Herkansing voor een hypegewas

Er bestaat een wonderlijke, nogal woeste struik die het in zich heeft enorme hoeveelheden biodiesel te leveren. Nederlandse wetenschappers beweren dat ze er eindelijk in zijn geslaagd hem te temmen.

Het is ongeveer tien jaar geleden als zich in razend tempo een zonderlinge mare over de wereld verspreidt. Er bestaat een plant waar nog niemand van heeft gehoord. Jatropha heet de houtige stakerige struik met grote esdoornachtige bladeren, die de perfecte oplossing is voor de productie van biobrandstof. Twee tot drie keer per jaar produceert hij noten, die voor 25 tot 35 procent uit olie bestaan. De noot is giftig en dus geen voedingsgewas. Geperste noten leveren olie op waarvan prima biodiesel kan worden gemaakt. Verhalen over opbrengsten van 1.000 dollar per hectare circuleren. De perskoek die overblijft als de olie eruit is, kan als mest op de grond.


Mooier nog: de plant gedijt goed op marginale, uitgeputte grond. Het gewas vergt dus geen rijke landbouwgrond en concurreert niet met voedingsgewassen. Dat is anders dan populaire biobrandstofgewassen als soja, tarwe en koolzaad, die tot veel discussie leiden. 'Onze auto's rijden op biobrandstof waardoor derdewereldlanden honger lijden', ronkt het.


Jatropha is niet alleen goed voor arme boeren die in ontwikkelingslanden op schrale grond ploeteren. De wondernoot maakt ook de westerse landen onafhankelijker van fossiele olie en gas, verwacht men. Het is een goed antwoord op het klimaatprobleem en ondergraaft de dominantie van oliesjeiks en gastsaren.


Investeerders komen als vliegen op de stroop af en de Wereldbank fourneert miljoenen euro's. Politici rekenen zich rijk en in kansrijke landen als India, Tanzania, Kenia, Mali, Ethiopië, Ghana, Indonesië, Madagaskar en Zuid-Afrika worden miljoenen hectaren grond gereserveerd. Sommige landen, zoals booming India, zien kansen voor de eigen energievoorziening, andere kijken met dollartekens in de ogen naar Europa en de Verenigde Staten. Die lanceren juist in die tijd ambitieuze programma's om van biomassa gemaakte brandstoffen bij te mengen met benzine en diesel.


Uiteindelijk belandt er geen druppel jatropha-olie in de tanks. Anno 2014 zijn de meeste investeerders vertrokken, laten de landbouwvoorlichters zich niet meer zien en reppen politici niet meer van jatropha. Einde van een modern sprookje? Daarover discuseerden sociaal-wetenschappers, ontwikkelingsorganisaties, beleidsmakers en ondernemers afgelopen week op een congres.


Deconfiture voor de wondernoot: 'Er zijn zonder pardon enorme arealen grond, tot een oppervlakte van vier keer Nederland in Ethiopië, toegewezen aan investeerders, waardoor lokale boerengemeenschappen moesten verkassen. Hoewel veel plantages nooit die omvang hebben bereikt, is dat je reinste landgrabbing', zegt mede-organisator Annelies Zoomers, Utrechts hoogleraar internationale ontwikkelingsstudies en voorzitter van de LANDac, een onder het ministerie van Buitenlandse Zaken ressorterende academie die landproblematiek analyseert.


Ook Nathalie van Haren van milieu- en ontwikkelingsorganisatie Both Ends in Amsterdam hekelt het landjepik. 'Het lokale systeem dat ondanks de marginale gronden tot op zekere hoogte functioneerde, is vernietigd.' Met de jatropha-investeringen is niets gebeurd. Both Ends ziet tractoren in Ghana en Ethiopië roesten, jatrophabomen zijn verdord, lokale gemeenschappen zijn boos en landarbeiders zijn onbetaald en werkloos. En nog droeviger is dat de investeerders het toegewezen land straks alsnog kunnen benutten voor andere landbouwgewassen, zoals maïs, soja of oliepalmen, aldus Both Ends.


Kern van de problemen is dat men destijds zonder gedegen vooronderzoek lukraak is begonnen met lokale jatrophasoorten. 'Men rekende op basis van laboratoriumstudies direct met opbrengsten van duizenden liters olie per hectare, zonder eerst veldstudies te verrichten', zegt Van Haren. 'Beleidsmakers, donoren en investeerders praatten elkaar na vanwege optimistische berichten in de media.'


Begin 2008 temperde Raymond Jongschaap in de Volkskrant al de verwachtingen. De onderzoeker van Wageningen UR zei toen: 'Er is behoefte aan meer valide gegevens over jatropha, uitgesplitst per bodemtype, klimaatzone, productiesysteem en teelttechniek'. Met behulp van 4 miljoen euro EU-onderzoeksgeld leverden agronoom Jongschaap en plantenveredelaar Robert van Loo van Wageningen UR precies deze basisgegevens.


En met spectaculair resultaat. Door geduldig kruisingswerk met een genetisch rijke jatrophavariëteit uit Guatemala, een van de oorspronggebieden van de plant, hebben de onderzoekers een hoogproductieve dwergplant ontwikkeld. 'Toen het lokale plantenveredelingsbedrijf in 2012 de eerste oogst van 2,5 ton olie op een hectare mailde, dachten we dat ze een fout maakten', herinnert Jongschaap zich. 'We meenden dat ze 2,5 ton noten bedoelden, waaruit ongeveer 1.000 liter olie kan worden geperst', verklaart Van Loo.


Dat zou nog steeds geen slechte score zijn, gezien resultaten elders van amper 400 liter olie per hectare, maar het bleek écht 2.500 liter. En het tweede jaar weer. De onderzoekers melden nu voor het derde jaar achtereen een opbrengst van 4.000 liter jatrophaolie op een geïrrigeerd en bemest proefveld. 'Want we halen intussen tweemaal per jaar een oogst van het dwergtype struik', aldus Van Loo. De plant van het kaliber forse buxusstruik is met een soort maïsmaaier eenvoudig te oogsten, met noten en hout erbij. In het nieuwe seizoen springt de plant weer op uit de overgebleven staak.


De onderzoekers zijn er ook in geslaagd om samen met de universiteit van York het verantwoordelijke gen voor de giftige phorbol-ester uit een (andere) jatrophasoort te vinden. 'Nu gaat het erom deze veredelingstap op de dwergplant toe te passen', zegt Jongschaap. Als het gif-gen is uitgeschakeld, kan de koek die na het persen van de noten overblijft als veevoer worden gebruikt. 'In de koek zitten met soja vergelijkbare eiwitten. Goed voer voor koeien en geiten levert weer mest op, waardoor het lokale landbouwsysteem duurzaam opkalefatert', aldus Jongschaap.


De resultaten, die pas volgend jaar met een promotie-onderzoek definitief worden gepubliceerd, vormen het hoogtepunt van een recent afgerond EU-onderzoek naar jatropha in negen landen. Onderzoekers testten naast Guatemala ook in Mexico, de Kaapverdische eilanden, Brazilië, Madagaskar, Kameroen, Mali, India en Indonesië zowel lokale variëteiten als jatrophasoorten uit andere landen.


Ze bestudeerden niet alleen hoe de planten het deden in de door investeerders beoogde monocultuur, maar namen ook lokale landsystemen onder de loep. Jatropha als heggenplant om een akker heen en jatropha met tussengewassen als maïs met stikstofbindende luzerne, aardnoot, soja en koeienboon, maar ook met ananas.


Het was niet louter een succes. In een aantal landen sloegen de planten niet aan. Door koude nachten kwam de plant in Mali bijvoorbeeld niet of nauwelijks in bloei. In Brazilië dook een geheel nieuwe schimmelziekte op die zwarte plekken op het blad veroorzaakte. 'De druk van plagen en ook de bemesting zijn zeker zaken die aanvankelijk niet waren voorzien en die om nader onderzoek vragen', aldus Van Loo. Maar het ligt voor de hand om ook daar met de productieve dwergstruik uit Guatemala verder te kruisen en veredelen, aldus Jongschaap.


De Wageningse wetenschappers vinden het jammer dat het imago van jatropha is gekanteld. 'We ontkennen fenomenen als goldrush en landgrabbing niet, maar je moet het ook domme pech noemen dat de kredietcrisis van 2008 er overeenkwam', zegt Van Loo. 'De crisis schrikte veel investeerders af', vindt ook Erik Heeres van Rijksuniversiteit Groningen.


De hoogleraar chemische technologie meldt aardige resultaten van een met 1 miljoen euro door NWO gesubsidieerd onderzoek. Dat betrof vooral het persen van de noot. 'We hebben de pers in Indonesië geoptimaliseerd', zegt Heeres. Met een beetje ethanol (alcohol) haalden Heeres en acht promovendi beduidend meer olie uit de noot. Door vervolgens anti-oxidanten toe te voegen stabiliseerde de olie, waardoor de mogelijkheden voor opslag en transport belangrijk verbeterden.


Heeres zegt ook dat de perskoek na lichte verhitting een uitstekende spaanplaat oplevert. 'Geschikt voor gebruik binnen', aldus de onderzoeker. Hij keek eveneens naar de giftige eigenschappen van de perskoek. Waar de Wageningse onderzoekers met engelengeduld de giftigheid eruit willen kruisen, grijpt de chemisch technoloog naar zwaar geschut als verhitting en oplosmiddelen. Directe resultaten zijn er nog niet, maar op de lange termijn zou ook de detox-koek als veevoer kunnen dienen, aldus Heeres.


Alle negatieve verhalen over de gewezen wondernoot hebben hem echter kopschuw gemaakt om vervolgonderzoek in te dienen. 'Het is jammer dat de hype rond jatropha nu lijkt te zijn doorgeschoten naar een total loss', zegt de Groningse technoloog. In Wageningen popelen ook Jongschaap en Van Loo om verder onderzoek te doen naar veredeling, schimmelresistentie en praktijkproeven op grotere schaal, waarbij niet alleen de olie maar ook de perskoek een toepassing krijgt.


De Utrechtse hoogleraar ontwikkelingssamenwerking Annelies Zoomers kent de resultaten uit Wageningen en Groningen. 'Voor mij is jatropha niet afgeschreven. Als het echter tot een doorstart komt, moet het in overleg met lokale boeren, met gezondere investeringen en begeleid door multidisciplinair onderzoek waarbij meer economen worden betrokken.'

SCHIJTNOOT

Jatropha curcas (links) is oorspronkelijk afkomstig uit Midden-Amerika. Het struikachtig gewas kent ongeveer tweehonderd variëteiten. De Portugezen onderkenden in het begin van de 19de eeuw de bijzondere olieachtige eigenschappen van de noot en namen het plantje mee naar de Kaapverdische eilanden. De olie werd toegepast in de landbouw en bij het maken van zeep. De noot heeft meestal giftige eigenschappen. Indianen gebruikten het als laxeermiddel, vandaar dat vele volken de bijnaam 'schijtnoot' gebruiken. Vanwege de giftige eigenschappen ontpopt jatropha zich ook als heggenstruik om het vee buiten de akkers te houden. Er zijn echter ook niet-giftige soorten, zoals in Mexico, waar de noot als een pinda wordt geroosterd.


Vanuit de Kaapverdische eilanden belandde jatropha onder meer in Madagaskar en Indonesië en verspreidde het zich in een aantal Afrikaanse landen. 'De genetische variëteit verengde zich gaandeweg steeds verder door inteelt en zelfbestuiving', zegt Robert van Loo van Wageningen UR. 'Door die genetische verarming kan de plant zich slecht aanpassen aan lokale klimaatvariaties of stressfactoren zoals harde vulkaanwinden. In de oorspronkelijke landen als Guatemala vinden we grootste genenrijkdom in de Jatropha. Dat moet het basismateriaal zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden