Hemmerechts strijdbare en melancholieke toets

De Vlaamse schrijfster Kristien Hemmerechts heeft de afgelopen jaren met grote regelmaat romans en verhalen gepubliceerd, die opvielen door hun stijl, boeiden door hun onderwerp en onbeschroomd de vrouwelijke seksualiteit exploreerden, een zeer karakteristiek trekje....

Hemmerechts kan er wat van, constateerde menige criticus bij het bespreken van haar werk. Na Wit zand uit 1993 is er nu, betrekkelijk snel, een nieuwe roman, die de titel kreeg: Veel vrouwen, af en toe een man.

Dat klinkt nogal feministisch, maar wie het werk van Hemmerechts kent, weet dat zij geen zeloot is die boodschappen de wereld instuurt, maar een schrijfster, die het vooral van haar stilistische vaardigheden moet hebben. Dat wil zeggen: iemand die wat zij ook aanraakt, omtovert tot literatuur.

De vrouwen in Veel vrouwen, af en toe een man zijn drie 'gratiën' die samen op een nonnen-internaat hebben gezeten (en daar door een sterke lerares de klassieken bijgebracht kregen). Daarnaast is er een jongedame, die geheel van deze tijd is, onzeker, onmachtig om de buitenwereld het hoofd te bieden, en gehuwd.

Beide 'partijen' krijgen met elkaar te maken als deze jonge vrouw, Jana Bekkers, door het deelnemen aan een televisiespelletje een baan in het onderwijs aangeboden krijgt, waarin ook de drie inmiddels grijs geworden 'gratiën' werkzaam zijn.

De intrige die zich ontspint heeft niet, zoals men op grond van het bovenstaande zou verwachten, met het hedendaagse onderwijs te maken, maar met Jana's onwil om voor de klas te gaan staan en het feit dat haar duidelijk wordt dat de drie oudere vrouwen van haar grootmoeder les hebben gehad.

Er worden door Hemmerechts twee verhalen vertelt, een waarin Jana de hoofdrol kreeg toebedeeld, en een ander, waarin Lucie Wasteels, een van de drie gratiën, die nu directeur is van de school waar Jana zich heeft gemeld als docente, zich haar jeugd en schooltijd herinnert, toen er door Jana's grootmoeder iets akeligs gebeurde met een non.

Dat is - zeer ruw geschetst - het verhaal, maar deze verwikkelingen vormen op zichzelf niet de inhoud van dit boek. Van belang is de tegenstelling tussen de twee werelden, die Hemmerechts in beelden en dialogen vangt, met een duidelijk accent op de jongere Jana, die ondanks haar huwelijk en het feit dat ze 'af en toe' iets met een andere man probeert in zichzelf opgesloten zit, en niet weet hoe zich te bevrijden (het schaamteloze exhibitionisme waaraan ze zich ten opzichte van haar man, die fotograaf is, overgeeft, lijkt een bruikbaar middel daartoe, maar is het niet).

Er is veel méér te zeggen over dit boek, maar dat laat ik graag aan de critici over. Wat ik er hier over wil opmerken is vooral dat Hemmerechts er buitengewoon goed in geslaagd is - in dat opzicht wordt ze steeds beter - een vorm van vrouwelijke onrust, die ongetwijfeld met de veranderde positie van de vrouw te maken heeft, een deels melancholieke, deels strijdbare toets te geven, die zich niet zo makkelijk voor generalisaties leent, en daarom zoveel waardevoller is dan weer een tractaat over de vrouw en de maatschappij en de ideologische krompraat die daarbij hoort (Atlas, ¿ 29,90).

Omdat het nog steeds zeer stil is in het land der boeken, kost het me weinig moeite nòg een Nederlandse auteur onder de aandacht te brengen: Aat Ceelen, ook bekend als acteur van Orkater. Hij publiceerde in 1993 de verhalenbundel Hotel Kramoesie en voegt daar nu De kachelman aan toe, een twaalftal vertellingen over, zeg maar, een stelletje randfiguren, die er niet voor terugdeinzen zich in allerlei zwijnerijen te wentelen.

Wat dit laatste betreft is het verhaal 'Pjotr' een goed voorbeeld. De man op leeftijd met die naam krijgt, terwijl hij uitziet naar zijn nieuwe vriendin (om wie hij zich wat matigt in zijn gezuip en andere smeerlapperij), bezoek van zijn vriend 'Neger-Henkie' en twee ontstellende hoeren van vriendinnen. Er volgt een niets ontziende orgie die Pjotr met de dood bekoopt.

Dat laatste is sowieso typerend voor Ceelen: menig personage laat hij - met ware lust, lijkt het wel - onder zijn handen sterven. Bij een dergelijke aanpak van het zondige leven, hoort de hoge toon, die Ceelen zelden naar de volumeknop doet grijpen. Het is allemaal nogal grof, hard, ruw, vreselijk, al verheelt de schrijver niet dat in al die ruwe bolsters wel eens een blanke pit kan schuilgaan.

Soms komt Ceelen er niet uit, en stijgt hij op naar groteske hoogten, wat zijn verhalen er niet sterker op maakt. Niettemin is het soms heel erg raak. Dan blijkt Ceelen even iets meer een schrijver te zijn dan iemand die tamelijk hevig theater van zijn woorden tracht te maken (Veen, ¿ 24,90).

Christophe Bataille - we verplaatsen het toneel nu naar la douce France - is iemand van geheel andere allure. Toen hij in 1993 als broekje van 21 debuteerde met Annam kreeg hij vertederend lovende recensies in de Franse kwaliteitspers. Inmiddels is al een tweede roman van hem verschenen: Absinthe. Frankrijk heeft er dus een schrijver bij.

De eersteling van Bataille verscheen eind vorig jaar in het Nederlands. Het is een novelle van krap tachtig pagina's, waarin Bataille de kerstening van Vietnam door de Fransen ten tijde van Louis XVI, die op verzoek van de Vietnamese keizer werd ondernomen, in uiterst eenvoudige bewoordingen schetst.

Dat de critici in Frankrijk min of meer lyrisch waren, valt beter te begrijpen als je het Franse origineel leest dan wanneer je de Nederlandse vertaling onder ogen hebt. De uiterst korte zinnen van Bataille - een stilistische eigenaardigheid die bij een dergelijk debuut evengoed op een tekort als op een teveel kan wijzen - hebben in de Nederlandse versie een nogal lomp aanzien gekregen.

Als voorbeeld citeer ik de eerste zin - die ook door de Franse critici met genoegen in hun recensies werd overgenomen: 'Quand l'empereur du Viêt-nam arriva en 1787 à la cour de France, le règne de Louis XVI sombrait dans la mélancolie. Le roi vieilissait; les critiques étaient acides. La reine le délaissait, ses conseillers étaient impatients: le royaume était en proie à l'agitation. Les lambris du château de Versailles, même, sécaillaient en fleurs d'or recourbées, comme prêtes a (sic!) tomber pour l'automne.'

Dat is, ongetwijfeld, een mooi begin, maar zie wat de Nederlandse vertalers ervan maakten: 'Toen de keizer van Vietnam in 1787 aan het Franse hof verscheen, liep het bewind van Lodewijk XVI langzaam ten einde. De koning werd oud en stond bloot aan scherpe kritiek. De koningin liet hem aan zijn lot over, zijn adviseurs waren ongeduldig: overal in het koninkrijk heerste onrust. Het bladgoud in de lambrizering van het paleis in Versailles krulde als herfstbladeren die op het punt staan om te vallen.'

Vertalen is een kunst die het van precisie moet hebben (als alle kunst), zeker wanneer het om een 'melancholiek' boek gaat als deze novelle van de jonge Bataille. Dat het rijk van de Zonnekoning-nazaat sombrait dans la mélancolie kun je toch niet vertalen met liep langzaam ten einde (te minder als je weet dat de duisternis van het sombrer zo mooi echoot in het zwart van mélancolie). En herfstbladeren die omvallen, lijkt me helemaal nogal zwaar aangezet. Annam verscheen bij De Geus (¿ 27,50). Ik hoop dat men daar Absinthe andere vertalers in handen geeft.

Meulenhoff heeft al zijn bestseller-verwachtingen voor dit jaar geprojecteerd op Het moordende testament (What a Carve Up!) van de Britse auteur (medewerker van The Guardian en Times Literary Supplement) Jonathan Coe. Het boek begint als een ouderwetse familiekroniek. De familie waarom het gaat is die van de Winshaws, waarvan degene die de opdracht heeft gekregen haar officiële geschiedenis te schrijven al spoedig doorheeft dat hij 'in wezen met een familie van misdadigers te maken had, wier rijkdom en aanzien gebaseerd waren op alle soorten zwendel, oplichting, ontvreemding, beroving, dieverij, beduvelarij, kuiperij, handjeklap, verduisteren, brandschatten, ladelichten, wederrechtelijk toeëigenen, valsheid in geschrifte en achteroverdrukken, die je maar verzinnen kon.'

Heerlijk! Zoveel boeverij moet wel een schitterende kroniek opleveren, maar dat is niet wat Coe (en namens hem zijn alter ego Michael Owen) ervan maakt. Ik bedoel: Het moordende testament is geen rechttoe-rechtaan geschreven familieverhaal, maar een mengeling van allerlei stijlen, een gevolg van de verschillende verhalen die Coe met elkaar verweeft.

Het sarcasme, de ironie, de melancholie ook (Owen blijft zijn levenlang in de ban van de film, What a Carve Up!, die hij als jongetje gedeeltelijk zag) maken dit boek tot een uiterst boeiende belevenis, waarbij zeker meetelt dat Coe soms weergaloze emblemen van diep-menselijke ellende tongue-in-cheek door zijn relaas strooit.

Maar ook in dit boek struikel je soms door de vertaling, die door Marijke Emeis werd gemaakt. Niet omdat zij niet kan vertalen, want ze heeft met andere boeken bewezen dat ze dat kan, maar omdat Coe zich soms zo aan taalvaardigheid te buiten gaat, dat het Nederlands er wel bij tekort mòet schieten. Maar nu en dan staat er gewoon onzin. Als een van de grootste krengen uit de familie Winshaw zich voor het schrijven van lucratieve columns bij een tabloid meldt, wordt ze ontvangen door een 'plaatsvervangend redacteur'. Een plaatsvervangend redacteur? Wat moet je je daar bij voorstellen? Ik denk dat Emeis de adjunct-hoofdredacteur bedoelt, een type functionaris dat ook bij Nederlandse kranten wel wordt aangetroffen (Meulenhoff, ¿ 49,90).

Van het Engeland ten tijde van mevrouw Thatcher naar de klassieken van Ambo, daar moet je je even toe dwingen, maar wie Over de vrije wilskeuze van Aurelius Augustinus - in een bepaald opzicht de aanloop naar zijn magistrale Belijdenissen - ter hand neemt, zal merken dat het gaat. De libero arbitrio, zoals het boek in het Latijn heet, werd vertaald door Olav J. Alberts (¿ 49,50). Tegelijkertijd verscheen van Prudentius ('de christelijke Horatius') Getijden (¿ 44,50); dat zijn hymnen waarin Prudentius klassieke vormen hanteert voor de christelijke boodschap.

'Daarin toont hij zich een groot woordkunstenaar en vaak ook een begenadigd dichter', schrijft de vertaler Louis van de Laar in zijn inleiding. 'Maar', voegt hij daaraan toe, 'niet altijd! Vaak stoort ons, moderne lezer, een overdaad in de beschrijving, een opeenstapeling van synoniemen en qua inhoud een realisme dat afstotelijk is of, zoals het verblijf van Jona in het zeemonster, ronduit belachelijk.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden