HENK VAN OS

Tussen 16 december en 22 april worden zowel in de Amsterdamse Nieuwe Kerk als in het Utrechtse Catharijneconvent middeleeuwse reliekhouders tentoongesteld....

Professor doctor Hendrik Willem van Os, kunsthistoricus en voormalig directeur van het Rijksmuseum, heeft vele gedaanten. Dat zie je op zondagavonden in Beeldenstorm bij de AVRO, wanneer hij op het scherm een grote met zaagsel of piepschuim gevulde teddybeer met twee kraalogen koestert, en het vervolgens heeft over 'het knuffelend bezig zijn met het Christuskind', of in de huid kruipt van Bill Clinton, en zich verschuilt achter een carnavalsmasker en dan een wandeling maakt langs de maskers in de vitrines van het Afrika Museum in Berg en Dal.

Wanneer hij iets zegt over 'portretten en imago', poseert hij voor de camera en trekt hij een opgeruimd gezicht. Dan weer demonstreert Van Os 'hoe je kunt pronken met andermans spierbundels', en gaat hij achter zo'n groot fotobord staan waar je van achteren je hoofd doorheen kunt steken. Toch heeft hij eigenlijk maar één gezicht: hij is altijd zijn gewoonste zelf.

Op televisie vergelijkt hij elftalfoto's met schuttersstukken van Frans Hals, en vertelt hij over het bobo-gehalte van de drie koningen ('die zijn in de Bijbel helemaal niet terug te vinden') of over de antieke achtergrond van sporttrofeeën, 'die flitsende cups en bokalen'. Of het nu gaat over het losbollige huishouden van de moralist Jan Steen of over de aristocratische oorsprong van de tuinkabouter ('die plompten tijdens diners uit grote pasteien'), je hoort steeds weer die zachte stem: 'Het zijn reuzemooie dwergen.' Of: 'Pas dan zie je hoe mooi iets kan zijn dat in wezen bijna niks is.' En: 'Het schilderij is zo mooi, zo mooi zoals alleen Italianen iets moois zo mooi kunnen maken.'

In Beeldenstorm liet Van Os ooit eens een arm-reliekhouder zien, waar iemand de zaag in had gezet en legde hij uit 'waarom je de schedel van een bisschop moet kunnen lichten'. Het zijn sinds de studiejaren zijn favoriete voorwerpen. Op die arm, die in de verte iets weg had van een pasmodel uit de etalage van een handschoenenwinkel, stond in het Latijn: hierin zit iets van de heilige Stefanus. Vroeger, zegt Van Os, 'kon je niet zien wat erin zat en je wist nooit zeker of er wel iets in zat'. Daarom maakte iemand een kijkgat, zodat de gelovigen de relieken konden zien, een stukje bot van een arm van de heilige.

'Zien is geloven.' Zo werd ook zo nu en dan een klepje geopend en de mijter afgezet van een bisschopsbeeld, een kop waarin een fragment van diens schedel werd bewaard, 'en keek de controleur op de plaats van de kruin in het gat waar de reliek hoorde te zitten'. Eeuwenlang zijn zulke relieken, stoffelijke resten van heiligen, 'vereerd als voorwerpen van onschatbare waarde'. Ze bezaten 'geestkracht, gaven genezing en bescherming, en brachten God het meest nabij'.

Het zijn 'onooglijke voorwerpen als een vingerkootje van de heilige Ursula of een splinter van het kruis van Jezus', en daarom werden er gouden reliekhouders omheen gemaakt. Die kostbaarheden werden echter tijdens godsdienstoorlogen door beeldenstormers vertrapt en omgesmolten. Wat overbleef, verhuisde later naar musea of in het ergste geval 'naar de bezemkast'. Niemand keek naar die voorwerpen om. Het was allemaal 'bigotte onzin', die afgeknipte nagelranden van de heilige Maria Margaretha van Valckenisse, zoiets bizars als de melktanden, de navelstreng en een stukje voorhuid van Ons Heer, en die botje bij botje verbrijzelde beenderen van martelaren.

Relieken waren 'medicijnen tegen de sterfelijkheid', je had de hemel binnen handbereik wanneer je je hand door de gaten van een reliekschrijn stak om de knoken van een heilige aan te raken. Zes jaar geleden al toonde Van Os in Gebed in schoonheid, misschien wel de mooiste tentoonstelling die hij in het Rijksmuseum heeft gemaakt, zulke 'rekwisieten van een intiem en spiritueel theater'. Als gastconservator laat hij nu in De weg naar de hemel, in de Nieuwe Kerk in Amsterdam en in het Utrechtse Catharijneconvent, zien hoe belangrijk relieken waren in de Middeleeuwen. Voor het eerst in Europa wordt zo'n grote overzichtsexpositie gewijd aan de vorm en de functie van middeleeuwse reliekhouders, hét kunsthistorische stokpaardje van Van Os.

Op zijn 20ste 'veroverde' hij Italië, zijn tweede vaderland, en woonde geruime tijd in Siena, zijn privé-paradijs. 'Ik was er de enige buitenlander, behalve natuurlijk die enkele deftige toeristen in Rolls Royces die met behulp van oude reisgidsen op zoek gingen naar de Italiaanse kunstschatten. Ik las reisverhalen van aristocratische dames die vroeger nog te paard langs al die plaatsen zijn geweest.' Van Os was toen, in de voetsporen van directeur Enzo Carli van het museum in Siena, de enige buitenlander die al die kunstschatten bestudeerde. 'Het was ook eenzaam soms', herinnert hij zich, 'als je in de winter een maand in een hotelkamer zonder ramen zat, er twee slechte films in de week draaiden en er alleen maar winkelmeisjes waren om eens in de week in de disco mee te dansen.' Lang woonde hij in een veertiende-eeuws huis, 'min of meer op de muur bij de poort van San Marco'. Elke ochtend wandelde hij langs de gevel van de Dom en het academisch ziekenhuis Santa Maria della Scala naar de Biblioteca degli Intronati. Toen een vriendin van zijn vrouw, die op bezoek was uit Nederland, vreselijke kiespijn had gekregen, gingen ze naar dat ziekenhuis. Van Os had ooit eens een tandarts bezocht, 'die boven in een van de middeleeuwse torens ter stede praktijk hield', en wiens boor nog met de voet werd aangedreven. Daarom verkozen ze het academische ziekenhuis, waar Van Os prachtige schilderingen zag.

'Dertig jaar geleden deed ik onderzoek in dat oudste ziekenhuis van Europa dat toen nog intact was en ook nog als hospitaal dienst deed: het Ospedale della Scala. Behalve over de prachtige schilderijen moest ik toch ook iets over middeleeuwse reliekenverering zeggen, want dat ziekenhuis bestond dankzij de enorme horecafunctie voor de pelgrims die daar kwamen. Men had er, na de pest, voor ontiegelijk veel geld relieken gekocht. Alle mensen die in het ospedale stierven, waren verplicht hun nalatenschap aan het ziekenhuis te geven. Het dringt allemaal maar langzaam tot je door, want als kunsthistoricus bestudeerde je toch vooral die altaarstukken in Siena. En toen dacht ik: maar waar zouden al die relieken eigenlijk zijn? Ik vroeg het aan de priester daar: padre, mag ik de relieken zien? Hij zei: waar is dat dan weer voor nodig? Hij ging mij voor naar een rommelhok achter het hoofdaltaar en opende een kast. Eerst zag ik alleen bezems en een stof fer en blik, maar tussen flessen en bussen stond een doos met spullen die in de veertiende en vijftiende eeuw waren vereerd als de kostbaarste en heiligste voorwerpen in de stad.'

Daar, in dat hospitaal, ontdekte hij zijn paradijselijke wereld van de Middeleeuwen en sloot er vriendschap met een pater capucijn die was belast met de geestelijke ziekenzorg. Hij mocht er in de zestiende-eeuwse kapel het orgel bespelen. Want Van Os musiceert. Jazz op de piano, in zijn studentenjaren als barpianist in Groningen, en op uitdrukkelijk verzoek van zijn moeder klassieke viool. Hij zingt ook graag, in de kerk, want hij houdt van het ritueel. Zijn vader was streng. Hij hield de jonge Henk, die kunstgeschiedenis wilde studeren, voor dat hij hoogstens geschiedenisleraar kon worden, omdat er geen cent mee te verdienen was, want - zo zei hij - 'directeur van het Rijksmuseum word jij natuurlijk nooit'.

In de kunstgeschiedenis heerste toen nog 'het primaat van de schilderkunst'. Reliekschrijnen waren geen kunst. 'Ze behoorden tot de arte minori, de kleinkunst of kunstnijverheid. Er zijn geen voorwerpen zo vereerd en zo verguisd als reliekhouders. Humanisten, reformatoren en revolutionairen haatten relieken.' Daarom is er zo weinig kostbaars uit de Middeleeuwen overgebleven. 'Kunsthistorici zijn op basis van inventarislijsten gaan tellen en zijn op minder dan 1 procent uitgekomen.'

In Nederland vond men de middeleeuwse spiritualiteit 'al helemaal geen onderzoeksthema'. Van Os herinnert zich de maaltijden bij Nijmeegse collega's, 'waar bij een goed glas wijn en met een stevige sigaar anekdotes werden uitgewisseld' over bijvoorbeeld Hugo van Lincoln uit de tweede helft van de twaalfde eeuw. Die man Gods had zijn oog laten vallen en zijn zielenheil verpand aan een stuk arm van Maria Magdalena. Hij wilde het bot vereren, maar nam geen genoegen met alleen maar 'het knuffelen van de knekels'. Om voor altijd een fragment van de reliek bij zich te hebben, 'nam hij hem in zijn mond en hapte er twee stukken af'. Daar werd toen aan tafel hartelijk om gelachen. 'Het was een soort moppentappen voor erudiete katholieken. Er werden sterke en schokkende verhalen verteld over het Rijke Roomse Leven. Hoe ver kan het gaan, of zo. En wie weet er nog een? Geleerden in Nijmegen beheerden het katholieke erfgoed. In de jaren van de katholieke heropleving moest dit in protestants Nederland worden verdedigd, beschermd en gelegitimeerd. Historici van allerlei slag, godsdienstwetenschappers, antropologen, liturgisten, feministen en romanciers hebben zich erop gestort en hebben een nieuw verleden uitgegraven.'

Het is allemaal ingewikkeld en nu misschien moeilijk voor te stellen. 'Ik weet dat ik die reliekverering nooit helemaal zal kunnen navoelen, dat er altijd die duisternis van de geschiedenis blijft. Het is een volstrekte illusie om te denken dat je dat kunt. Je kunt eigenlijk alleen maar gefascineerd zijn.' Tijdens zijn openingsrede bij Gebed in schoonheid probeerde hij de museumbezoekers duidelijk te maken 'dat we er niets van begrijpen, dat het laat-middeleeuwse gebed en de voorwerpen die daarbij horen héél ver weg zijn, tot een andere wereld behoren'. Daarom moeten we de afstand leren 'en pas dan wordt het interessant om te kunnen vaststellen dat heel af en toe die afstand in tijd wordt overbrugd'. Maar 'geloof van toen is veraf en tegelijk ook dichtbij', weet Van Os. 'Niets leuker dan op een houseparty helemaal lost te gaan. Daar, buiten de kerken, in de subcultuur van het zelfverlies worden elementen van de middeleeuwse gebedscultuur opnieuw toegepast. Na de party hervindt men zichzelf bij het gregoriaans gezang van Spaanse benedictijnen.' Madonna kronkelt zich wellustig om het kruis 'als een reïncarnatie van naar stigmatisatie hunkerende mystieke vrouwen'. Gerard Reve wil 'Nader tot U'.

Natuurlijk waren er de uitwassen van reliekverering. 'Iemand merkte op dat als je alle relieken van het kruis kon samenvoegen net zo'n stapel zou ontstaan als bij de kap van een substantieel bos. Met alle stenen waarmee Stefanus zou zijn gestenigd kun je een piramide bouwen.' Van sommige heiligen, onder wie de apostel Paulus, schrijven wetenschappers, 'zijn zo veel stukjes bewaard dat ze bij elkaar het skelet van een reus zouden vormen'. Iemand als Frederik de Wijze, keurvorst van Saksen en Martin Luthers beschermheer, was een fanatieke reliekenverzamelaar. In zijn collectie bevonden zich niet minder dan 18.470 relieken, 'die alles bij elkaar aflaten opleverden voor 902.202 jaren en 270 dagen'.

Van Os heeft iets met het geloof. Hij is in Harderwijk geboren, op 28 februari 1938, in de apotheek aan de Donkerstraat. Zijn ouders waren beiden farmaceut. Zijn vader was hoogleraar in de oude kruidenleer, later rector magnificus van de Groningse universiteit. Van Os is protestants opgevoed, 'een geloof waar je nooit spijt van krijgt', maar is in het Amerikaanse Northampton toegetreden tot de episcopalian church, de Amerikaanse vorm van de anglicaanse kerk. Hij voelt zich door rituelen aangetrokken en vindt het heerlijk ter kerke te gaan. Als hij dan in Zomergasten op televisie bij Adriaan van Dis zegt 'dat hij iets met het geloof heeft', vreest Adriaan dat hij een Rudy Kousbroek of een Hugo Brandt-Corstius over zich heen krijgt. 'Het feit dat iemand van mijn generatie er voor uitkomt dat heel spannend te vinden, wordt onder intellectuelen toch nog als een soort waagstukje gezien, terwijl dat nu bij een jongere generatie een volstrekt onbekommerde interesse is geworden. Natuurlijk hollen ze daarom niet allemaal met een naar de kerk.'

Hij is 'een ietwat ouderwetse man', charmant, rijzige gestalte, vaste tred en stevige hand. Gezeten op het rode velours van zijn antieke bank in zijn werkkamer op de Amsterdamse Herengracht geeft Van Os een hilarisch college over reliekverering. Hij vertelt de ene na de andere anekdote. 'In Neuss bij Keulen drinken de gelovigen in 1480 nog wijn uit de schedel van een van hun heiligen, dat is toch fan-tas-tisch? Stel je voor: de reliekenkeizer Karel de Grote. Die wilde relieken en zond een paar jongens naar Rome. Ze roofden het skelet van een heilige uit de catacomben en daarna (in Rome) in de kroeg zeiden ze tegen elkaar: laten we er nog maar een halen. Toch on-ge-loof-lijk?'

Van Os is een vertellende 'koning Henk', schreef columnist Jan Mulder toen Van Os afscheid nam als directeur van het Rijksmuseum, die 'ergens in Amsterdam op een witte wolk zit en denkt aan een op te richten instituut met zelf aan te trekken medewerkers, terwijl een edelhert hem zacht likt'. Sinds zijn afscheid van het museum heeft hij aan deze dubbelexpositie gewerkt, het is 'de kroon op het werk, ja zo zou je het kunnen noemen'. Op zijn schrijftafel staan foto's van zijn drie, inmiddels overleden leermeesters in de kunstgeschiedenis: Henk Schulte Nordholt, Horst Gerson en Millard Meiss. 'Ik nam ze mee van de ene werkkamer naar de andere. Ik ben nu bijna even oud als zij op de foto's. Die drie hebben mij tijdens hun leven zo veel bevestiging gegeven, dat de herinnering aan hen mij bemoedigen kan, zo nodig zelfs troosten.'

Hij was altijd al 'een haantje-de-voorste', zei zijn leermeester Horst Gerson in 1971 in de senaatskamer van de Groningse universiteit 'ter introductie van Henk van Os als lector'. Hij was praeses van de schoolbond, schreef recensies voor Het Vrije Volk, organiseerde het Studium Generale en was voorzitter van de Raad voor de Kunst. Zijn dissertatie ging over 'Marias Demut und Verherrlichung in der sienesischen Malerei, 1300-1450'. Je zag al vroeg waarmee hij bezig was, hij maakte scripties over 'liturgie en iconografie van Maria ter Sneeuw' of over 'Jan Swammerdam en het probleem van geloof en wetenschap in de zeventiende eeuw'.

Van jongs af was hij met religieuze kunst vertrouwd. Van Os groeide op naast een jezuïetenklooster; hij werkte in een franciscanerklooster nabij Vught waar hij 'de beste bibliotheek over zijn geliefde onderwerpen kon raadplegen'. In Amerika, waar hij visiting professor is, zocht hij op geregelde tijdstippen de schilder Mark Rothko op, kort voordat deze zelfmoord pleegde. De manier waarop Rothko schilderde trok hem aan, die 'gebaren van een priester in een gnostieke mysteriedienst', die je 'deelgenoot maakte van het heilige'. Misschien is dat nu moeilijk te begrijpen. Tot voor kort maakte de christelijke devotie nog deel uit van de samenleving, 'nu is ze teruggedrongen naar de marge'.

Toch is Van Os terughoudend wanneer hij daarover spreekt. 'Van Dis zei: je kunt beter over iets praten dan iets over jezelf vertellen, want dat lukt kennelijk niet.' Zijn fascinatie voor middeleeuwse kunstvoorwerpen groeide toen hij een boek schreef over de privé-collectie van Wim Neutelings, die na zijn dood een groot deel van zijn verzameling ivoren en reliekhouders aan het Rijksmuseum en het Maastrichtse Bonnefantenmuseum schonk. 'Ik zat vaak in Neutelings' studeerkamer. Toen heb ik ontdekt dat de aanwezigheid van objecten veel heviger is dan die van schilderijen aan de muur. Ze zijn tastbaarder, die kun je vastpakken, je kunt er iets afschroeven, ze openmaken en er iets uit halen. Reliekschrijnen zijn geladen voorwerpen. De middeleeuwse zieken wilden genezen door het fysieke contact met die reliekhouders.' Van Os zag verwantschappen tussen hedendaagse body parts-kunst en relieken, 'dat zie je bijvoorbeeld bij Guido Geelen, die handafdrukken in zijn beelden'.

Van Os ontdekte 'dat het vooral die kunstwerken waren die de middeleeuwer in beweging brachten, waar mensen honderden kilometers voor aflegden om de dingen te kunnen zien waar het echt om ging, Gods gouden glans, het kostbaarste en daarmee ook het mooiste'. Erasmus zag in zijn Lof der zotheid alleen maar 'een zee van bijgeloof'. Het volk kon geen genoeg krijgen van botten en schedels, 'en hoe gekker, hoe meer ze in relieken geloofden'. Toch rees de twijfel. Een bisschop liet een beeldje openen om te zien of het stukje navelstreng van het Jezuskind er nog in zat, maar 'op een paar stukjes textiel en steen na was de reliekhouder leeg'. Na de Verlichting en de Franse Revolutie werd dat middeleeuwse obscurantisme steeds meer bestreden, en kregen de reliekhouders andere betekenissen en functies.

Voor sommigen is de omgang met kunst op zijn minst een substituut voor religie. 'Ik ben heel huiverig voor dat soort surrogaten. Op zondag ga ik naar de kerk, en ja, ik heb ook in een museum gewerkt, maar dat zijn voor mij twee verschillende dingen. Ik ben wel met dezelfde zaken bezig in de kerk als in mijn wetenschappelijk werk, maar het is toch echt iets anders. Van Dis vroeg mij: is voetballen ook kunst? Voetballen is sport, en kunst is iets anders. Ik hou er helemaal niet van om die dingen door elkaar te halen. Dat wordt kunsthistorisch gelul of religieus gescharrel, het is buitengewoon onzorgvuldig, rommelig en zwammerig.

'Als ik wetenschap beoefen, beoefen ik wetenschap. Ik heb niet de neiging te knielen voor een beeld dat ik bestudeer. Toen ik eindelijk weer een vorm voor mijn eigen religiositeit had gevonden en ik voor een nieuw kerkverband had gekozen, merkte ik dat ik dat onderscheid nog meer maakte.

'Ik ben weliswaar protestants opgevoed, maar ik geloof dus geheel zonder metafysica. Door religie kun je heel dicht bij jezelf komen, veilig bij jezelf. Kunst echter heeft iets van een soort extase, iets dat je buiten jezelf brengt. Kunstgeschiedenis is wetenschap, terwijl je het bij religie hebt over ervaringen en over emotionele dingen. Ik kom echt nog uit een wereld van De Bazuin in de jaren zestig, die heel ver ging in het psychologiseren van het religieuze mechanisme, en voor mij heeft dat altijd zoiets gehad als seksuele voorlichting: je weet hoe het werkt, maar dat hoeft toch geen reden te zijn om er niet mee door te gaan. Dat maakt het juist spannender. Terwijl het voor anderen juist een reden is geweest om ermee op te houden. Het ritueel is een essentiële factor in het religieuze besef. En dat is een van de redenen waarom ik van de protestantse kerk ben vervreemd. Maar ik zou ook nooit katholiek kunnen zijn vanwege de hiërarchie, de machtsstructuren, het feit dat de kerk standpunten inneemt.

'Het gebed, iedereen weet nog wat dat is, maar reliekenverering, dat weten de meeste mensen niet. En als ze het weten, dan komen ze uit de katholieke kerk, en dan hebben ze dat met enige verontwaardiging achter zich gelaten. Of het werkt, dat weet ik absoluut niet. Je kunt het alleen rechtvaardigen door in ieder geval daar geen zalvende taal over te gebruiken en heel nauwkeurig bij jezelf te denken waarom je dit alles eigenlijk wil laten zien.

'Maar het is wonderlijk. Dat had je ook bij Gebed in schoonheid. Ik herinner mij nog het expositiebezoek van een aantal management consultants. Sommigen wisten nauwelijks wie de Man van Smarten was. Maar ze kwamen wel betraand uit de tentoonstelling. Het appelleert aan een nogal ongerichte behoefte aan spiritualiteit. De christenheid is niet in staat om daar aansluiting bij te vinden. Kennelijk geeft zo'n expositie daar wel richting aan.

'Dat je door kunsthistorisch werk daar allemaal deel aan kunt hebben, omdat je de dingen heel prachtig vindt, of dat je hun kostbaarheid kunt onderscheiden, dat kan mij buitengewoon heftig ontroeren. Dat is het bijzondere van christelijke traditie. Het is natuurlijk vreselijk dat er allemaal van die rare standpunten worden ingenomen, maar het is wel fantastisch dat de algemeen menselijke waarde die dat met zich heeft meegebracht, dat je die weer tot spreken brengt.'

Van Os hield een 'dagboek van een bruiklener' bij, stukjes over zijn reizen en ontdekkingen. 'Sommige dingen durfde ik echt niet te vragen, zoals een reliekkop uit Oldenzaal die in de kerk nog wordt vereerd. Het beeld staat achter een glazen wand met kaarsjes. Ik dacht: ik ga niet aan het kerkbestuur vragen of ik die kop mag hebben. Van kardinaal Simonis heb ik begrepen dat een aantal van die dingen ontwijd worden voor ze naar de tentoonstelling gaan. En toen zei de kardinaal dat hij toevallig in Oldenzaal naar een mis ging en daar weleens een balletje zou opgooien.

'Dat wordt nog echt hevig wanneer die reliekkop de Catharijnekerk wordt binnengedragen.' De openingsplechtigheid in het Catha rij ne con vent, begint met een entrada waarbij in een processie de reliekbuste van de heilige Plechelmus geplaatst zal worden naast de schrijn met de relieken die Willibrord in 695 heeft meegebracht uit Rome. De bezoekers, die met de trein van Utrecht naar Amsterdam reizen, krijgen dan een audio-apparaat mee waarop Henk van Os het verhaal vertelt van die vele duizenden middeleeuwse pelgrims, 'op weg naar de hemel'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden