Herinneren, niet verwerken

Vandaag, 28 juni, is het voor de vierde keer Veteranendag. In het Eindhovense inloophuis De Treffer, dat in april zijn deuren opende, ontmoeten Indiëgangers en Bosniëveteranen elkaar....

Elke keer als veteraan Georg (31) de film Warriors ziet, ruikt en proeft hij de oorlog. De BBC-film over een stel Engelse jongens dat wordt uitgezonden naar Bosnië, bezorgt hem nog steeds tranen in zijn ogen. Die ene scène waarin een moslimjongetje, gehuld in een Engels voetbalshirt, meerijdt in een Brits pantservoertuig, om er bij een Servische controlepost uit te worden gehaald. ‘De Serven zeggen dat ze hem netjes zullen afvoeren – nou, dan weet je al wat er met hem gebeurt.’ Georg, die niet met zijn achternaam in de krant wil, ging in mei 1998 als soldaat Eerste Klasse van 42 NL Mechbat LJ Logcie naar Busovaça, Bosnië. Zes maanden later kwam hij ‘een ervaring rijker en een illusie armer’ terug. De vredesmissie SFOR4, zegt hij, had geen mandaat om op te treden als er dingen gebeurden die niet door de beugel konden. Hij kan en wil geen voorbeelden noemen – ‘daar ben ik nog niet klaar voor’ – maar één voorval uit 1998 beschrijft hij toch. Op het WK voetbal speelt Kroatië mee. Op een avond schieten een paar Kroaten, om de overwinning van hun land te vieren, hun AK-47’s leeg in de lucht. ‘Alles wat naar boven gaat, komt ook weer naar beneden. Dus wij voelden ons onveilig. Maar wat deden wij? Wij deden de deuren dicht. Wij lieten het gebeuren. Terwijl de Engelsen, die met hetzelfde mandaat optraden, zorgden dat ze stopten. Dan voel je je machteloos, hoor.’ In december 1998 kwam hij terug naar Nederland. Na het kerstverlof volgde een afwikkelingsprogramma, daarna overplaatsing naar een andere eenheid. Toen daar over een nieuwe uitzending werd gesproken, is Georg ‘doorgeflipt’. ‘Er was een jongen bij die dacht dat hij Rambo was. Die bond een rode doek om zijn kop: klaar voor de oorlog.’ Of hij met deze opgepompte jongens naar dat geitenland moest – zoiets heeft hij toen naar zijn sergeant geroepen. En dat die de waarheid moest vertellen: dat ze als peace keepers helemaal niks mochten. Diezelfde dag nog werd hij op non-actief gesteld. ‘Dat vreet nog steeds aan me. Ik zou zo graag meer hebben betekend.’

Het is donderdag 5 juni in De Treffer, inloophuis voor veteranen in Eindhoven. Behalve Georg hebben zich vandaag twee Indiëgangers en een Nieuw Guinea-marinier gemeld. Een 81-jarige Indiëganger, die anoniem wil blijven, komt vandaag voor het eerst. Ab Brandt (83), van maart 1948 tot oktober 1950 sergeant bij de OST-compagnie in Semarang, Java, is al drie keer in het inloophuis geweest. Piet Stoutjesdijk (72), van mei 1957 tot december 1958 bij het Korps Mariniers in Nieuw Guinea, twee keer. In de huiskamer – bank, eikenhouten boekenkast met militaire lectuur, eettafel, vitrinekast met memorabilia – praten ze over vroeger. Stoutjesdijk: ‘Ze vervlakken, hè, de herinneringen.’ Brandt: ‘Ik heb het plaatje nog precies voor me. Het tentenkamp. De suikerplantage. Het St. Elizabeth-ziekenhuis in Semarang. De baboe die voor ons kookte. De man die ik moest verhoren, maar die niks wilde zeggen.’ Stoutjesdijk: ‘Ik heb een keer op een prauw geschoten – op de boot, niet op de mensen die erin zaten. Ze lieten zich vallen toen we schoten. Ik vraag me nog steeds af: zouden ze het overleefd hebben? Ik denk het niet. Ze zijn niet overeindgekomen.’ Brandt: ‘De guerrillastrijd is een verschrikkelijke strijd. Je hebt nooit rust, je moet altijd over je schouder kijken.’ De gesprekspartner van Brandt en Stoutjesdijk staat op en zegt: ‘Ik ga. Ik heb een posttraumatisch stresssyndroom. Als ik blijf zitten, heb ik vanavond weer een nachtmerrie.’ Stoutjesdijk, even later: ‘Dat is toch vreselijk voor die man. Heeft zijn hele leven alles moeten opzouten, en ligt op zijn sterfbed nog met traumatische verhalen.’ Zelf heeft hij daar gelukkig geen last van. Niet meer. Na Nieuw Guinea heeft hij vijf jaar in de knoop gezeten. Hij dronk om te vergeten. Werd dan agressief. Hij is zijn vader een keer te lijf gegaan. Wilde niet werken. Verpeste zijn verkering. Toen hij zijn huidige vrouw leerde kennen, in 1965 – een vrouw die het niet zomaar pikte maar zei: ‘Je bent onredelijk’ – toen heeft hij in de spiegel gekeken en tegen zichzelf gezegd: ‘Piet, wat ben je een klootzak.’ En zo is hij eruitgekomen. Op eigen kracht. Hij komt hier dus niet om te verwerken, benadrukt hij, maar om met gelijkgezinden herinneringen op te halen. ‘Je hebt als veteraan dezelfde gedachtegang. Als ik in de trein tegenover iemand zit met een veteranenspeld op, spreek ik hem aan. Dat doe ik niet zo gauw met iemand anders.’

Een week eerder, in dezelfde huiskamer. Roy Meelhuysen (59), luitenant kolonel b.d., voorzitter van de Stichting Veteranen Brabant Zuid-Oost, op en top Indo, legt net uit hoe hij wekenlang ‘in de hoogste versnelling’ bezig is geweest de Eindhovense weldoeners en multinationals geld uit de zak te kloppen. Defensie betaalt namelijk (nog) niet mee aan het inloophuis. Hij zegt, alsof hij weer tegenover een Philips-directeur zit: ‘Beste brave meneer, ik ben Roy Meelhuysen, ex-officier van de Koninklijke Landmacht en ik kom u iets vragen. Wij zijn van zins een inloophuis voor veteranen te openen en daar hebben we financiële middelen voor nodig. Waarom kom ik bij u? Wat is voor u de profit? U zult ongetwijfeld, als u op uw loonlijst kijkt, een veteraan in dienst hebben. Weet u wat dat is?’ Dan gaat de bel. Buurtgenoot Lya Dirks komt een bloemstuk brengen. Ze stelt zich voor als ‘weduwe van Defensie’. Haar man zaliger, 35 jaar geleden overleden, werkte op de vliegbasis Volkel. Ze zegt: ‘Je blijft betrokken bij het militaire gebeuren, hè. Als er stukken in de krant staan over militairen en ze kloppen niet, dan maak ik me vreselijk kwaad. We hebben het hier druk, druk, druk, we leven in een paradijs, maar voor de militairen die terugkomen hebben we geen oor. Daarom is dit zo goed: hier kunnen we naar hun verhalen luisteren, verhalen uit de eerste hand. Ik vind dat opbouwend.’

Meelhuysen is geëmotioneerd. Vraagt: ‘Blieft u een kopje koffie?’ Hij loopt naar de keuken – ter waarde van 7.800 euro, geschonken door I-Kook uit de Hoogstraat – komt terug, zegt: ‘Weet u waarom me dit nu zo aangrijpt? Voor de opening heb ik twee presentaties gegeven aan buurtbewoners. Want er waren vragen. Kritische vragen. Een daarvan, een die me ontzettend onder in de maagstreek heeft getroffen, was: kunnen mijn kinderen nog wel over straat lopen?’ ‘Verschrikkelijk’, zegt Lya Dirks. ‘Dus ik vraag aan de dame die die vraag stelde: ‘Wat bedoelt u daarmee?’ Zegt ze: ‘Veteranen zijn allemaal wandelende tijdbommen.’ Nou, toen moest ik even tot tien tellen, dat begrijpt u wel.’ O, ja, Meelhuysen heeft absoluut het gevoel dat Nederlandse veteranen de samenleving moeten veroveren. Overal krijgen ze een stempel: beschadigd, PTSS’er, potentiële PTSS’er. ‘Bullshit’, zegt hij, ‘5 tot 10 procent van de mannen en vrouwen die zijn uitgezonden, heeft een posttraumatisch stresssyndroom. Die raken afgestompt, lijden aan vermijdingsgedrag, ze herbeleven hun trauma’s, of zijn extreem prikkelbaar. Met een goede therapie zijn de meesten te behandelen. Slechts 1 procent is blijvend beschadigd.’ Daarom waakt hij ervoor het inloophuis te promoten als een locatie voor probleemgevallen. ‘Ik noem het liever een ontmoetingsplaats voor lotgenoten. Voor de afgezwaaide soldaat die zijn maat nooit meer ziet – de maat met wie hij met een natte bilspleet bij een road block heeft gestaan. Willen ze een reünie organiseren? Wij faciliteren het. Wij zijn hier bij elkaar om te genieten van onze sweet memories. We hebben een bibliotheek, een televisiekamer, een tentoonstellingsruimte, je kunt hier samen eten als je wilt. En áls iemand dan in een sfeer terechtkomt dat hij, nou ja, in staat is zijn emoties te tonen, dan zijn wij er om te zeggen: ‘Kom, jongen, we gaan even ergens zitten, want volgens mij heb je hulp nodig. In zo’n geval kunnen we met onze psycholoog bellen. ’’

Angola, twee keer Bosnië, Kosovo. Roy Meelhuysen weet waarover hij praat. Hij ruikt dezelfde geur die Georg ruikt. Hij ruikt de geur van de gedrogeerde rebel die in Angola een kalasjnikov tegen zijn kop duwde; van het vluchtelingenkamp in Kosovo, ‘een muur van urine en stront’. Dan is het moeilijk als je vrouw begint over een taaie entrecote, zoals laatst, op vakantie in Spanje. Zei hij: ‘Je hebt zeker de oorlog niet meegemaakt.’ En zij: ‘Jij toch ook niet? En, weet je wat zo’n entrecote kost?’ Zei hij: ‘Lekker belangrijk.’ Het is niet uit te leggen aan het thuisfront, hoe het voelt om altijd twee medical kits omgebonden te hebben, met morfine, een infuus, atropine tegen chemische aanvallen, de hele mikmak. ‘Zodat je je er permanent van bewust bent dat je iets kan overkomen.’ Zijn familie vindt hem arrogant geworden. Hijzelf noemt het liever onbenaderbaar. ‘Als je zo lang in split seconds in je eentje beslissingen hebt genomen, is het moeilijk om thuis de hulp van een ander te vragen.’

Zelf is hij de zoon van een KNIL-onderofficier. Zijn vader was voorste verkenner van kapitein Westerling. In 1965 kwamen ze terug naar Nederland. Met z’n zessen in een flatje in de Eindhovense wijk De Bennekel. Denkt Meelhuysen aan zijn vader, dan ziet hij hem staan, in de regen op het balkon. ‘Grienend. We dachten dat hij heimwee had naar de Gordel van Smaragd, maar nu besef ik dat hij een PTSS’er was.’ Meelhuysen was erbij toen zijn vader door professor Bastiaans, een van de eerste deskundigen in Nederland op het gebied van PTSS, onder hypnose werd gebracht. ‘Ik wist niet wat ik zag en hoorde. Mijn vader was weer sergeant-majoor infanterie voorste verkenner. Hij riep, in het Maleis: ‘Dekken!’ Toen: ‘Godverdomme!’ Gehuil. Er was een soldaat door een plopper neergeschoten. Mijn vader greep die plopper beet en duwde hem op zijn knieën. Hij drenkte de Indonesische vlag in petroleum en zei: ‘Opvreten.’ Nou, dat lukte natuurlijk niet. En toen* toen heeft hij hem een kopje kleiner gemaakt. Ik zag het hem doen, met bewegingen en alles... Ik was kapot. Echt kapot. En dat is* dat is de reden waarom ik het zo jammer vind dat hij dit niet meer meemaakt. Dat is mijn drive om van dit huis een succes te maken. Ik wil voorkomen dat mannen met dezelfde ervaring als mijn vader ontsporen. Van de gemeente hebben we twee jaar gekregen om te bewijzen dat we bestaansrecht hebben. Zo niet, dan sluiten ze de tent. Ik moet er toch niet aan denken? Ik moet er toch niet aan dénken?’

‘Moordenaars! Hoerenlopers!’ Zo werden destijds de Indiëgangers op de kaden ontvangen door het Nederlandse volk. Libanongangers kregen te horen: ‘Lekker in de zon gelegen?’ Dutchbatters durfden zich helemaal niet meer op straat te vertonen. Luister je naar de verhalen van veteranen, dan hoor je: de buitenwereld waardeert niet wat we allemaal doen. Misschien, beaamt Meelhuysen, speelt het feit dat Nederland nooit een oorlogsland is geweest daarin wel een grote rol; heeft dat de houding van de samenleving tegenover veteranen lange tijd bepaald. De oude veteranen voelen zich daarbij ook nog eens miskend door Defensie. Piet Stoutjesdijk kreeg dertig jaar na Nieuw Guinea zijn eremedaille per post toegestuurd. De 81-jarige Indiëganger met PTSS ontving na drie jaar dienstplicht te hebben vervuld 250 gulden, waarvan 50 gulden werd ingehouden omdat hij zijn baret in de bus had laten liggen. Daarom maakt de oude generatie opmerkingen die bij de jonge generatie hard aankomen. ‘Zes maanden op missie en dan al piepen.’ Die opmerkingen versterken het gevoel bij de jonge veteranen dat ze niet serieus worden genomen, ook niet in de burgersamenleving. In het veteranenhuis klinkt het dan: ‘Laten ze eens beginnen om scholieren niet alleen alles over de Tweede Wereldoorlog te leren, maar ook over de naoorlogse missies. Daarvan hebben ze geen idee.’ Gelukkig begint het tij te keren, de waardering groeit. Dat komt door Uruzgan, zegt Roy Meelhuysen. Niet eerder kwam een Nederlandse missie zo dichtbij, door de doden die zijn gevallen, maar zeker ook door de media die het nieuws over de missie met grote regelmaat in de huiskamers brengen. Daarom is dit ook het moment om ‘door te pakken’ en het belang van inloophuizen bij wie het maar horen wil te benadrukken. ‘Vlak voor hij het gezag aanvaardde als Commandant der Strijdkrachten heeft Peter van Uhm nog tegen me gezegd: ‘Roy, sta niet raar te kijken als ik je binnenkort vraag beleid te schrijven voor inloophuizen.’ Ik zeg: ‘Van harte welkom, maar dan moet er toch eerst iets gebeuren bij Defensie.’ Meelhuysen bedoelt: ‘In Amerika hebben die huizen hun nut al lang en breed bewezen, in Nederland lopen we hopeloos achter. Defensie heeft te lang gedacht: die afgezwaaide militair komt wel naar ons toe als hij problemen heeft. Ik kan je zeggen: dat doet hij niet. Daar moet je een laagdrempelige omgeving voor creëren waar hij zijn verhaal kan doen.’

Georg is geen afgezwaaide militair. Anderhalf jaar na zijn missie in Bosnië kreeg hij van de bedrijfsarts te horen: je hebt PTSS. Na diverse keuringen maakte Defensie daarvan: dienstongeschikt zonder dienstverband. Met andere woorden: zijn psychische problemen – altijd alert, geen dag-nachtritme, prikkelbaar, agressief – zijn niet veroorzaakt door de missie. Dus dat werd reïntegreren in de burgersamenleving. Sinds 2003 zit hij in de WAO. Zijn laatste werkgever, de baas van een rijschool, had de gewoonte stilletjes achter Georg te gaan staan, en dan hard te klappen. Na vijf waarschuwingen heeft Georg hem op een dag bij de strot gegrepen en hem tegen de muur omhoog geduwd. Einde dienstverband. Nu doet hij vrijwilligerswerk voor veteranen. Elk jaar gaat hij naar de Regionale Veteranendag, en loopt hij mee in het defilé. Zijn veteranenspeld draagt hij met trots. ‘Het is gek’, zegt hij, ‘ik ben geen militair meer, maar als ik mijn naam moet spellen, gebruik ik het NATO-alfabet, en als er, zoals laatst, een ongeluk gebeurt op straat, handel ik volgens het PAMAN-protocol: Persoonlijke veiligheid, Attenderen, Markeren, Alarmeren, Noodzakelijke Eerste Hulp. Dat zit erin gebakken, en dat raak ik nooit meer kwijt.’

Het is donderdag en er loopt een man langs het veteranenhuis. Hij mimet alsof hij een geweer doorlaadt, en schiet: doef, doef, doef. Roy Meelhuysen lacht een ongemakkelijke lach. Zou er nu een veteraan naar buiten willen rennen, hij zou er persoonlijk voor springen. ‘We hebben een code. En die is: als de veteraan het huis verlaat, is hij onze ambassadeur. Imagoschade kunnen we niet gebruiken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden