Heilig weten ontneemt ons het geloof

Vaderlanders, vergunt u mij deze Paasbrief aan u te richten. Christenen verkondigen dat Christus uit de doden is opgestaan. Dat beduidt het wereldwijd gevierde hoogfeest van Pasen. Hoe kunnen dan sceptici onder u, vaderlanders, weten dat verrijzenis van de doden niet bestaat? Als die niet zou bestaan, dan zou Jezus de Christus niet zijn opgestaan en dan zou onze prediking toen, tweeduizend jaar geleden, en nu nog steeds zinloos zijn en dus geloof in Christus waardeloos. Daarom blijft de verkondiging van Christus en Zijn verrijzenis. Die is noodzakelijk. Hoe anders zouden mensen van heden nog kunnen geloven als hun het Evangelie niet wordt verkondigd?


Wie nooit meer van Christus hoort, kan onmogelijk geloven. En dat is de heden verworven armoede dankzij slecht of helemaal geen onderwijs in godsdienst, tenzij om daarvan de betrekkelijkheid in stelligheid vast te stellen. De zoekende mens van nu scharrelt wat rond in de winkels van de zogenoemde spiritualiteit, kiest her en der wat uit voor zijn winkelmand en stelt thuis zijn goed-gevoel-geloof samen - alleen, helemaal alleen, opgesloten in het eigen gelijk dat allerindividueelst is. Zo luidt het oude gezegde: Eén Nederlander, een theoloog. Twee Nederlanders, een kerk. Drie Nederlanders, een schisma. Zo heet het tegenwoordig: Eén Nederlander, een mening. Twee Nederlanders, een debat. Drie Nederlanders, een ruzie. Een klein, dicht bevolkt land waar elkeen het gelijk aan zijn zijde weet in trefzekere bewering.


Het christelijk geloof, dat in cultuur nog altijd de identiteit van Europa bepaalt - zij het onder toevoeging van het eertijds christelijke humanisme en de nu stilaan ouderwetse Verlichting - wordt over de gehele wereld steeds meer ontdekt. Alleen in West-Europa en met name in Nederland lijkt het christendom te verdwijnen.


De kerk viert met Pasen dat Jezus Christus, de Zoon Gods, geboren als mens om ons door de kruisiging bij God terug te brengen, is verrezen. Zou hij niet verrezen zijn, Jezus zou een voortreffelijke profeet kunnen zijn, meer niet.


Wie weet bij ons nog dat Pasen het hoogfeest beduidt van de door Christus bewerkstelligde verzoening van de mensheid met God en aldus van de overwinning van het leven op de dood, van het goed op het kwaad? Wie wil dat eigenlijk nog werkelijk weten? Weinigen in Nederland, vermoed ik. Juist de volheid van de christelijke verkondiging irriteert het merendeel van ons vaderlanders - vooral van bekende Nederlanders onder ons die vooraan plegen te staan om andere landgenoten van eigen overtuiging kond te doen. Waarom? Het is dat persoonlijke en gans eigen gelijk hebben. Dat heet persoonlijke vrijheid.


De aanspraak op de waarheid die Christus is, klinkt te absoluut. Want wat is waarheid? Behoort niet alles betrekkelijk te zijn? Wij weten toch dat wetenschap elk geloof overbodig heeft gemaakt. Geloof is primitief, wetenschap is verlicht. Wij zijn onze hersenen en brengen onze horizon van denken terug tot de strengste uitleg van calvinisme, zij het in geseculariseerde zin.


In tegenstelling tot agnosten, wier kijk op het leven omwille van bescheidenheid sympathie wekt, beweren veelal atheïsten slechts beter na te denken dan gelovigen. In feite denken zij anders na en wensen zij hun denken te beperken tot het verstand alleen - de leidinggevende faculteit van de mens, nochtans niet de enige. Hier moet herhaald worden dat het niet-bestaan van God even onbewijsbaar is als het wel bestaan van God.


Het kan verkeren: voorheen, toen de meerderheid in Nederland nog openlijk belijdend christelijk - zij het in verdeeldheid - durfde te zijn, werd de ongelovige gevraagd zich daarvan rekenschap te geven. Tegenwoordig durft de meerderheid van de christenen niet meer voor haar geloof uit te komen. De christen heden moet zich jegens de ongelovige voor zijn geloof verantwoorden. In schaamte stamelt hij. Hij is de moed verloren. Hij doet er bij voorkeur het zwijgen toe. Hij weet zijn levensovertuiging niet te verdedigen, omdat de tegenstander niet verder met hem mee kan gaan dan het redeneervermogen gering is. Wat fierheid aangaat, kunnen katholieken de leerschool van de protestanten bezoeken - die van de orthodoxe, bedoel ik. Want de toekomst is niet aan de vrijzinnigheid, maar aan de orthodoxie. Vrijzinnigheid leidt naar het winkelbedrijf van de te kiezen prettigheden. Orthodoxie anderzijds kan alleen bloeien in mildheid, in overtuiging dat alle mensen door God worden bemind, in benul dat geloof een geschenk is dat wel verplicht maar niet anderen kan verplichten.


Staat geloof tegenover rede, zoals ons, christenen, steeds door anderen wordt ingepeperd? Groter onzin nimmer vernomen. Mij beperkend binnen de ene christenheid tot de bedding van de kerk van Rome, de Moederkerk, weet ik dit: niets wat in wetenschap ontdekt kan worden, staat tegenover ons geloof. De klemmende kwestie is een andere: alles wat wetenschappelijk kan, moet dat ook? Dat is de vraag, en die betreft niet de wetenschap maar de moraal.


Opdracht aan elke wetenschap is de waarheid te vinden. De wil de waarheid te vinden behoort ook tot het onderzoek van filosofie, de wetenschap die niet alleen betrekking heeft op kennisleer en logica maar ook op zijnsleer en zingeving. En dat laatste is tevens het terrein van theologie en godsdienstwetenschap die in de vraag naar God in enen de vraag naar de mens stellen.


Ook al zouden wij onze hersenen zijn, wat zegt dat over mijn bestaan, mijn omgang met andere mensen, de dood die mij wacht en de vreugde die ik beleef aan liefde en vriendschap en schoonheid? Niets. Kennis is nog geen wijsheid. Laten we ons maatschappelijk niet al te zeer leiden door de natuurwetenschappen die maar een gedeelte van de werkelijkheid onderzoeken?


We kennen al uit de negentiende eeuw naast de erklärende de verstehende wetenschappen. De eerste kunnen proefondervindelijk verklaren, de tweede invoelend begrijpen. Maar wat hebben alle wetenschappen met elkaar gemeen en ook met godsdienst en voorts met kunst? Dat is de intuïtie, het onberedeneerde voorgevoel dat drijvende kracht wordt tot onderzoek, geloof, schepping. Het betreft telkens het geschonken talent. De gave om wetenschap te beoefenen, zich over te geven aan God, kunst te bedrijven.


In het onlangs ook in het Nederlands verschenen interviewboek met Benedictus XVI, Licht van de Wereld, legt journalist Peter Seewald de paus deze uitspraak van de kernfysicus Werner Heisenberg voor: 'De eerste slok uit de beker van de natuurwetenschappen maakt atheïstisch - maar op de bodem van de beker wacht God.' Benedictus XVI reageert zo: 'Slechts zo lang men bedwelmd is door het eigen wetenschappelijk inzicht, zegt men: meer is niet mogelijk; we weten nu alles. Maar wanneer men de ongehoorde grootsheid van het geheel op het spoor komt, rijkt de blik verder en komt de vraag op naar een God van Wie alles komt.' Het blijft de grote opgave van de kerk, aldus de paus, geloof en rede - de blik die verder reikt dan het tastbare en de rationele verantwoording - te verbinden. Want het verstand is ons door God gegeven en het typeert de mens.


Met Pasen viert de christenheid dat Gods eniggeboren Zoon de dood heeft overwonnen en de eeuwigheid voor ons heeft ontsloten. Jezus heeft geleden onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven; Hij is verrezen op de derde dag - volgens de Schriften. Opgestaan, hoe dat te verstaan?


Ik kies wat Joseph Ratzinger/Benedictus XVI over de verrijzenis in het tweede deel van Jezus van Nazareth schrijft. Het boek is deze week in het Nederlands verschenen. De opgestane en dus verheerlijkte Jezus is niet teruggekeerd naar het algemeen biologische leven, zoals bijvoorbeeld Lazarus is overkomen; want die is evengoed gestorven. Jezus als verrezen Heer is geen spook of geest, al wordt Hij pas later in een ontmoeting met de zijnen herkend.


De opstanding van Christus is enig als gebeurtenis in de geschiedenis en gaat die te boven maar heeft daarin sporen achtergelaten. Gezien de getuigenissen is de verrijzenis van een radicaal nieuwe hoedanigheid - een nieuwe wijze van zijn als gevolg van een ontologische sprong die voor ons een nieuwe ruimte van leven, van samen zijn met God heeft geschapen.


De ongelovige Thomas mocht de opgestane Christus zien en betasten en toen kon hij zeggen: 'Mijn Heer en mijn God'. Maar Jezus berispte hem en zei: 'Zalig zij die niet zien en toch geloven.'


Zalig Pasen.


De auteur is priester, kunsthistoricus en publicist. Voor de verlichte Nederlander markeert de eigen waarneming de grens van het geloof. Echter: 'Niets wat in wetenschap ontdekt kan worden, staat tegenover ons geloof.'


Zie voor de volledige tekst: OPINIE.VOLKSKRANT.NL

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden