'Het armelijke Heden hoont het koninklijke Gisteren'

Een 'sijfelende slang' noemde zijn vriend S. Vestdijk hem. Willem Pijper kon genadeloos zijn, maar zijn muziekessays blijven onovertroffen.

Een dierbare trawant, noemde de schrijver Simon Vestdijk hem. Een vriend en leermeester met wie hij zich 'na de eerste blik en het eerste losse woord' verbonden voelde. Dat die relatie geen sinecure was, valt na te lezen in de terugblik die Vestdijk in Gestalten tegenover mij (1962) aan de 'boeiende en nogal moeilijke vriendschap' wijdde.


Willem Pijper (1894-1947), een begaafd componist en een bovengemiddelde essayist, was geen gemakkelijk mens. 'Bij Pijper was het wel zo, dat men na de eerste of tweede maal zijn behuizing licht gewapend moest betreden', luidt een van Vestdijks mildere observaties. Zijn zelfverkozen rol tegenover de immer agressief ad remme collega (met wie hij kort voor diens dood als librettist zou samenwerken) typeerde hij met zelfspot als die van 'een edelmoedig konijn, dat de sijfelende slang bij zich in de buurt niet ziet en niet hoort'.


Over Pijpers scherpe tong kon menige figurant in het Nederlandse muziekleven van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw meepraten. Pijper gold niet alleen als de grote belofte onder de jonge Nederlandse componisten (maestro Willem Mengelberg dirigeerde in 1918 de première van zijn Eerste symfonie), in zijn florerende nevenpraktijk als dagbladcriticus en essayist profileerde hij zich als de scherprechter van de Nederlandse muziek, die hij met zweepslagen van haar benepen provincialisme wilde genezen.


Zijn reputatie als gevreesd polemist was tot dusver gebaseerd op twee essaybundels, De quintencirkel (1929, driemaal herdrukt) en De stemvork (1930), en vooral ook op de notoire 'Utrechtse muziekoorlog' rondom de arme Jan van Gilse, de dirigent die zo ziek werd van Pijpers beukende kritieken dat hij in 1921 uit lijfsbehoud zijn positie bij het Utrechtsch Stedelijk Orkest opgaf.


Noodgedwongen is het beeld van Pijper als criticus tot dusver beperkt en onvolledig gebleven. Bij het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 ging Pijpers woning aan de Schiekade in vlammen op en verloor hij al zijn bezittingen, waaronder zijn complete archief (dat ook zijn goeiige bulldog Sue daarbij omkwam, was volgens Vestdijk een misschien nog grotere slag voor hem).


Hoezeer die cesuur het zicht op Pijpers letterkundige oeuvre heeft beperkt, blijkt pas goed uit de recente publicatie van Het papieren gevaar, de 'verzamelde geschriften' van Willem Pijper. De musicoloog Arthur van Dijk, die Pijpers verspreide essays en kritieken in ruim 25 jaar speurwerk in alle denkbare en ondenkbare archieven achterhaalde, presenteert zijn levenswerk in twee monumentale, in geel en zwart (gevaar!) vormgegeven banden. De enorme hoeveelheid tekst, bij elkaar tweeduizend pagina's, wordt voorbeeldig toegankelijk gemaakt met inleidende essays, een rijk notenapparaat en een nog eens 120 pagina's tellend zaken- en persoonsregister in een apart derde deel.


Van Dijk, in het dagelijks leven algemeen directeur van Het Brabants Orkest, traceerde 761 Pijperteksten, waarvan hier zo'n 90 procent voor het eerst is gebundeld. Het maakt Het papieren gevaar om meer dan één reden waardevol. Niet alleen wordt recht gedaan aan een van de intelligentste en dwingendste essayisten van de twintigste eeuw, de chronologisch geordende kritieken geven ook een bijzonder levendig beeld van het muziekleven in de jaren twintig en dertig, vol eerstehands impressies van legendarische namen als Arturo Toscanini, Richard Strauss en Arnold Schönberg, die hier destijds in levenden lijve in de concertzalen te bewonderen vielen.


Een superieur voorbeeld is de schets van de Tsjechische componist Leos Janacek, die Pijper in 1927 in Frankfurt ontmoet: 'De jeugdige grijsaard uit Praag. Hij is 73 jaar en ziet eruit als een menslievende en gemoedelijke Strindberg - men zou hem zestig jaar geven en een weekend met hem willen gaan kamperen.'


Dat het bewonderen er bij Pijper niet altijd van kwam - zijn ultieme lof reserveert hij voor Anton Weberns Fünf orchesterstücke, gehoord in 1926 in Zürich - blijkt uit zijn onvoordelige portret van Sergej Prokofjev, die in 1925 zijn eigen pianomuziek in Amsterdam vertolkt: 'De muziek zal zich niet meer ontwikkelen op de terreintjes die Prokofjev beploegt en bebouwt. Hij plukt de laatste oogst.'


Zelfs de grote dirigent Toscanini ontkomt niet aan Pijpers scepsis: een tovenaar, zeker, met 'een tot in het gigantische ontwikkeld heersersvermogen', maar toch ook met iets 'Don Quichot-achtigs' in zijn 'fervente, doch in wezen objectloze agressiviteit'.


Opvallend is de ruimte die de toenmalige courantiers hun muziekmedewerkers gunden. Als Pijper in 1917 debuteert in het Utrechtsch Dagblad verschijnt zijn naam meteen al twee- tot driemaal per week in de kolommen, waarbij hij concertrecensies vervlecht met lange essayistische bespiegelingen (onderbroken door 'laat ik niet te ver afdwalen'), schermutselingen met collega-critici en complete didactische uiteenzettingen. Een verbazingwekkend detail is dat Pijper zelfs uitvoeringen van zijn eigen werk bespreekt, en dan niet terugdeinst voor complimenten (over een vertolking van zijn Septet: 'absoluut superieur').


Bij dat alles moet gezegd dat in de tweeduizend pagina's niet één banale, slecht geschreven zin is te vinden. Pijper hanteert zijn scherpe pen doelgericht ('vanavond kookt het in mijn inktpot') en met een soevereine, haast wellustige flair. Hij is even origineel als trefzeker in zijn metaforen, die hij ontleent aan vaak minder voor de hand liggende bronnen, zoals zijn passie voor het autorijden - dat dan nog als een tijdverdrijf voor fijne luiden kan gelden.


Zo typeert hij het vioolspel van de 'stadionachtig' toegejuichte Jascha Heifetz (januari 1926 met Beethovens Vioolconcert in Amsterdam) als 'de sensatie van een voortreffelijk uitgebalanceerde zestigpaards achtcilinder motor, volstrekt bedrijfszeker, geruisloos en soepel. De muziek heeft met dit alles overigens bijster weinig te maken.' En niet voor niets ook refereert hij aan literaire inspiratiebronnen: van Gustav Meyrink en Jean Cocteau tot de poëzie van J.A. Dèr Mouw en Jac. van Looy's De wonderlijke avonturen van Zebedeus, dat tot zijn favoriete lectuur behoort.


Maar wie scherp en geestig formuleert, heeft nog niet altijd gelijk. Een flink percentage van Pijpers oordelen - al dan niet met dank aan de verstreken tijd - klinkt nodeloos bitter. Over Arnold Schönberg schrijft hij: 'Weinig is belachelijker dan een middelmatigheid die zich het air van de wereldhervormer geeft.' En over de Igor Stravinsky van na de Sacre: 'Dat zijn armelijke Heden zijn koninklijke Gisteren staat te honen, zij hem vergeven', gevolgd door de krachttermen 'faillissement' en 'smaad'. Bij Gustav Mahler ontwaart hij zelfs 'totaal verwoeste dode plekken.' Voor de oude meesters is hij als het uitkomt nauwelijks milder, getuige de minzame bespotting van Robert Schumanns Carnaval: 'Een der besluiteloze telraammuziekjes van de goedaardige fantast.'


In hetzelfde register wijst hij alles af wat naar 'Amerikaanse toestanden' zweemt, de jazzmuziek - of wat erop lijkt - uiteraard voorop. Bij de dood van componist George Gershwin in juli 1937 schrijft hij in De Groene Amsterdammer: 'Rhapsody in Blue en An American in Paris kunnen slechts als tijdverschijnsel gewaardeerd worden.' Gershwins muziek acht hij 'bruikbaar om de toeschouwers in music-hall en cinema het denken te beletten'. En Louis Armstrong en het orkest van Duke Ellington zijn al lang en breed in Nederland te horen geweest als Pijper nog schampert over 'onze steriele zogenaamde jazzmopjes' waarmee we 'in de kinderkamer zijn aangeland'.


Bij alle bewondering voor zijn vriend en leermeester weigerde Simon Vestdijk overigens diens oordelen voetstoots voor waarheid aan te nemen. Over de hartgrondige verwerping van de symfonicus Mahler, het idool nota bene van Pijpers jonge jaren, en tevens 'een machtige bron van onenigheid tussen ons', merkt Vestdijk in Gestalten tegenover mij op dat hij ertoe neigde 'Pijpers minachting voor niet helemaal echt te houden, voor het afreageren van een vroegere binding.'


Nu alleen nog een goede Pijper-biografie. Daar wordt aan gewerkt, door de Amerikaan Harrison Ryker.


Willem Pijper: Het papieren gevaar - Verzamelde geschriften 1917-1947.

Bijeengebracht en geannoteerd door Arthur van Dijk. Geredigeerd door Odilia Vermeulen en Ton Braas.


KVNM / Willem Pijper Stichting; 836 en 985 pagina's; € 198,-.


ISBN 978 90 6375 217 0.


willempijper.nl


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden