogsjaar, hadden de meeste Nederlanders en hun instellingen, vaak zonder verzet laten passeren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden