Herstel publieke sector vraagt ander economisch scenario

Het te laag schatten van de economische groei, zoals minister Zalm doet, heeft nadelige gevolgen voor de publieke sector, stellen Paul Rosenmöller en Kees Vendrik....

Paul Rosenmöller en Kees Vendrik

VANDAAG de dag wordt breed erkend dat de collectieve sector in Nederland er slecht voor staat. Jaren van bezuinigingen en publieke krapte hebben hun sporen nagelaten. Er zijn te weinig handen aan bed en lessenaar, de werkdruk is groot, en de salarissen zijn onder maat, evenals gebouwen en arbeidsomstandigheden.

Dat schrijnt des te meer nu minister Zalm in 2002 een aanzienlijk inkomstenmeevaller noteert, voor de achtste keer in successie; één van werkelijk astronomische omvang: 32 miljard gulden. Volgens de paarse begrotingsregels gaat deze meevaller uitsluitend naar lagere belastingen of aflossing van de staatsschuld.

Velen pleiten ervoor deze meevaller - voor één keer? - ook aan publieke tekorten te besteden. Hoezeer wij elk pleidooi voor ruimere publieke budgetten steunen, het vormt geen structurele oplossing voor de tegenstelling tussen publieke armoede en private rijkdom in Nederland. De enige weg naar een betere publieke financiering van onderwijs en gezondheidszorg, is een ander economisch scenario.

PvdA en D66 lieten minister Zalm in 1998 de ruimte opnieuw, evenals in 1994, een 'behoedzaam scenario' te kiezen. In dit scenario werd uitgegaan van een lage economisch groei van jaarlijks 2 procent. Voor de uitgavenkant van de begroting heeft dit belangrijke gevolgen: aangezien een lage groei meestal samenhangt met een lage loonstijging, wordt voor de groei van salarissen in onderwijs en zorg eveneens weinig geld uitgetrokken. Daarnaast is de werkloosheid relatief hoog, met een navenant beroep op de publieke sociale zekerheid. Bij de inkomstenkant leidt het behoedzame scenario ertoe dat de ontwikkeling van de belastinginkomsten - deze zijn sterk afhankelijk van de groei - eveneens laag worden ingeschat.

Als vervolgens de groei hoger uitpakt dan voorzien - en dat is onder Zalm elk jaar het geval geweest -, groeit de werkgelegenheid, loopt de werkloosheid terug en stijgen de lonen. De resulterende besparing op WW en bijstand is dan meteen nodig voor extra geld voor salarissen. Anders loopt de collectieve sector nog verder achter bij de marktsector.

Dit spel van mee- en tegenvallers ontbreekt bij de inkomsten: daar leidt extra groei één op één tot meevallers bij belasting- en premie-inkomsten en aardgasbaten. Als vervolgens conform de Zalmse leer van de strikte scheiding van inkomsten en uitgaven deze inkomstenmeevallers alleen bestemd zijn voor lagere belastingen en staatsschuld, ontstaat vanzelf het vertrouwde scheve beeld: bij de uitgaven houden mee- en tegenvallers elkaar min of meer in evenwicht, maar werkelijk nieuwe investeringen in zorg en onderwijs zijn vrijwel uitgesloten; bij de inkomsten stromen tientallen miljarden binnen. Dit scheve beeld is het gevolg van de bewuste politieke keuze de groei te laag in te schatten. De keuze voor een begrotingscenario is dus politiek van de bovenste plank.

PvdA en D66 hebben evenwel de liberaal Zalm zijn gang laten gaan. Structurele onderschatting van de economische groei heeft een belangrijk politiek doel: alle prioriteit voor lagere belastingen en een lagere staatsschuld. Naar deze posten is onder paars I en II verreweg het meeste geld gegaan: zo'n 50 miljard gulden. Het gevolg: private rijkdom wordt gefinancierd uit publieke krapte. De 'ramp in het onderwijs', (aldus D66-fractievoorzitter de Graaf), is zo met instemming van PvdA en D66 georganiseerd.

Wij hebben daarom van meet af aan het hart van het Zalmse begrotingsbeleid bekritiseerd: de keuze voor een groei van 2 procent. Veel logischer is een gemiddelde groei te kiezen. Deze groei ligt ongeveer op 2,75 procent, zo leert de langetermijnverkenning van het Centraal Planbureau (CPB). Zijn er dán nog inkomstenmeevallers (bij een groei hoger dan 2,75 procent), dan komen deze voor honderd procent de staatsschuld ten goede. Was hiervoor gekozen in 1998, dan zou het uitgavenkader zo'n 14 miljard gulden ruimer zijn geweest: een zeer solide financiering van broodnodige uitgaven voor zorg, onderwijs en natuur.

We hoeven niet te wachten op een nieuw kabinet. Het plan Het Spel en de Knikkers dat wij afgelopen week hebben gepresenteerd, laat zien dat een ander begrotingsscenario van 2,75 procent vanaf 2001 al meteen tot meer uitgavenruimte leidt. GroenLinks besteedt per saldo 9 (2001) en 13,5 (2002) miljard gulden aan extra uitgaven voor zorg, onderwijs, natuur en solidariteit met lage-inkomensgroepen en ontwikkelingslanden. Een nieuwe ronde lastenverlichting sluiten we uit. De aflossing van de staatsschuld gaat bij onze plannen door.

Ook voor het volgende kabinet moet de politieke keuze voor een begrotingsscenario volop in de spotlights staan, want er staan opnieuw miljarden op het spel. GroenLinks staat niet meer alleen in de keuze voor een ander groei scenario. De Sociaal-Economische Raad bepleitte vorig jaar een 'voorzichtig trendmatige groei'. Het CPB heeft in een recent werkdocument berekend wat het SER-voorstel voor de komende kabinetsperiode zou betekenen: een groei van 2,25 procent.

Dat roept vragen op. In plaats van - zoals in 1998 - met twee scenario's (behoedzaam en gunstig) de feitelijke bandbreedte aan te geven waarbinnen de economie zich zal ontwikkelen, werkt het CPB nu op eigen initiatief een door de SER gewenst scenario uit dat weliswaar een nieuwe naam heeft ('voorzichtig trendmatig'), maar feitelijk het behoedzame scenario van Paars 2 is. Wij zouden het logischer vinden dat het CPB de werkwijze van 1998 wederom hanteert en daar een derde middenscenario aan toevoegt. Het is vervolgens aan de politieke partijen hoe met de onzekerheid over de economische toekomst moet worden omgesprongen en welke scenariokeuze dan voor de hand ligt. Wij maken de politieke keuze voor een trendscenario. Het is aan het CPB aan te geven welk groeipercentage daarbij hoort.

Dat lijkt voor de komende kabinetsperiode 2,75 procent te zijn, aldus het werkdocument van het CPB. Maar omdat de SER pleitte voor een voorzichtig trendmatig scenario, trekt het CPB daar 0,25 procent van af. Vervolgens wordt opnieuw 0,25 procent in mindering gebracht omdat de economie in 2001 bijzonder hard groeit, wat de ruimte voor groei in de komende jaren zou beperken. Deze methodiek lijkt ons voer voor een debat onder economen over de vraag of deze benadering werkelijk hout snijdt en of dat surplus aan groei in 2001 (1,25 procent) exact in mindering zou moeten komen op de groei in de periode 2002-2006.

Hoe dan ook: een te laag groei scenario scheelt de publieke zaak miljarden en alleen al daarom verdient het debat over het begrotingsscenario grote aandacht van alle politieke partijen en maatschappelijke organisaties. Het broodnodige herstel van de publieke sector in Nederland begint bij de politieke keuze voor een trendbegrotingsscenario. Dat is niet jezelf rijk rekenen. Het is juist een afrekening met acht jaar Zalm, waarin de overheid zichzelf stelselmatig arm rekenende.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden