Herinnering aan loopgraven is voor Britten springlevend

Elke herfst bloeien in Groot-Brittannië miljoenen klaprozen vanuit revers en knoopsgaten. In de weken voor de elfde november vertoont niemand zich op straat of televisie zonder poppy, de imitatie-klaproos....

Van onze correspondent

Bert Wagendorp

LONDEN

De poppy is hét symbool van een oorlog die vandaag, Armistice Day, op het elfde uur van de elfde dag van de elfde maand, precies tachtig jaar voorbij is, maar die in Groot-Brittannië de gemoederen nog even sterk verhit als in, zeg, 1928: de Eerste Wereldoorlog, de Great War.

Sterker: de Grote Oorlog lijkt wel elk jaar dichterbij te komen, in plaats van, met het sterven van de laatste veteranen en hun herinneringen, langzaam maar zeker in vergetelheid te raken. 'De Eerste Wereldoorlog heeft momentum', zegt dr. Neil Young, onderzoeker van het Imperial War Museum. 'En dat momentum duurt al tachtig jaar.'

In Flanders fields the poppies blow/ Between the crosses, row on row,/ That mark our place; and in the sky/ The larks, still bravely singing, fly/ Scarce heard amid the guns below, dichtte een jonge Canadese arts, John McCrae, op 3 mei 1915, bij het zien van een veld met duizenden klaprozen, in de buurt van Ieper, na een van de Vlaamse veldslagen. Elke Engelsman kan van In Flanders Fields minstens de eerste twee regels citeren.

Het moet de bloedrode kleur zijn geweest en de fragiele breekbaarheid van de klaproos, die maakte dat de bloem tot symbool van kwetsbaar leven te midden van dood en verderf kon worden; klaprozen groeien alleen op vers omgewoelde grond - en bij Ieper was de grond overal omgewoeld, dat voorjaar, uiteengereten en opengescheurd, door duizenden granaten.

Ieper, Loos, Passendale, Gallipoli, Verdun, Somme, Arras, Marne en Amiens; het zijn namen die diep in het collectieve Britse geheugen staan gebrand. En allemaal staan ze voor slachting en dood, voor het wegvagen van een generatie, voor een diep trauma dat maar niet wil helen.

Een paar voorbeelden: de tabloid The Express opende vorige week met een furieus pleidooi voor het neerhalen van het standbeeld van de opperbevelhebber van de Britse troepen aan het Westelijk Front, Douglas Haig. De discussie over een generaal pardon voor de 307 geëxecuteerde deserteurs uit de Grote Oorlog laaide vorige week weer op. Historici buigen zich met hernieuwde energie over de vraag óf het land zich wel in het strijdgevoel had moeten storten, en hoe het er nu zou voorstaan als dat niet was gebeurd.

Zeg: Lions led by donkeys, en elke Brit weet onmiddellijk waar je het over hebt: over de 900 duizend afgeslachte jonge leeuwen en hun ezels/generaals, Douglas Haig, de opperbevelhebber aan het Westelijk Front, voorop.

'Waarom laten we deze man een schaduw over onze oorlogsdoden werpen?', schreeuwde The Express van de voorpagina. Haig, de slager die zijn mannen rücksichtslos het moordende Duitse mitrailleurvuur instuurde, is, zeventig jaar na zijn dood, nog altijd niets vergeven.

'Als de Britse doden van de Grote Oorlog konden marcheren en zij aan zij langs Haigs standbeeld in Whitehall zouden paraderen, zou het vier dagen en vier nachten duren voor zij het waren gepasseerd', schreef politicus en historicus Alan Clark. Clark vindt dat Groot-Brittannië - een marinenatie nota bene - zich nooit naar de Vlaamse en Franse killing fields had mogen begeven.

'Natuurlijk heeft het grote aantal Britse slachtoffers ermee te maken dat de Eerste Wereldoorlog nog steeds zo'n impact heeft', zegt Neil Young. 'Meer dan 900 duizend, bijna vier keer zoveel als in de Tweede Wereldoorlog. Maar vooral de aard van die oorlog speelt een rol. Het was de eerste oorlog waarin burgers vochten, een oorlog van de gewone man. Hier vocht een burgerleger, met leden van elke gemeenschap en uit elke klasse. Voor het eerst brak het besef door dat de soldaat een menselijk wezen was.'

Ze waren naar het Continent gegaan, als vrijwilliger, in opperbeste stemming en de verwachting dat het met een paar maanden wel zou zijn bekeken. 'Onze grootste angst', schreef aristocratenzoon Oswald Mosley, 'was dat de oorlog voorbij zou zijn voor we er waren.'

Dat viel mee. De oorlog zag hen komen, en sterven. De oorlog zag nieuwe golven vrijwilligers, en later ook dienstplichtigen, komen en sterven. Aan het einde van de oorlog was 9 procent van de Britse bevolking gesneuveld of zwaar gewond, en niemand wist eigenlijk waarom - behalve om te winnen.

Vanuit dat immense leger ging een stroom brieven huiswaarts, verwoordden war poets de nachtmerrie waarin ze verzeild waren geraakt; vertelden de overlevenden na thuiskomst de verhalen. Over de loopgraven, de gasaanvallen, de modder, de stapels lijken, over hoe ze over the top gingen. Over Armageddon.

'What passing-bells for those who die as cattle', schreef een van de befaamdste oorlogsdichters, Wilfred Owen, in Anthem For Doomed Youth. Owen stierf op 8 november 1918, drie dagen voor het einde. 'Ik ben gestorven in de hel - Ze noemden het Passendale', schreef Siegfried Sassoon.

'Het was een oorlog van getuigenissen', zegt Neil Young. 'Een oorlog van heftige persoonlijke drama's, en dat op massale schaal. Dat zorgde ervoor dat de natie zich kon inleven. Want het was een zeer beeldende oorlog: de loopgraven, de modder, de lichaamsdelen en de ratten.'

Maar het grote trauma van de Eerste Wereldoorlog, denkt Young, werd toch veroorzaakt door een voor de hand liggend feit: dat het de eerste was. 'Dit land had honderd jaar geen grote oorlog meer uitgevochten. En plotseling kwam deze slachting, waarop niemand was voorbereid.'

Niet alleen ging de bloem der natie te gronde, ook versnelde de oorlog het einde van het Britse imperium, duurde het decennia voor de economische gevolgen waren overwonnen (tot in de jaren zestig was het land bezig de buitensporige oorlogsschulden af te betalen) en veranderde hij voorgoed de sociale structuur van het land. In de loopgraven verdween de klassenmaatschappij, om nimmer meer in oude glorie terug te keren.

Het land behoorde tot de overwinnaars, maar het was een verbijsterde, verwarde overwinnaar, die met haar jonge mannen ook een wezenlijk deel van zichzelf had verloren. Het optimisme en zelfvertrouwen van de negentiende eeuw werden ingeruild voor het cynisme en de twijfel van de twintigste. Een diep wantrouwen jegens het establishment deed haar intrede - om nooit meer te verdwijnen.

Nog steeds is de Eerste Wereldoorlog in Groot-Brittannië verbonden met de notie van verraad: van de jonge generatie door de oude, van de arbeiders- en middenklasse door het establishment; van oude Britse waarden en zekerheden. De oorlog verraadde het verleden. Wat in 1913 nog 's werelds machtigste natie was, kwam vijf jaar later tevoorschijn als overwinnaar, maar wel een overwinnaar die daarvoor de prijs van de eigen teloorgang betaalde.

'De Eerste Wereldoorlog was een keerpunt, een waterscheiding', zegt Young. 'De sociale verhoudingen van voor de oorlog keerden nooit meer terug. Oude waarden bleken opeens waardeloos. De plaats van Groot-Brittannië in de wereld werd nooit meer dezelfde. Ook dat is een reden dat we hem niet kunnen vergeten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden