HEIDELBERG,DU FEINE

Heidelberg is een mythe, gegrondvest door Duitse schilders en dichters, later in geld omgezet door de toeristenindustrie. Heidelberg is de brug over de Neckar, de burcht, de universiteit, de romantiek, de ansichtkaart....

samenstelling: Frans van Schoonderwalt

Lange lieb' ich dich schon, möchte dich, mir zur Lust,

Mutter nennen, und dir schenken ein kunstlos Lied,

Du, der Vaterlandsstädte

Ländlichschönste, soviel ich sah.

Dit gedicht schreef Friedrich Hölderlin toen hij in 1800 in Heidelberg verbleef. De regels zijn in een gedenksteen gebeiteld. Ik lees ze en loop verder de Philosophenweg af. Verlaten ligt hij in de zon. Een oude vrouw zoekt een beschaduwde bank op. Ze heeft me niet in de gaten en tilt omstandig haar gebloemde rok op om die bij het zitten niet te kreukelen. In de berm staat een Mariabeeld, met verse bloemen, margrieten, vingerhoedskruid. Aan de andere kant ligt de stad, 'Alt-Heidelberg, du feine, du Stadt an Ehren reich', zoals Viktor von Scheffel zong, de Neckar, omkaderd door de overvolle B37 en de Ziegelhäuser Landstrasse, daarboven de burcht, een ansichtkaart, enigszins verbleekt in de middagnevel.

Heidelberg is een mythe, gegrondvest door Duitse schilders en dichters, later in geld omgezet door de toeristenindustrie. In de ode van Hölderlin lijkt die mythe al volledig verankerd. Anderhalve eeuw lang hebben poëten, schilders en dichtende hoogleraren de door hem opgeroepen beelden geïmiteerd en gevarieerd, en zelfs tegenstanders van idyllen konden zich maar moeizaam losmaken van dit voorbeeld.

Goethe was er ('de brug laat van hier een schoonheid zien die misschien geen brug ter wereld bezit'), Jean Paul, Eichendorff, Brentano, Arnim - allemaal dweepten ze met de stad. 'Kom naar dit prachtige land, het is hier onbegrijpelijk prachtig', schreef Clemens Brentano aan Achim von Arnim. Het tweetal verzamelde in Heidelberg volksliedjes voor Des Knaben Wunderhorn.

De grootste 'zanger' van Heidelberg was Joseph von Eichendorff. Geen ander legde de sfeer van de stad zo trefzeker in beelden vast. Hij bracht landschap en dichtkunst zo dicht bij elkaar dat een wandelaar zich kan afvragen of hij de werkelijkheid ziet of Eichendorffs gedichten. 'Een smal, bloeiend dal, in het midden de Neckar, rechts en links hoge, met loofbomen bedekte rotsen. Op de linkeroever Heidelberg, groot en mooi. Slechts één hoofdstraat met diverse poorten en pleinen. Daarboven, overschaduwd door de berghelling, de oude Paltsburcht, zonder twijfel de grootste en mooiste ruïne van Duitsland.'

Aan het einde van de achttiende eeuw beleefde Heidelberg zijn artistieke opkomst toen regionale schilders oog kregen voor stad en omgeving als onderwerp voor hun landschapsschildering. Ze ontdekten dat de natuur een klassiek voorbeeld van een ideaal landschap had gecreëerd: berg en dal, bossen en weilanden, een stad en een kasteelruïne op een heel klein gebied. Schilders als Johann Jakob Müller en Bernhard Fries legden in die dagen de basis voor de romantische visie op Heidelberg, het vaak beschreven gevoel in die stad een paar centimeter boven de grond te zweven.

In de literatuur zette de jonge romantiek van die dagen zich af tegen het oude proza. Die oppositie bleef niet binnenskamers, maar trok als een onzichtbare voorjaarsstorm door heel Duitsland. En vooral in Heidelberg vond ze voortdurend en intensief weerklank, ook al omdat de stad zelf als geen ander de romantiek verzinnebeeldde.

Toch duurde de literaire bloeitijd van de Heidelberger romantiek maar kort. Hij liep van juli 1804 tot november 1808, van de aankomst van Brentano tot het vertrek van Von Arnim. Zij behoorden met Görres tot een dichterskring die door Friedrich Creuzer en - in de marge - door Caroline von Günderode werd aangevuld. In de zogenoemde Divan-gedichten die Goethe in 1815 schreef, is nog een echo te horen van de Heidelberger romantiek. Met de ironische reisschetsen van Immermann en Gutzkow en het realistisch proza van Gottfried Keller was de romantiek echt passé.

Heidelberg zou eerder een berg dan de burcht kunnen missen. De schitterende ruïne, een enorme massa, tegen de berg aangebouwd, kijkt trots en majestueus op de stad neer. Wie er een totaalbeeld van wil krijgen, moet er 's avonds in de maneschijn vanaf de Karlsplatz naar kijken. Daar hangt ze, geheimzinnig als een middeleeuwse verschijning, die zich heeft opgemaakt met loof en bloemen; uit de torens en muren schieten bomen op waarin de nachtelijke wind ruist.

Voordat de Fransen het slot in 1689 in een puinhoop veranderden, moet het indrukwekkend zijn geweest. De steen is bruin, naar het roze neigend, de uitvoerige versieringen op de gevels zijn zo verfijnd dat ze eerder gemaakt lijken voor binnenshuis dan voor een buitenmuur. Het verhaal wil dat een toerist die de brug passeert en door het park naar de burcht loopt zonder één woord te zeggen, een wens mag doen die zal worden vervuld. Maar dit laatste is nooit bewezen, omdat iedere toerist zodra hij het slot in het oog krijgt een kreet van verrukking slaakt!

Het is een ruïne die aan de natuur is teruggeven, zonder er een prooi van te worden. Het is wilde eenzaamheid en toch tegelijk een harmonieus, bijna poëtisch samengaan van het frisse groen en de vervallen torens, symbool van de vergankelijkheid en tegelijk een plek waar nog de oude riddersages zijn op te roepen.

De romantische schilders hebben het oude slot, de maan en het overdadige loof ontelbare keren vereeuwigd. Zij zagen een Italiaans en Duits landschap samenkomen, precies op de punt waar de Neckar zich klaarmaakt het dal te verlaten om zich naar de Rijnvlakte te spoeden, de vlakte die vanaf de burcht is als een zee, levendig door de beweging van de wolken en hun schaduwen, het licht en de kleuren.

Hoeveel dichters en zangers van deze onvergelijkelijke schoonheid zijn er niet geweest? Zij legden Heidelberg bloot voor Duitsland en daarna voor de wereld. Er is nauwelijks een gedicht dat niet de mythische plekken noemt: Wolfsbrunnen, Stift Neuburg, de rivier, de oude binnenstad. Rond 1918 kon men er de koning der dichters, Stefan George, door het slotpark zien lopen terwijl de poëet Alfred Mombert piekerend en eenzaam door de binnenstad liep. En de dichter en antroposoof Alexander von Bernus gaf op zijn landgoed Neuburg esoterische avonden met kamermuziek en voordrachten.

Na de mislukte revolutie van 1905 streken Russen in groten getale neer in de oudste universiteitsstad van Duitsland (sinds 1386). Ze vormden een kolonie, stichtten een bibliotheek en gaven vaak feesten. De bewondering voor deze uitzonderlijk intelligente, voortdurend discussiërende en hartstochtelijk levende mannen was groot. Er ging van hen iets bevrijdends uit.

Later volgden mensen als George Lukács uit Boedapest en Ernst Bloch uit Mannheim, die naam verwierven als Marxisten. Destijds waren ze gnostici die hun theosofische fantasieën verkondigden en in Heidelberg vaak over de tong gingen. Van de filosoof Lask was de grap: wie zijn de vier evangelisten? Dat zijn Mattheus, Marcus, Lukács en Bloch!

Heidelberg was na 1918 bevolkt met goden en halfgoden, profeten en narren en faunen. Ook de boze dwerg ontbrak niet in de gedaante van Joseph Goebbels, die vanwege een klompvoet de Eerste Wereldoorlog niet had kunnen meemaken en vol haat en nijd zat. Maar in die dagen hield hij zich nog gedeisd en liep college bij een joodse hoogleraar, Friedrich Gundolf.

Maar Heidelberg was ook - sinds de tweede helft van de negentiende eeuw - het decor voor triviale romans en toneelstukken. Hoogtepunt was het in 28 talen vertaalde wereldsucces Alt-Heidelberg van Wilhelm Meyer-Förster uit 1901. Zowel voor het boek als de film (The Student Prince uit 1927, met Ramon Novarro en Norma Shearer, regie: Ernst Lubitsch) werden vele tranen vergoten en het schijnt dat dit sentimentele stuk ertoe bijdroeg dat Heidelberg tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels ontzien werd door Amerikaanse bommenwerpers.

In 1946 was het zodoende een vrijwel ongeschonden stad midden in een geschonden Duitsland vol tot ruïnes vervallen steden. De betovering van het verleden was intact gebleven, net als de geest van de universiteit. Ondanks voedsel- en woonproblemen vormde Heidelberg in het in zones opgedeelde Duitsland een nieuw cultureel middelpunt. Er ontstond een bijna overdadig concertleven, het theater bloeide opnieuw op en de in het najaar van 1946 geopende Amerikaanse bibliotheek op de Universitätsplatz bood de historisch geïnteresseerde Duitsers weer de eerste mogelijkheid het contact met de buitenwereld te herstellen en meer te vernemen over het lot van hun medeburgers.

Het is de grote verdienste van Heidelberg dat het ondanks zijn tradities en generatieconflicten niet is weggezakt in onvruchtbaar conservatisme. Het is een kosmopolitische stad waar men sinds eeuwen gewend is aan vreemdelingen. Het is een stad in beweging, wat zich weerspiegelt in de rivier, in de vlucht van vogels boven de Neckar, in het golvend groen tegen de hellingen. Door de Hauptstrasse flaneren toeristen en consumenten. Ze kopen in chique boetieks en ontspannen zich in café Knösel (met zijn befaamde Heidelberger Studentenküsse sinds 1836, 'Küsse wie damals'), in Café Journal, in bistro's en pizzeria's, ze eten Big Macs met frites bij McDonald's.

Waar men ook staat in Heidelberg, men staat er in een ansichtkaart. Vaak weet men niet waar men heen moet met al het genot dat men ervaart. Het is een streek waar wijn, gezang en muziek stromen. Wie dit unieke landschap leert waarderen en ermee omgaat als met een geliefde, is een gelukkig mens. Beschrijven laat Heidelberg zich eigenlijk niet. Men moet alleen zijn naam noemen en verder zwijgen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden