HERMAN FINKERS

Na vijftien jaar volle zalen was de motivatie op. Dus stopte HERMAN FINKERS (52) met optreden. Maar afgelopen jaar begon het te knagen....

Dit programma is het meest ‘Herman Finkers’ van alles wat ik ooit gedaan heb. Het is zo persoonlijk dat ik me soms naakt voel.’

Na ruim zeven jaar is Herman Finkers (52) terug in het theater. Met een programma dat wezenlijk anders is dan de negen programma’s die hij daarvoor maakte. Na de pauze is behalve grappig ook ontroerend en intiem. ‘Het is soms muisstil in de zaal, zodat je de mensen echt kunt horen slikken. Vroeger zou ik gedacht hebben: dat is niet goed – je bent tenslotte komiek. Nu zit er niks meer tussen mij en de zaal in. De reacties zijn ook anders dan vroeger. Bij m’n vorige programma’s zeiden mensen: ‘Nou het was leuk, hoor. We hebben erg gelachen.’ Nu gaan mensen denkend de zaal uit. Een beetje in de war, op een prettige manier.’

Finkers behoorde jarenlang tot de top van het Nederlandse cabaret. Hij speelde de laatste vijftien jaar voor volle zalen. Sommige van zijn gortdroge grappen werden algemeen geciteerde bon mots (‘Ik ben niet getrouwd. Mijn schoonouders konden geen kinderen krijgen’). Maar ondanks het succes knaagde er iets. Het jarenlang achtereen spelen werd steeds meer als lopen in een tredmolen, zegt Finkers. ‘Als je met een programma stopt, heb je drie maanden later alweer de try-outs voor je volgende show. Je hebt geen tijd om met je stijl te oefenen. Ik dacht steeds vaker: ik moet langer stoppen, want dit gaat mis.’

Voor zijn laatste programma, Kalm aan en rap een beetje, uit 1998, probeerde hij daar al iets aan te doen. Voor het eerst stopte hij niet drie maanden, maar zes maanden om aan de show te werken. ‘Bij dat programma kreeg ik nog de ingeving mijn gevoel als thema te nemen: ik word moe van mijn eigen humor. ‘Ja, u lacht hier nu wel om’, zei ik dan, ‘maar ik hoor dit morgenavond wéér.’ Na de laatste voorstelling van Kalm aan wist ik: ik moet voor onbepaalde tijd stoppen. Ik had geen keus. Ik stond als man van 46 op het toneel alsof ik nog 26 was. In feite stond ik elke avond Herman Finkers te spelen. Ik wist: als dit zo doorgaat, ga ik mezelf erg kinderachtig vinden. Als je niet met je leeftijd meegroeit, bloedt het onherroepelijk dood.’

Finkers stopte in juni 2000 resoluut met optreden. Maar hij zat allerminst stil. Hij werkte mee aan de tv-serie Van jonge leu en oale groond en begon liedjes te schrijven (in zijn nieuwste voorstelling Na de pauze zitten er maar liefst zestien). Bij die liedjes werd hij geïnspireerd door zijn vriend Willem Wilmink, die door de jaren heen al zijn programma’s bezocht had. Zijn reactie was na al die shows steevast hetzelfde: ‘Wat je doet is heel leuk en knap, maar je houdt je in. Je laat maar een klein stukje van jezelf zien. Zet nou ’ns meerdere deurtjes open.’ Wilmink overleed in 2003, maar heeft een aantal liedjes uit Na de pauze nog wel gezien. ‘Hij was er enorm blij mee. ‘Zie je wel,’ zei hij, ‘dit is wat ik bedoel.’’

De eerste jaren van zijn periode zonder optredens ging Finkers niet of nauwelijks naar de schouwburg. ‘Zodra ik het theater rook, sloeg de paniek al toe.’ Gaandeweg ging hij toch weer voorstellingen bezoeken. ‘Ik kreeg een onmetelijke bewondering voor iedereen die wat dan ook op het toneel deed. Ik kon me niet meer voorstellen dat ik dat zelf ooit gedaan had.’ Maar ook dat veranderde. ‘Het laatste jaar kwam het gevoel: mag ík nou weer?’

In stilte bouwde hij aan een nieuw programma. Een half jaar geleden besloot hij z’n show uit te proberen, in Theater de Voorveghter in Hardenberg. Het publiek wist vooraf niet meer dan dat het een blind date met ‘een artiest’ zou hebben. De avond werd een doorslaand succes. En het vreemde is, zegt Finkers, dat hij nog nooit zo rustig naar een voorstelling is gereden. ‘Ik dacht: wat gek, ik zou nu eigenlijk enorm zenuwachtig moeten zijn. Maar dat was niet het geval. Het was sowieso anders dan anders. Ik had alleen een pak uit de kast gehaald en mijn gitaar gepakt. Meer niet. Dan denk je: hier klopt iets niet.

Alsof ik iets vergeten was.’ Nee, hij heeft nooit getwijfeld of hij het nog zou kunnen. Het is zoals met schaatsen, zegt hij; dat verleer je niet. Bovendien: wat kan hij nou helemaal?

‘Zingen? Nou, het is niet vals, maar zeker geen conservatorium. Pianospelen idem dito. Bewegen is er ook niet bij. Het is van alles net niks.’

Waarom is het dan toch wel wat?

‘Omdat je iets vertelt waar een ander blijkbaar niet zo gauw opkomt. Daarom moet ik ook altijd materiaal van mezelf brengen. Je hoeft dan ook niet bang te zijn dat je het niet meer kunt. Ik heb ooit van mijn handicap mijn beroep gemaakt. En van die handicap kom je nooit af.’

De dag na de try-out zat hij op een terrasje rustig z’n programma nog ’ns door te nemen. ‘En het frappante is: ik heb er niets meer aan veranderd. Ik voelde: dit is klaar.’

Terwijl hij vertelt, in de keuken van zijn zelfontworpen boerderij vlakbij de Duitse grens, dept Finkers regelmatig met een zakdoekje zijn ogen. Niet omdat het gesprek hem zo aangrijpt, maar omdat hij last heeft van lopende ogen. Waarschijnlijk een gevolg van de chemokuur. ‘Die werkt op alles waar slijmvliezen zitten: ogen, mond en keel.’

In december 2001, anderhalf jaar nadat Finkers gestopt was, kreeg hij opeens enorme keelpijn. ‘Alsof er zwaarden doorheen gingen.’ De keelpijn ging gepaard met hoge koorts en benauwdheid. Aanvankelijk werd gedacht aan de ziekte van Pfeiffer. Al waren de klachten volgens zijn artsen voor Pfeiffer niet echt normaal. ‘Ik had het gevoel dat ik stikte.’ Het duurde een tijdje voordat de oorzaak werd gevonden. Even dachten zijn artsen zelfs aan aids. ‘Ze vroegen: ‘Hebt u onveilige seks gehad?’ ‘Ja’, zei ik, ‘met mijn vrouw.’’

Finkers’ vrouw is verpleegkundige. Uiteindelijk ging hij in haar medische boeken zitten bladeren. ‘Opeens dacht ik: misschien is het wel leukemie.’ Nou, dat kon écht niet, reageerden zijn artsen. Ze zouden er voor alle zekerheid op testen, maar dat was voornamelijk bedoeld om die mogelijkheid uit te sluiten. Een paar dagen later werd hij gebeld: het was leukemie én Pfeiffer.

‘Toen ik het hoorde, was ik alleen thuis. Ik legde de telefoon neer en werd wonderlijk rustig. Ik dacht: eigenlijk zou ik nu in paniek moeten raken, maar ik voelde een wonderlijke kalmte over me heen komen. Ik ben gaan wandelen, vond alles opeens heel erg mooi. De bomen waren prachtig, het licht was prachtig, alles was schitterend.’

Die rust is tot op de dag van vandaag gebleven. Zelfs de nachtmerries die hij vroeger had, zijn geweken. ‘Mijn beste vriend is op zijn 40ste overleden aan een hersentumor. Kort daarvoor was mijn vader gestorven.

Als ik ’s morgens wakker werd, zat ik altijd eerst in zo’n akelig schemergebied. Je weet dat er iets ergs is gebeurd, maar je weet niet meer precies wat. Dan voel je de angst al komen. En opeens... o, God, ja, Bertus en pa zijn dood! Dan brak de paniek los. Maar nu werd ik elke ochtend zo rustig wakker dat ik dacht: dit is eigenlijk een groot cadeau. Als ik dit niet erg vind, wat moet ik dan nog wel erg vinden? Althans, voor mezelf dan. Dingen bij anderen blijf ik heel erg vinden. Wat ik moeilijk vind: er zijn mensen geweest die mij na de uitslag sterkte hebben gewenst en die nu zelf al dood zijn. Dat voelt vreemd. Wie had nou gedacht dat Frank Sanders Jos Brink naar zijn graf zou brengen?’

Is de paniek nooit gekomen? ‘Nee, nóóit. Wanneer ik met Hetty naar het ziekenhuis ga voor een uitslag, ben ik altijd wel wat gespannen. Maar ik heb er ook wel eens rondgelopen met het idee: wat heb ik ook alweer? Ivf? Nee, daar hoef ik geloof ik niet te wezen. Ik ben wel blij als de uitslag gunstig is. Dan denk ik: gelukkig, ik kan dit nog doen en dat nog doen. Mijn vorm van leukemie is niet acuut. Je weet alleen dat je niet oud wordt. De derde levensfase valt weg. In één klap zit je in de laatste fase. Het is opeens avond geworden. Maar ja, zo is dat blijkbaar boven bedacht. En ik blijf hopen op een cocktail zoals bij aids. Zo niet, dan vind ik het ook goed.’

Finkers onderging tot nu toe één keer een chemokuur. Zijn bloedwaarden zijn sindsdien sterk verbeterd. Dat was in het begin wel anders. ‘M’n witte bloedlichaampjes bleven maar stijgen. Terwijl ik me wel goed voelde. Dat was zo raar, vond de dokter. Eigenlijk klopten de cijfers niet met degene die tegenover hem zat. Want ik kreeg juist meer kleur, meer energie. Ik zei: ‘Dokter, misschien ben ik wel een leukemiemens.’’

In Na de pauze praat Finkers openhartig over zijn ziekte en maakt hij grappen over kanker. Al merkte hij in het begin wel dat mensen van dat woord schrokken. ‘Ik heb ‘kanker’ ook een paar keer vervangen door een ander woord.’

Bij die grappen over kanker ontstaat een merkwaardig effect, vergelijkbaar met Jodenmoppen. Die zijn alleen leuk wanneer ze door een Jood verteld worden. ‘Ik kan ze vertellen omdat ik het heb meegemaakt. Wat ik vertel over kanker is vrijwel letterlijk zo gebeurd. Ik kreeg van het ziekenhuis een folder mee met de symptomen. ‘Herken je het een beetje?’, vroeg de dokter. ‘Nou, niet alles. Ik heb geen uitgedroogde vagina. Maar ja, ik begin natuurlijk nog maar net.’ De meest bizarre grappen haal je rechtstreeks uit de werkelijkheid. Ik zat een keer in de wachtkamer van het AMC. De regen kletterde op het glazen dak. Iemand zei: ‘Nou, je zult nu maar in een tentje op de camping zitten.’ Waarop ik zei: ‘Nee, dan kun je beter in het AMC zitten.’ Toen begonnen ze allemaal te lachen: iemand met een kaal hoofd, iemand met een zuurstoffl es. Op één na. Die vond het niet prettig. Terwijl het de anderen opluchtte.’

Datzelfde patroon ziet hij terug in de reacties op Na de pauze. Een enkeling toont zich geschokt, de meesten zijn onder de indruk. Vorige week kreeg hij nog een mailtje van een bezoeker van zijn voorstelling. ‘Een man schreef dat hij drie weken geleden zijn vrouw had verloren aan een uiterst agressieve vorm van kanker. Omdat zijn vrouw een groot fan was van mij, was hij op haar verjaardag naar mijn voorstelling gegaan. Hij wist vooraf niet waar het over zou gaan, maar hij schreef: ‘Dit kan geen toeval zijn.’ Zo’n reactie maakt diepe indruk op mij.’

Maar laten mensen vooral niet denken dat het een programma over kanker is. ‘Ik heb het er maar heel even over. Het thema is: fi jnzinnigheid en kwetsbaarheid zijn altijd waar; lompheid en wreedheid zijn een werkelijkheid, maar nooit de waarheid. Het programma is niet alleen komisch, maar ook spiritueel, fi losofi sch en religieus.’ Zijn oncoloog komt de show binnenkort bekijken. Hij is een cabaretliefhebber, zegt Finkers. Niet zozeer van hem, maar vooral van Jeroen van Merwijk. ‘Elke keer als ik op controle kom, praten we eerst even over de uitslagen. Daarna zegt hij: ‘En? Hoe is het met Jeroen?’’

Van Merwijk was een van de mensen die Finkers stimuleerden om Na de pauze te gaan spelen. ‘Jeroen zei: ‘Je verliest hier beslist publiek mee, maar je moet het doen. Tot mijn verrassing blijkt dat niet noemenswaardig, terwijl er wel nieuwe mensen bijkomen. Dat vind ik een mooi cadeau. Ik vind het fantastisch dat mensen dit programma waarderen. Juist omdat het ’t meest persoonlijke is wat ik ooit heb gemaakt. Ik ben eigenlijk weer terug bij de jongen van vroeger.’

Het is hem nooit begonnen om roem en succes. Finkers was de oudste van vijf kinderen. Een stil, onopvallend kereltje, dat voor zijn gevoel eigenlijk nergens bij hoorde. ‘Ik heb nooit geweten wat ik hier op aarde deed, voelde me altijd schuldig. Het was zo’n enorme vergissing dat ik hier was. Ik paste nergens in; ik wilde niet buiten spelen, hield niet van voetbal.

‘Mijn vader had een meubelzaak in Almelo en zag in mij zijn opvolger. Daar heb ik hem hevig in teleurgesteld. Na een weekje vakantiewerk wist hij: met Herman gaat de zaak onmiddellijk failliet. Maar het was een lieve man; hij zette zich er snel overheen. Mijn vader was gek van voetbal. Hij had zich er al tijden op verheugd dat hij mij een keer mee zou nemen naar zijn club, Heracles. Voortdurend had hij het erover: ‘Binnenkort ga ik met Herman naar Heracles! Mooi, hè?’ Vervolgens heb ik hem ook daarin teleurgesteld. Ik zat daar en dacht alleen maar: mag ik weer weg? Mijn vader probeerde het mij nog uit te leggen: ‘Kijk Herman, ze moeten ’m dáár in schieten.’ Maar ik lette geen moment op. Je had van die tribunes waar je doorheen kon kijken. Ik zat bijna de hele wedstrijd achterstevoren op de bank, door de kier naar de weilanden met koeien te kijken. Toen Heracles scoorde, begon mijn vader te juichen. Ik vond het alleen maar zielig voor de tegenstander. Kortom: voor ons allebei een ontluisterende middag.’

Voor zijn gevoel deed hij alles verkeerd. Het liefst zat hij altijd maar te lezen. Zijn ouders maakten zich daar soms zorgen om. ‘Herman, ga ’ns buiten spelen. Da’s goed voor je.’ Ging hij met een boekje naar buiten.

Op school viel hij ook al niet op. Hij zat altijd achterin, stelde nooit een vraag. Een enkele keer komt hij nog wel eens een leraar van vroeger tegen, bij de benzinepomp. ‘Die herkent mij dan van televisie en zegt: ‘Zeg, ik hoorde dat jij op de Pius X hbs hebt gezeten. Wanneer ben je ervanaf gegaan? In 1972? Goh, toen zat ik er ook nog. Van wie had je dan Nederlands? Van mij?

O, zeker maar een jaar?’ ‘Nee, vier jaar.’ Daar kunnen ze zich blijkbaar niets van herinneren.’

Alles veranderde toen hij een keer op een verjaardag gedichten voorlas. Tot zijn stomme verrassing begon iedereen te lachen. ‘Alles wat ik zei, lokte een lach uit.’

Vanaf dat moment begon Finkers stap voor stap met optredens in zaaltjes en cafés. ‘Cabaretier’ noemden ze hem.

Nou ja, dat zou dan wel, voor zichzelf was hij gewoon dichter. Maar dat altijd knagende schuldgevoel was hij ineens wel kwijt. ‘Ik had mijn bestaansrecht gevonden. Mensen kwamen met lege blikken het café binnen waar ik optrad, en gingen stralend weer naar buiten. Ik wist: nu heb ik een functie, nu mag ik bestaan. Dat is lang een drijfveer geweest. Zo heb ik jarenlang mijn programma’s gemaakt.’

Langzaamaan begon die noodzaak weg te vallen. Nu hij er zo op terugkijkt begon er vanaf Het meisje van de slijterij, uit 1987, routine in te sluipen. ‘Ik kwam in een soort verdoving terecht; dit is mijn werk, zo moet het. Maar als de noodzaak voor jezelf niet meer duidelijk is, moet je iets anders gaan doen. Mijn zanglerares zei dat weleens tegen me, net als Wilmink. Maar ja, dat wilde ik niet horen.’

Je broer Wilfried fi gureerde sinds 1985 in je shows (‘Onder het motto: broer, broerder, broerdst.’) Sprak je er met hem ook over? ‘Wilfried zag het probleem niet zo. Die wilde gewoon door. Hij en de anderen raakten in paniek toen ik zei dat ik wilde stoppen. Waarschijnlijk hadden zij zich erop gericht dit tot hun 65ste te doen. Ik voelde me onder druk staan, dacht: hier kan ik dus niet uit. Ik had mijn eigen gevangenis gecreëerd. Ik wist dat ik terug naar af moest. Als ik na een jaar toch weer zou zijn gaan spelen, zou het gigantisch op zijn gat gevallen zijn. Dan was de ziel eruit gevloeid.’

Finkers moest weer terug naar hoe het ooit begon: naar het schrijven om het schrijven. ‘Het eerste tekstje dat ik ooit schreef, Ben hur, schreef ik vooral omdat ik totaal niet wist waarom ik het schreef. Het had geen enkel nut. Tot mijn verbazing bleek het publiek het leuk te vinden, maar daar was het nooit voor gemaakt. Daar moest ik weer naar terug. Bij Na de pauze is dat eindelijk weer gelukt.’

Was het met Wilfried erbij een ander programma geworden? ‘Ik kan niet namens hem spreken. Maar ik denk dat hij liever op hetzelfde stramien was voortgegaan. Terwijl ik iets anders wilde. Het was niet eens een kwestie van willen, het moest gewoon.’

Uiteindelijk leidde het stoppen met spelen tot een breuk tussen Finkers en zijn vertrouwde ploeg van vroeger (onder wie behalve Wilfried ook Finkers’ vroegere manager Eric Alferink). Hij wil er niet veel over zeggen. ‘Maar die brouille heeft meer impact op me gehad dan mijn ziekte. Ik vond het verschrikkelijk, heb maanden als een zombie rondgelopen.’ Inmiddels heeft hij een nieuwe technische ploeg, bestaande uit Vlamingen. Echte vaklui, volgens Finkers, al hadden ze nog nooit van hem gehoord. ‘Herman Finkers? Nee, ik ken u niet.’ Hoewel een van hen twijfelde. ‘Misschien ken ik u wel. Want u doet toch dat en dat?’ Na de eerste voorstelling kwam hij op Finkers af. ‘Nee, ik heb u toch verward met iemand anders.’ Verrukkelijk, vindt Finkers dat. ‘Zij kijken er volstrekt nieuw tegenaan.’

Over de toekomst denkt hij niet veel na. Hij heeft wel plannen – ‘een mooie hoogmis regisseren’ – maar maakt bewust geen planning. Dat heeft niet eens zoveel met zijn ziekte te maken. ‘Vorige week is een neef van mij overleden die een half jaar geleden te horen kreeg dat hij kanker had. Ik heb het al vijf jaar geleden te horen gekregen en ik ben er nog steeds. Wat is de logica daarachter? Met een gezin ben je eerder gedwongen om te plannen. Maar Hetty en ik hebben het niet veel over de verre toekomst. Ik weet niet eens of ik volgend seizoen weer speel. Juist dat ongeplande bevalt mij zeer.’

Na de pauze gaat op 25 oktober in première in de Stadsschouwburg Nijmegen, daarna tournee door Nederland. WWW.FINKERS.NL

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden