Heine als getuige

ALS JE IETS wilt weten over de rol, de betekenis en vooral de publieke 'uitstraling' van de Franse Rothschilds in het midden van de negentiende eeuw, moet je Heine lezen....

Gedurende diens Parijse emigrantenjaren glorieerde het machtige bankiersgeslacht in de persoon van de jongste zoon van de stamvader, die niet zozeer zijn joodse als wel zijn Duitse afkomst verdonkeremaande en zich daarom in plaats van Jakob Mayer kortweg James liet noemen, wat tenslotte internationaler klonk, en na zijn verheffing in de adelstand ook deftiger. In talloze brieven heeft Heine met 'Herr Baron' weliswaar de draak gestoken, zoals hij dat trouwens met gezagsdragers van alle pluimage deed, maar in zijn kwalificaties viel altijd een ondertoon van respect te beluisteren.

Dat kan onder andere te maken hebben gehad met het feit dat James in de jaren dertig de grote initiatiefnemer èn entrepreneur werd van de eerste stoomtreinverbindingen met Calais en Orléans - en de dichter dweepte zoals bekend met de spoorwegen, die hij minstens zo revolutionair vond als de ontdekking van Amerika.

De meeste groten der aarde, schreef hij, plegen zich te omringen met middelmatig volk. Zo niet meneer de baron: die in alle denkbare disciplines altijd de allerbesten uitkoos: 'Waarschijnlijk leest hij geen noot muziek, maar Rossini is een huisvriend. Ary Scheffer is zijn hofschilder, Carème was zijn kok. Monsieur de Rothschild kent vast en zeker geen woord Grieks, maar de hellenist Letronne behoort tot zijn intimi. Zijn lijfarts was de geniale Dupuytren, en de grote jurist Crémieux benoemde hij tot zijn raadsman. Zo erkende hij ook van meet af aan het politieke talent van Louis Philippe, en nog altijd onderhoudt hij dus goede betrekkingen met deze grootmeester van de staatkunde. Hij heeft Emile Pereire ontdekt, de pontifex maximus van de spoorwegen, die hij tot zijn ingenieur kroonde, en die de lijn naar Versailles heeft ontworpen, dat wil zeggen de verbinding langs de rechter Seine-oever, waar nog nooit een ongeluk is gebeurd.'

Maar met nog veel meer plezier observeerde Heine het ontzag dat James allerwegen genoot.

'Baron de Rothschild', schreef hij in een brief uit 1841, 'geldt hier als de beste politieke thermometer. Ik wil niet van een weermannetje spreken, want dat zou oneerbiedig kunnen klinken. En eerbied moet je voor die man hebben, al was het maar vanwege de eerbied die hij bij de meeste mensen weet af te dwingen. Zelf kom ik het liefst op zijn uitbetalingskantoor, omdat ik daar als filosoof kan toezien hoe het volk - en niet alleen het uitverkoren volk, ook alle andere volkeren - voor hem knielt en buigt. Dat is me een gedraai en gekrom van de ruggegraat waarop zelfs acrobaten jaloers zouden worden. Ik heb mensen gezien die bij het naderen van de grote baron begonnen te kronkelen alsof ze een geëlektriseerde draad hadden aangeraakt. Hier zie je pas goed hoe klein de mens, en hoe groot god is. Want geld is de god van onze dagen, en Rothschild is zijn profeet.'

Ik had Heine (Französische Zustände I en II) uit de kast gehaald omdat hij een paar keer genoemd werd in The French Rothschilds van de biograaf Herbert R. Lottman, en toen ik eenmaal Heine op schoot had, was ik bijna helemaal vergeten dat ik weer terug moest naar Lottman, en dat moest natuurlijk, want Heine stierf in 1856, en die heeft dus nooit kunnen weten hoe het James en diens nazaten nog allemaal zou vergaan onder Napoleon III, als landgenoten van de tamelijk anti-semitische gebroeders Goncourt, ten tijde van de Dreyfus-affaire en de Eerste Wereldoorlog, in de dagen van de Action Française en de heerschappij van Hitler, tot en met de époque van Mitterrand, die meteen na zijn aantreden het financiële imperium liet nationaliseren - en dat waren allemaal gebeurlijkheden die we via Lottman uiteraard wèl te weten komen.

The French Rothschilds is een heel informatief geschiedenisboek, dat behalve aan het feit dat Lottman niet zo aanstekelijk schrijft als Heine, vooral lijdt aan een zekere dubbelzinnigheid. Aan de ene kant heeft het iets institutioneels, waardoor je als lezer het gevoel houdt dat je naar de gevel mag kijken van een indrukwekkend gebouw dat helaas niet betreden kan worden. Misschien ter compensatie van die afstandelijkheid doet de auteur aan de andere kant steeds zijn best om wat 'petite histoire' aan zijn keurige feiten toe te voegen, maar omdat hij dat niet zo handig doet, is het net alsof de notulenschrijver zich zo nu en dan laat onderbreken door Henk van der Meyden, want allicht: de onmetelijke rijkdom van de familie sprak ook honderd en meer jaar geleden al tot de sprookjesverbeelding van de populaire (geïllustreerde) pers, en iedere keer als een telg het oog liet vallen op een mogelijke levensgezel(lin), lag een huwelijk-van-de-eeuw op de loer.

Voor zover het boek ook een bedrijfsgeschiedenis had willen zijn, blijft het wel heel erg aan de buitenkant. We vernemen dat in de loop van de negentiende eeuw bijna geen land een oorlog kon voeren of de vrede kon bewaren zonder tussenkomst van Rue Laffitte, maar hoe deden de Rothschilds dat precies? Hoe wendden ze hun macht aan, in welke mate hebben ze er ooit misbruik van gemaakt, in hoeverre is hun invloed werkelijk doorslaggevend geweest voor de al dan niet rampzalige ontwikkeling van internationale betrekkingen? Door Lottmans bril ziet de familie er naar mijn smaak al te braaf, al te onkreukbaar en al te mensvriendelijk uit - zou het geld en zou de macht niet ook haar op z'n minst een beetje gecorrumpeerd hebben?

De donkere schaduw naast het verhaal is van meet af aan het verhaal van de haat - want hoe er ook gekronkeld werd van ontzag, vlak onder de eerbied heeft natuurlijk altijd de rancune gewoond, de afgunst, het lugubere bijgeloof aangaande het Weltjudentum, dat ook zonder de onderbouw van een rassenleer al zijn gang kon gaan. De Franse consul in Damascus sprak, naar aanleiding van de onopgeloste moord op een Capucijner monnik in Syrië, al in 1840 openlijk van een rituele joodse moord - en de protesten van baron James werden in Parijse kranten maar gedeeltelijk serieus genomen, omdat de meeste lezers kennelijk liever de leugens wilden horen.

Lottman vermeldt het omineuze incident in een paar alinea's. Ook in dat geval zou je Heine ernaast moeten lezen. Die legde in een brief van 27 mei 1840 feilloos het onheilspellende mechaniek van het antisemitisme bloot, inclusief 'de bittere kanttekening dat gedoopte joden' (hij maakte een nadrukkelijke uitzondering voor James de Rothschild) 'uit laffe hypocrisie vaak nog meer onjuistheden debiteren dan de ergste vijanden van de joden.'

Maar genoeg Heine. Lottman mag ook gelezen worden.

Herbert R. Lottman: The French Rothschilds.

Crown, import Nilsson & Lamm; ¿ 60,60.

ISBN 0 517 59229 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden