Herdenkingstentoonstelling in voormalig jongensinternaat Bruckner geëerd in zijn vlakgom en hoed

Het is telkens dezelfde vraag die opkomt, oog in oog met Bruckner, zijn biografie en zijn nalatenschap: kan een tamelijk aanstootgevend Oostenrijks mannetje eigenlijk wel een groot componist zijn?...

Van onze verslaggever

Michaël Zeeman

SANKT FLORIAN

En, als dat dan zo is, wat heeft zich dan precies afgespeeld achter dat boerse voorhoofd en in het, zacht uitgedrukt, kleinburgerlijke decor waarin hij die negen symfonieën, twee strijkkwintetten en tientallen religieuze composities heeft uitgebroed? Waarom liggen, anders gezegd, schijn en wezen bij Bruckner zo verontrustend ver uiteen, en is dat dan wel zo?

Op de gazons van het Stift in het Oberösterreichische gat Sankt Florian - een ommelandse reis verwijderd van de op zichzelf al troosteloze provinciestad Linz - staat een reeks uit mulitplex gefiguurzaagde silhouetten opgesteld, de houten uitvergrotingen van de kunstig geknipte profielen die in het laatste kwart van de vorige eeuw van Anton Bruckner in Linz, Wenen en de tussenliggende landerijen in omloop waren. Materiaalkeuze en genre, zelden zijn ze zo een geweest met hun onderwerp: de componist werd, toen en nu, geëerd met de naargeestigste vorm van huisvlijt, van kunstigheid - van iets wat je 'knap' noemt of 'leuk', om dan gauw licht gegeneerd de andere kant uit te kijken.

Op die gazons van het voormalige katholieke jongensinternaat in St. Florian is er echter geen ontkomen aan, want ook aan de andere kant staan ze, die neigende dwergen met hun bolle koppen, hun te ruim vallende rokkostuums en hun kittige wandelstokjes. Bruckner zover het oog reikt, een parade van schimmen om zijn alomtegenwoordigheid in het Oostenrijkse, door zelfgenoegzaamheid en Biedermeier-gevoelens gedomineerde zelfbewustzijn te markeren. Het eerste punt van de Bruckner-herdenkers is duidelijk: ze zijn trots op hem en voelen zich bij zijn gestalte op hun gemak. Maar dat maakt de kwestie er alleen nijpender op.

'Bij Bruckner', zei Johannes Brahms, een contemporain componist van onomstreden reputatie, 'gaat het helemaal niet om werken, maar om zwendel, die binnen een tot twee jaar dood en vergeten zal zijn. Bruckners werk onsterfelijk noemen, of misschien zelfs van symfonieën spreken? Het is om je gek te lachen.' Waar weer tegenover staat dat het zelf-benoemde genie uit het een dagreis van Linz en St. Florian gelegen Bayreuth, Richard Wagner, Bruckner 'voor de belangrijkste symfonicus na Beethoven' hield.

Het dilemma is Bruckner blijven vergezellen, evenals de twistzieke toon waarop het wordt uitgesproken. 'Halb unsinnig, halb grossartig', noemt Thomas Mann hem in 1949 nog, en alweer lost dat niets op. In de gangen en tussenkamers van de vleugel van het Stift St. Florian, waar de expositie gehouden wordt die Bruckner dient te eren en die de honderdste verjaardag van zijn dood luister bijzet, hangt zijn muziek en ligt zijn materiële nalatenschap, onzinnig en groots tegelijk. Niemand ontkomt eraan, de verstokte Bruckner-idolaat misschien daargelaten, zich ernstig te schamen voor een groot deel van de uitgestalde goederen en tegelijkertijd in de ban te raken van al die zwaarmoedige muziek.

St. Florian: het ligt van God en alle mensen verlaten temidden van de eindeloze herhaling van het simpelst denkbare geologische motief, na iedere berg een dal, na ieder dal een volgende berg. In het Stift was Bruckner jarenlang onderwijzer, muziekleraar en organist. Hij maakte wandelingen in de omgeving, langs de graanvelden en over de paden die er nog onveranderd bijliggen, zij het dat ze vandaag de dag de 'symfonie-route' heten.

Daarboven troont het barokke kerkelijk paleis. Het innerlijk conflict wordt er op de spits gedreven, als worstelden de tentoonstellingsmakers op hun beurt met het vraagstuk. Van de tientallen kamers die de ze onder handen hebben genomen is er één als muziekkamer ingericht, en nog wel eentje tamelijk in het begin. Achter een zwaar gordijn blijkt zich zo'n bedrukkend barokke zaal te bevinden - glimmende parketvloeren, angstaanjagend buitelende putti her en der op het stucwerk - waarin ononderbroken 'Bruckner' klinkt.

In dat 'ononderbroken' zit het venijn, want na een paar minuten constateer je onthutst dat het in feite de hele tijd dezelfde muziek is die daar hangt. Anders dan bij alle andere mij bekende negentiende-eeuwse muziek, is het alsof er in deze flarden geen voortgang zit, geen ontwikkeling - alsof die Bruckner-klanken inderdaad stil in de ruimte hangen, ongeveer zoals sigarenrook dat doet.

Geen idee ook welke symfonie hier voortdobbert, zodat de schampere bewering van de Bruckner-sceptici dat hij weliswaar negen symfonieën componeerde, maar dat het daarbij welbeschouwd telkens om dezelfde symfonie ging, ineens overtuigend is.

Negen symfonieën, maar één symfonische pap, een stilstaande vijver van klanken - plus, nota bene, op de achtergrond nog ergens een nulde, die misschien ook nog meeresoneert, de oerversie van die negen andere, ongeveer zoals Kind tussen vier vrouwen van Vestdijk naderhand acht delen Anton Wachter heeft voortgebracht. (Even wordt die vergelijking hallucinant, want het was op zijn beurt Vestdijk die een monumentale studie over juist de symfonieën van Anton Bruckner schreef.)

Er gaat iets demonisch vanuit, alsof hier een auditieve Wunderkammer is ingericht, bedoeld om ons de stuipen op het lijf te jagen. Maar die vreemde geschiedenis voltrekt zich in een omgeving die overigens wordt gedomineerd door de onbeduidendste uitstalling die zich in dat verband laat bedenken: een paar vitrines met, schrik niet, muziekinstrumenten. Hout, koper, een viool en een altviool - tja, het is onweerspreekbaar: Bruckner heeft ze ingezet bij wat we daar allemaal horen, maar om nou te zeggen dat het veel verduidelijkt of zelfs maar aanschouwelijk maakt. Het zijn niet eens zijn hobo en klarinet die daar liggen, of de instrumenten van door hem gedirigeerde musici.

Alleen van de snaarloze viool wordt vermeld dat hij zowel negentiende-eeuws als Oostenrijks is, dus die komt op hooguit vierhonderd kilometer en honderd jaar na uit de buurt. Het is onzinnig en groots tegelijk.

En het is kenmerkend voor de hele tentoonstelling. Bruckner was de zoon van een onderwijzer en begon zijn carrière als hulponderwijzer in Windhaag, een kilometer of veertig benoorden Linz, aan de Moravische grens. Hij was van 1824 en stond vanaf 1841 al voor de klas, dus een pretje kan dat niet geweest zijn, wat de zoetsappige Biedermeier-schilderijen van knusse klaslokalen en belangstellend naar hun onderwijzer opblikkende wijsneusjes wat dat betreft ook mogen suggereren. Die schilderijen stammen doorgaans uit Wenen en zijn ontsprongen aan de verbeelding van schilders die vanuit het comfort van de hoofdstad bedachten hoe aangenaam het ten plattelande kon zijn.

'Spartaans', zeggen de begeleidende teksten, en 'sober', wat vermoedelijk Oostenrijks of Bruckners is voor 'niet te harden' en 'straatarm'. Het leven van Bruckner bij zijn ouders thuis in Ansfelden en even later op eigen benen in Windhaag wordt vervolgens gedocumenteerd door een compleet klaslokaal in negentiende-eeuwse stijl en een boers slaapvertrek waarin je inderdaad niet veel meer zou kunnen doen dan slapen, zo schamel is het ingericht. Het staat er allemaal, en het neemt twee museumzaaltjes in beslag, maar het is hooguit de suggestie van Bruckners oorspronkelijke biotoop. Want niets eraan is authentiek: voor zover het niet ijverig voor deze tentoonstelling uitgezaagd en in elkaar geknutseld is, is het negentiende-eeuws landelijk meubilair van onbekende oorsprong.

Het is onbehagelijk om anders dan in looppas door dergelijke demonstraties van onvermogen heen te bewegen. De paar vitrines met authentieke Bruckner-memorabilia maken het er niet vrolijker op: inderdaad, zijn vlakgom en zijn zakmes, zijn schoolschrift en zijn inktlap, afkomstig uit zijn nalatenschap, en misschien wel gebruikt tijdens zijn onderwijzersloopbaan. Als, met het voortschrijden van de gang door zijn biografie, de objecten van karakter veranderen - zijn hoed, zijn wandelstok, zijn medialles, de luxe versies van de dirigeerstok die hem als eerbetoon werden uitgereikt, maar waarmee vermoedelijk nooit de maat is aangegeven - wordt het er niet noemenswaard beter op.

De hele collectie drukt dezelfde onbenulligheid uit als die dwergen op het gazon - en als dat mannetje dat zich in 1886 liet fotograferen, een blad muziek als een oorkonde in zijn linkerhand, fijne handschoenen in de rechter kolenschop, de Franz Joseph-orde pront en hoog op zijn revers.

Je kunt er, kortom, niet omheen: dit is dus Bruckner, een Oostenrijkse dorpsonderwijzer uit de negentiende eeuw, die allerlei manieren heeft uitgedokterd om met behulp van muziekinstrumenten de dreiging van een geïsoleerd bergdal, een spookachtig internaat, een te grote, hoge, kale slaapkamer op te roepen.

In de kerk van het Stift werd hij begraven, in het portaal, onder het majestueuze orgel. Het is de drukste en volste manifestatie van Centraal-Europese barok die je bedenken kunt; geen bank of hij is door houtsnijders bewerkt tot een verzameling krullen, koppen en knoppen, geen hoek of hij werd gewelfd, geen vlak of het werd met cherubijnen vol gepleisterd. Dat orgel staat klaar om die ruimte met klanken te overspoelen, zodat het hoorbaar zal zijn tot ver daarbuiten, tot diep in het dal. Daaronder die zerk, vlak en sober. Er staat alleen 'Anton Bruckner' op, als betrof het een vrijwel anonieme dorpeling. Dat heeft hij zo gewild.

Anton Bruckner. Stift St. Florian, bij Linz. Tot en met 27 oktober. Catalogus circa ¿ 50,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden