Het afdankertje afgedankt - maar komt Rwanda ooit van de tweedehandskleding af?

Tweedehands kleding is ‘niet waardig’ en slecht voor de lokale economie, zo denkt Rwanda’s president Kagame. Hij verhoogde de invoertarieven fors. Tot het verdriet van velen.

Een kledingverkoper toont een tweedehands overhemd in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. Omdat de invoer van gebruikte kleren duurder is gemaakt, is hij ook goedkope eerstehands kleding uit China gaan verkopen. Foto Nadège Karemera

Celestin (33) staat in zijn kiosk van één bij twee meter vol met groene T-shirts uit Amerika, blauwe hemden uit Haïti en rode kinderkleren uit Vietnam. Hij gebaart met zijn armen naar beneden en foetert: ‘Mijn verkoop is gedááld! Mijn inkomsten zijn gedááld! Op sommige dagen verdien ik zelfs te weinig om eten te kopen.’ Celestin knijpt in zijn zij en zegt: ‘Ik ben dunner geworden.’

Niet waardig

Celestin biedt tweedehands kleding aan op een markt in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. Afrika is eraan gewend om zich te hullen in afdankertjes van overzee. Lokale kledingindustrieën zijn zwak en de ladingen nieuwe kleren uit China zijn volgens veel mensen van slechte kwaliteit en niet origineel. Waar je je in een land als Rwanda wél mee onderscheidt, is dat ene gebruikte jasje van ver weg. Het lokale woord voor gebruikte kleding is veelzeggend: chagua betekent eigenlijk ‘kiezen’, of ‘selecteren’. Celestin: ‘Gebruikte kleren zijn authentiek.’

Maar de president van Rwanda wil ervan af. Volgens Paul Kagame zijn gebruikte kleren niet ‘waardig’. Rwanda moet zelf zijn mensen kleden. Dat zou ook beter zijn voor de lokale economie. De regering heeft om deze redenen de invoertarieven voor tweedehands kleren drastisch verhoogd.

Celestin legt uit wat dit voor hem betekent, op de markt, waar ook een tweedehands wielerhesje is te zien met reclame voor Hengelsport De Mille uit Lubbeek. Hij pakt een gebruikt groen shirt en zegt: ‘Drie jaar geleden kon ik dit verkopen voor 5.000 Rwandese franc (4,80 euro). Door de verhoogde invoerbelasting heb ik nu 15.000 franc nodig om winst te maken. Klanten blijven dus weg, ze besluiten langer te doen met de kleren die ze al hebben. Verkopers verliezen zo hun werk.’

Tekentafelstaat

Het terugdringen van tweedehands kleren was een besluit van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, maar lidstaten zoals Kenia, Oeganda en Tanzania krabbelen deels alweer terug. Ze zijn bang om Amerika voor het hoofd te stoten. Washington dreigt handelsvoordelen voor Afrikaanse landen in te trekken als de landen hun markten afsluiten voor gebruikte kleding uit de VS. Rwanda houdt wel voet bij stuk, ook al riskeert het ruzie met het grote Amerika. En ook al produceert het zelf nagenoeg geen kleding en ook al klagen Rwandezen dat ze steeds meer moeten betalen voor de import.

De onwrikbare houding is typerend voor de Rwandese overheid, weet Celestin. Rwanda’s rechtlijnige regering werkt aan een tekentafelstaat en gaat daarbij door roeien en ruiten. De stellingname tegen tweedehands kleding is slechts het jongste voorbeeld. Plastic tasjes zijn in het land verboden. Brommerbestuurders en hun passagiers dragen verplicht een helm. Kigali herbergt Afrika’s enige autovrije zone. In de strijd tegen geluidsoverlast bestormde de politie in 2014 een voorleesavond voor poëzie.

Hypocriet

Celestin noemt de stevige opstelling van de Rwandese regering niet alleen slecht voor zijn zaken, hij vindt de houding ook hypocriet. De regering noemt tweedehands kleding onwaardig, maar het gebouw waar het beleid tegen de kleding wordt vormgegeven - het glimmende, zilverkleurige ministerie van Handel - is een geschenk van China, net zoals het kantoor van de premier ernaast. Als je zo hecht aan waardigheid, vraagt Celestin, waarom accepteer je dan dat een ander land je regeringsgebouwen neerzet?

Ritesh Patel ziet het terugdringen van tweedehands kleren wel zitten. Patel, een Indiër, is directeur van Rwanda’s enige kledingfabriekje dat al produceert voor de lokale markt. Het bedrijf heet Utexrwa, van l’Usine Textile du Rwanda. De fabriek werd opgericht in 1984 en doorstond de burgeroorlog en de volkerenmoord van de jaren negentig.

Extra werkgelegenheid

Utexrwa’s productie van ‘gewone’ kleren is zeer bescheiden. De firma maakt vooral uniformen en hesjes: voor de politie, voor schoolkinderen en voor een fonds dat is vernoemd naar Dian Fossey, de beroemde onderzoekster van Rwanda’s berggorilla’s. Maar, betoogt Patel in zijn productiehal in Kigali, waar tussen wanden van verweerde golfplaat en aluminium vijfhonderd Rwandezen werken: ‘Het uitfaseren van tweedehands kleding kan meer ruimte scheppen voor ons om normale kleding te maken. Het creëert dus ook extra werkgelegenheid.’

Patel erkent dat dit wel moeilijk wordt. Het beetje vrijetijdskledij dat Utexrwa reeds produceert, is duurder dan veel van de tweedehands kleding die Rwandezen vinden op de markt, zelfs nu zulke kleding fors in prijs is gestegen. Utexrwa’s productiekosten zijn namelijk heel hoog. De bestanddelen voor de kledingproductie worden geïmporteerd in het door land ingesloten Rwanda. Bestanddelen zoals chemicaliën, verf en zelfs katoen - Rwanda wil wel een eigen textielindustrie, maar het vervaardigt geen katoen.

Te duur

De Rwandese regering is echter de Rwandese regering en dus wordt de realiteit geacht zich aan te passen aan haar wensen. Als we tweedehands kleding verdrijven dan moét er wel een lokale maakindustrie ontstaan, lijkt de gedachte. Voor de weg der geleidelijkheid, waarbij éérst de lokale industrie wordt uitgebouwd, is hier geen plek.

De regering steunt Utexrwa door de invoertarieven op chemicaliën en verf en katoen af te schaffen en zo de lokale productiekosten voor kleding te verlagen. Maar dan nog is Utexrwa niet erg concurrerend. Ritesh Patel trekt met zijn vingertoppen de schouders van zijn roodwitte blokhemd omhoog en zegt: ‘Dit type shirt is in onze fabriek gemaakt. Maar het blijkt te duur voor de meeste Rwandezen. We maken dingen die mensen niet kunnen betalen.’

Naaisters van kledingproducent Utexrwa in Kigali. Het beestje vrijetijdskledij blijkt te duur voor veel Rwandezen. Foto Nadège Karemera

Chinese kleren

Zelfs een volledig verbod op tweedehands kleding zou waarschijnlijk maar van beperkt voordeel zijn voor de lokale productie. Op markten en in winkels in Rwanda is er immers ook nog de goedkope, nieuwe kleding uit China. Mocht Rwanda echt de tweedehands kleding volledig uitbannen, loopt dan straks iedereen in kleren uit China?

Ibrahim Rutayisire (40) hoopt van niet. De kledingverkoper heeft wel voorraad uit China: in zijn winkeltje in Kigali hangen zwarte kledingzakken met pakken van ‘Pierre Cardin’ uit ‘Parijs’ en van ‘Peer Kadin’, ook uit ‘Parijs’. Rutayisire wil niet dat zijn klanten doorkrijgen dat hij wel twintig van dezelfde knalrode broeken uit China aanbiedt. Hij legt de broeken niet op een stapel, maar verstopt ze één voor één tussen broeken met andere kleuren.

‘Het was niet mijn voorkeur om Chinese kleren te gaan verkopen’, zegt Rutayisire. ‘Veel Rwandezen verachten het spul. Dat ik zulke kleren toch verkoop, is omdat tweedehands kleding erg duur is geworden. Sommige klanten moéten nu wel Chinese kleren kopen.’

Ruzie met VS raakt Chinese fabriek

Het handelsconflict tussen Rwanda en Amerika over tweedehands kleding dreigt een opvallend slachtoffer te maken: een Chinese kledingfabriek in Rwanda. In een 7.500 vierkante meter grote fabriek bij de hoofdstad Kigali worden lappen stof aan elkaar genaaid tot kledingstukken – als ware het een assemblagelijn uit de auto-industrie. Het bedrijf heet C&H en behalve de circa 800 Rwandese handarbeiders komt bijna alles uit China. De eigenaren. De kledingstof. De naaimachines. De brandblusapparaten. Aan de muren hangen grote banieren met teksten als: ‘Wij houden van Rwanda - Wij houden van C&H.’ En: ‘Samen kunnen wij de nummer één fabriek in Rwanda vormen.’

C&H produceert niet voor de Rwandese markt. Alle kleding is bestemd voor buiten Afrika. Rwanda lijkt vooral een aantrekkelijke pitstop te zijn in de mondiale race naar steeds goedkopere vervaardiging. De Chinese eigenaren van C&H besteden de kledingproductie van lagelonenland China uit naar het nieuwe lagelonengebied Afrika. Rwanda biedt C&H gunstige vestigingsvoorwaarden en haalt zo in elk geval handarbeid binnen voor zijn mensen. Rwanda keek het idee af van Ethiopië, waar de Chinezen van C&H al eerder actief werden.

Een essentiële reden voor C&H om te kiezen voor Rwanda is dat de in Rwanda gemaakte kleren belastingvrij toegang krijgen tot de Amerikaanse afzetmarkt. ‘Dit is een voordeel vergeleken met productie en export vanuit Azië’, zegt Malou Jontilano, een 52-jarige Filippijnse die de fabriek van C&H runt namens de Chinese eigenaren.

Kleding uit Rwanda heeft relatief voordelig toegang tot Amerika op basis van regelgeving uit het jaar 2000. De African Growth and Opportunity Act - kortweg AGOA - dekt ook andere Afrikaanse landen. De regelgeving moet export uit Afrika bevorderen. De maatregel is wederkerig: Amerikaanse producten dienen toegang te krijgen tot Afrika. En daar wringt nu de schoen volgens Washington. Rwanda’s recente verhogingen van invoertarieven op tweedehands kleding moeten voor eind mei van tafel, vindt Amerika, dat gebruikte kleren uitvoert naar Rwanda. Anders schorst Washington de belastingvrije invoer van producten uit Rwanda. En dat zou C&H raken: van alle kleren die dit bedrijf voortbrengt, is de helft bestemd voor de VS. ‘Sommige van onze orders uit Amerika staan nu in de wacht’, zegt Jontilano.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.